Menu

Filter by
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2025:7888

asiel - gegrond

Rechtbank Den Haag 6 June 2025

Case law - Rulings

ECLI:NL:RBDHA:2025:7888 text/xml public 2025-06-06T08:40:05 2025-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-02-05 NL24.30897 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7888 text/html public 2025-06-06T08:23:18 2025-06-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:7888 Rechtbank Den Haag , 05-02-2025 / NL24.30897
asiel - gegrond

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.30897
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),

en

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 6 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.A. Matti als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Waar gaat de zaak over?

2. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [datum] 2007. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij op zijn negende is gevlucht voor de oorlog in Jemen en samen met de rest van zijn gezin in Saoedi-Arabië is gaan wonen, waar zijn vader al werkzaam was. Vanuit Saoedi Arabië is hij later – zonder de rest van zijn gezin – naar Nederland gereisd. Eiser wil niet terug naar Jemen, omdat hij vreest voor de oorlog en de onveilige situatie. Hij vreest bij terugkeer dat hij gerekruteerd zal worden. Ook vreest eiser dat hij en zijn vader gevangen zullen worden gezet, omdat hij zal worden gezien als verrader nu hij in Saoedi-Arabië is opgegroeid.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende geloofwaardig geachte relevante elementen:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

oorlog in Jemen met rekrutering van jongeren als gevolg.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is voor een gegronde vrees voor vervolging en hij bij terugkeer naar Jemen geen reel risico op ernstige schade loopt. Volgens verweerder is eisers vrees voor rekrutering niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld in Jemen. Verweerder heeft tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin is bepaald dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 28 november 2024 uitgelaten over de vraag of verweerder voldoende en op de juiste wijze rekening heeft gehouden met het actuele geweldsniveau en de humanitaire situatie in Jemen. Nu de overwegingen van die uitspraak, in onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing zijn, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar die uitspraak.
4.1.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is reeds hierom gegrond. Verweerder zal in een nieuw besluit ook (opnieuw) moeten beoordelen en motiveren of eiser door de humanitaire omstandigheden in Jemen een reëel risico loopt op een behandeling of situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM als hij terugkeert. De rechtbank geeft gelet op het voorgaande nog geen oordeel over de vraag of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen verhoogd risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld vanwege de door hem gestelde persoonlijke en individuele omstandigheden. Verweerder zal in het nieuw te nemen besluit de persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden die door eiser naar voren zijn gebracht moeten beoordelen in het licht van de veiligheidssituatie in het gebied waar eiser vandaan komt. Daarbij is in ieder geval relevant dat hij minderjarig is, afkomstig is uit [plaats] en tot zijn achtste in Jemen heeft gewoond.
4.2.
Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit in strijd is met de motiveringsplicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

ECLI:NL:RBDHA:2024:19864

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, r.o. 6.4.

Share article