De Raad van State heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarbij een inwoner van Rotterdam via de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) inzage had gevraagd in de verwerking van zijn persoonsgegevens. Het hoger beroep van de appellant werd ongegrond verklaard, maar de gemeente werd wel veroordeeld tot betaling van €500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De appellant ontdekte in mei 2021 dat de gemeente Rotterdam op zeven momenten toegang had gekregen tot Suwinet, een systeem waarmee overheidsinstanties persoonsgegevens van burgers kunnen raadplegen. Hij diende een inzageverzoek in op grond van artikel 15 AVG en wilde onder meer weten welke medewerkers zijn gegevens hadden ingezien, of zij daartoe bevoegd waren en welke UWV-medewerkers de toegangsaanvraag hadden beoordeeld. Daarnaast vroeg hij om een volledig overzicht van zijn belhistorie bij de gemeente.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verstrekte in 2022 en 2023 overzichten van de verwerkingen. Omdat het aanvankelijke overzicht van de belhistorie onvolledig bleek door een systeemovergang, erkende het college dit in bezwaar en vulde het de informatie aan.
De appellant betoogde dat de verstrekte overzichten onvolledig waren. Hij wilde ook de namen en functies weten van de ambtenaren die zijn gegevens hadden geraadpleegd, alsmede de identiteit van de betrokken UWV-medewerkers. De Raad van State ging hier niet in mee. Artikel 15 AVG geeft een burger recht op inzage in de verwerking van zijn eigen persoonsgegevens — niet in persoonsgegevens van derden, zoals de namen van ambtenaren. De gemeente had bovendien al vermeld dat uitsluitend medewerkers met de functie van Inkomensconsulent toegang hebben tot Suwinet. Voor de gegevens van UWV-medewerkers geldt dat de gemeente daarvoor simpelweg geen verwerkingsverantwoordelijke is.
Over de belhistorie oordeelde de Raad van State dat de verstrekte overzichten voldoende waren. De appellant kon aan de hand daarvan de juistheid en rechtmatigheid van de verwerkingen controleren, wat precies het doel is van het inzagerecht onder de AVG. Zijn wens om ook de contacthistorie te ontvangen wees de Raad af, omdat dit pas in de bezwaarfase naar voren was gebracht en daarmee buiten de reikwijdte van het oorspronkelijke verzoek viel.
Hoewel het hoger beroep inhoudelijk faalde, kende de Raad de appellant wel een schadevergoeding van €500,- toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. De procedure duurde in totaal iets meer dan vier jaar, terwijl vier jaar als redelijke termijn geldt voor een procedure met bezwaar en twee rechterlijke instanties. De vertraging was hoofdzakelijk aan de gemeente te wijten: de behandeling van het bezwaar duurde ruim vier maanden te lang.
De uitspraak bevestigt dat het AVG-inzagerecht een belangrijk instrument is voor burgers, maar tegelijk duidelijke grenzen kent: het recht reikt niet verder dan de eigen persoonsgegevens van de verzoeker.