Proceskosten. Beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Geen schadevergoeding redelijke termijn. Gering financieel belang. Belangenafweging. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard dat het financieel belang in deze zaak € 105,- bedraagt. Met deze uitspraak is de overschrijding van de redelijke termijn na de ontvangst van het bezwaarschrift op 4 maart 2020, ruim ...
ECLI:NL:CRVB:2026:642
text/xml
public
2026-05-28T15:03:46
2026-05-21
Raad voor de Rechtspraak
nl
Centrale Raad van Beroep
2026-05-12
22/2933 PW
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:642
text/html
public
2026-05-21T19:13:09
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:CRVB:2026:642 Centrale Raad van Beroep , 12-05-2026 / 22/2933 PW
Proceskosten. Beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Geen schadevergoeding redelijke termijn. Gering financieel belang. Belangenafweging. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard dat het financieel belang in deze zaak € 105,- bedraagt. Met deze uitspraak is de overschrijding van de redelijke termijn na de ontvangst van het bezwaarschrift op 4 maart 2020, ruim 26 maanden. Hoewel de overschrijding van de redelijke termijn meer dan twaalf maanden bedraagt, is de Raad na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. In dit geval weegt zwaar dat het financieel belang van appellant zeer gering is en dat hij van de rechtbank al een schadevergoeding van € 500,- heeft toegekend gekregen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
22/2933 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 augustus 2022, 20/3472 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 12 mei 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het in hoger beroep alleen nog om het antwoord op de vraag of de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om de Staat in de proceskosten te veroordelen in verband met een overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Appellant krijgt dus gelijk. Appellant krijgt geen schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Namens appellant heeft mr. drs. R.P. Dielbandhoesing hoger beroep ingesteld en een verzoek ingediend om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Naar aanleiding van voornoemd verzoek om schadevergoeding heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Namens appellant is verschenen mr.drs. Dielbandhoesing. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (college) heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.A. Kremer.
Op de zitting hebben appellant en het college een schikking bereikt.
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 31 december 2019 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet voor de kosten van een sportschoolabonnement.
1.2.
Met een besluit van 30 januari 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 april 2020 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daarnaast heeft de rechtbank de Staat veroordeeld tot betaling aan appellant van een immateriële schadevergoeding van € 500,- in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. In dat verband heeft de rechtbank de Staat niet veroordeeld in de proceskosten van appellant, omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Het standpunt van appellant
3. Op de zitting bij de Raad hebben appellant en het college een schikking bereikt over de afwijzing van de in 1.1 genoemde aanvraag. Appellant is het alleen nog met de aangevallen uitspraak niet eens voor zover de rechtbank heeft nagelaten om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant.
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht een proceskostenveroordeling achterwege heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beroepsmatig verleende rechtsbijstand
4.1.
Volgens vaste rechtspraak staat een familierelatie er op zichzelf niet aan in de weg dat de gemachtigde als derde wordt aangemerkt. Die familierelatie staat ook niet aan het beroepsmatige karakter van verleende rechtsbijstand in de weg, met dien verstande dat als rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van belanghebbende in beginsel moet worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.
4.2.
De gemachtigde van appellant heeft te kennen gegeven dat hij vanaf 1995 beroepsmatig rechtsbijstand verleent en dat hij niet tot het huishouden van appellant behoort. De Raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Het is de Raad ambtshalve ook bekend dat de gemachtigde van appellant in het verleden op professionele basis rechtsbijstand heeft verleend. Ondanks de familierechtelijke relatie tussen appellant en zijn gemachtigde is de Raad dus, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de rechtsbijstand op zakelijke basis is verleend. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte een proceskostenveroordeling achterwege heeft gelaten.
Redelijke termijn
5. Appellant heeft ook in hoger beroep verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
5.2.
Het bezwaarschrift is ontvangen op 4 maart 2020. Gelet op de datum van deze uitspraak betekent dit dat meer dan vier jaar is verstreken voordat uitspraak is gedaan. Noch de zaak zelf, noch de opstelling van appellant geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden.
5.3.
In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De Raad ziet in het onderhavige geval aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Hiertoe is het volgende van belang. In zaken waarin de redelijke termijn is overschreden, wordt als regel – behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De Raad hanteert als uitgangspunt dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Bij een financieel belang van minder dan € 1.000,- en een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden kan de Raad beslissen naar bevind van zaken.
5.4.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard dat het financieel belang in deze zaak € 105,- bedraagt. Met deze uitspraak is de overschrijding van de redelijke termijn na de ontvangst van het bezwaarschrift op 4 maart 2020, ruim 26 maanden. Hoewel de overschrijding van de redelijke termijn meer dan twaalf maanden bedraagt, is de Raad na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. In dit geval weegt zwaar dat het financieel belang van appellant zeer gering is en dat hij van de rechtbank al een schadevergoeding van € 500,- heeft toegekend gekregen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6. Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover aangevochten. De Raad zal de Staat alsnog veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden begroot op € 934,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor de zitting, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-). De kosten die de gemachtigde in beroep op het proceskostenformulier heeft vermeld, worden geacht in dit forfaitaire bedrag te zijn begrepen.
7. Appellant krijgt ook een vergoeding voor zijn proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 934,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het hoger beroep en 1 punt voor de zitting, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-). De kosten die de gemachtigde in hoger beroep op het proceskostenformulier heeft vermeld, worden geacht in dit forfaitaire bedrag te zijn begrepen. Verder dient de Staat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- aan appellant te vergoeden.
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.868,-;
bepaalt dat de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) A.T. Dannenberg
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1184.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1594.