De Raad wijst het verzoek om wraking af.
ECLI:NL:CRVB:2026:981
text/xml
public
2026-08-03T16:28:42
2026-07-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Centrale Raad van Beroep
2026-07-29
26/384 ONBEK-W
Uitspraak
Wraking
NL
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:981
text/html
public
2026-08-03T16:21:07
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:CRVB:2026:981 Centrale Raad van Beroep , 29-07-2026 / 26/384 ONBEK-W
De Raad wijst het verzoek om wraking af.
Datum beslissing: 29 juli 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak op verzet van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2026, 25/5276-V.
De Raad heeft zich in een uitspraak van 1 april 2026 onbevoegd verklaard van dat hoger beroep kennis te nemen. Verzoeker heeft tegen die uitspraak verzet gedaan.
Op 25 juni 2026 heeft de Raad het verzet ter zitting behandeld, met mr. H.G. Rottier als behandelend rechter.
Direct na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter.
Verzoeker heeft diverse nadere stukken aan de Raad gezonden.
1.1.
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
1.2.
Ingevolge artikel 8:18, derde lid, van de Awb kan de meervoudige kamer in een wrakingszaak, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zonder toepassing te geven aan het eerste en tweede lid van artikel 8:18 van de Awb beslissen het verzoek zonder behandeling ter zitting af te doen.
1.3.
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
2.1.
Verzoeker heeft, zoals uit het proces-verbaal van de zitting blijkt, met betrekking tot zijn verzoek om wraking het volgende aangevoerd:
“Ik vind dat u geen uitspraak mag doen in mijn zaak. Dat heeft te maken met de betreffende zaak van 9 juli 2026 van de Raad van State zelf. U kunt zich daar melden bij de heer. Mag ik een bevestiging van mijn wrakingsverzoek van de griffier? (…)
De zorgvuldigheid van uw griffier en de zorgvuldigheid van uitspraken van de CRvB zijn incompleet. Mijn dossiers worden versnipperd in verschillende tuchtbestuur- en civielrechtelijke trajecten. Je wordt overal naartoe verwezen van je kan hier naar toe, je kan daar naar toe. De CRvB kan niet vandaag fysiek aan mij vertellen bij wie ik moet zijn voor een dwangbevel en welke financiële feiten DUO heeft overgelegd met betrekking tot UTR 25/5276. Er loopt heel veel door de war. Ik wens dat u uw naam eer aan doet, de CRvB hoort centraal te zijn. Er wordt gezegd ik ben onbevoegd dus zoek het maar uit, maar dat vind ik niet eerlijk sorry.”
2.2.
In enkele van de nadere stukken, die de Raad na de zitting heeft ontvangen, heeft verzoeker verwezen naar het verzoek om wraking, maar de wrakingsgronden zijn daarbij niet toegelicht.
3. Wat verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht bevat geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de behandelend rechter. Hierdoor is op voorhand duidelijk dat het door verzoeker aangevoerde niet de conclusie kan dragen dat sprake is van een wettelijke grond voor wraking.
4. Gelet op het voorgaande is het verzoek kennelijk ongegrond. De Raad zal daarom het verzoek om wraking zonder behandeling ter zitting afwijzen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.A.H. van Dalenvan Bekkum en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
De griffier De voorzitter
(getekend) (getekend)
Zie ook de toelichting bij artikel 8:18, derde lid, Awb (Kamerstukken II 2023/24, 36463, nr. 3, p. 18).