Voeging van zaken. Bewenzeverklaring van anwezig hebben van lachgas, verlaten van een plaats na een verkeersongeval en rijden onder invloed van lachgas. Oplegging taakstraf voor de duur van 180 uren in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien maanden.
ECLI:NL:GHAMS:2026:2086
text/xml
public
2026-08-03T14:53:42
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-30
23-002798-24
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Amsterdam
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2086
text/html
public
2026-08-03T14:51:16
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHAMS:2026:2086 Gerechtshof Amsterdam , 30-04-2026 / 23-002798-24
Voeging van zaken. Bewenzeverklaring van anwezig hebben van lachgas, verlaten van een plaats na een verkeersongeval en rijden onder invloed van lachgas. Oplegging taakstraf voor de duur van 180 uren in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien maanden.
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002798-24
datum uitspraak: 30 april 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 96-272455-22 (hierna: zaak A) en tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 september 2025 onder parketnummer 13-107970-25 (gevoegd, hierna: zaak B) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2026 en (in zaak B) naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Het hof zal in het belang van het onderzoek en met het oog op de eventuele oplegging van straf of maatregel bevelen de zaken, die bij het hof bij afzonderlijke dagvaardingen onder de parketnummers 23-002798-24 (zaak A) en 23-002186-25 (zaak B) zijn aangebracht, gevoegd te behandelen.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak A:
hij op of omstreeks 19 oktober 2022 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
Zaak B (gevoegd):
1.hij op of omstreeks 6 januari 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2.954 gram distikstofmonoxide (lachgas)(6603518), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
2.hij, als degene die, al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig, betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam op/aan de Haarlemmermeerstraat en/of de Westlandgracht en/of de Bennebroekstraat, op of omstreeks 6 januari 2025 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten Axus Nederland Nv en/of de Gemeente Amsterdam) schade was toegebracht
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
De vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
1.hij op 19 oktober 2022 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
Zaak B:
1.hij op 6 januari 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2.954 gram lachgas, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij als bestuurder van een motorrijtuig, betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam op de Haarlemmermeerstraat en de Westlandgracht en de Bennebroekstraat, op 6 januari 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander te weten Axus Nederland Nv en de Gemeente Amsterdam schade was toegebracht.
Hetgeen in de zaak A en in zaak B onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 850,00 subsidiair 17 dagen hechtenis en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zeven maanden met aftrek. De politierechter heeft de verdachte voor het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, opgelegd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 850,00 en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal een taakstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden gevorderd.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht de zaken te voegen en anderszins om aan de verdachte ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde een geldboete en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, met daarbij een meldplicht bij de reclassering in verband met het lachgasgebruik van de verdachte. Ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht aan te sluiten bij de door de politierechter opgelegde taakstraf en daarbij een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft op 19 oktober 2022 onder invloed van lachgas, slingerend en met zeer trage snelheid over de weg gereden.
Op 6 januari 2025 negeerde de verdachte een stopteken van de politie, door hard weg te rijden. De verdachte reed hierbij ongeveer 140 km per uur terwijl de toegestane maximumsnelheid 80 km, respectievelijk 30 km per uur betrof. Tijdens de achtervolging door de politie is het voertuig van de verdachte tegen een verkeerslicht gebotst, dat daardoor beschadigd raakte. Vervolgens is de verdachte met zijn voertuig tegen een hekwerk met vier fietsen aangereden, waarbij deze fietsen en een ander voertuig (zwaar) beschadigd zijn geraakt. De verdachte heeft daarop de plaats van het verkeersongeval verlaten door weg te rennen. De verdachte bleek vervolgens in zijn voertuig vier flessen van bijna drie kilo aan lachgas aanwezig te hebben.
Lachgas is een verboden middel dat ernstige gezondheidsklachten tot gevolg kan hebben en welk gebruik vaak overlast en criminaliteit veroorzaakt. Daarnaast heeft de verdachte door zijn rijgedrag niet alleen zijn eigen veiligheid, maar ook die van anderen ernstig in gevaar gebracht. Tevens heeft de verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor de ravage die hij heeft achtergelaten door weg te rennen van de plaats van het ongeval.
De verdachte is zowel op de zitting in eerste aanleg als in hoger beroep niet is verschenen om uitleg te geven over deze feiten en zijn verantwoordelijkheid daarvoor te nemen; dit doet het hof twijfelen aan het besef bij de verdachte van hetgeen hij heeft aangericht. Het gaat om ernstige feiten en het hof rekent hem dit zwaar aan.
Blijkens het strafblad is hij eerder voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Bovendien liep de verdachte in een proeftijd, wat hem er kennelijk niet van heeft weerhouden om strafbare feiten te plegen. Het hof weegt dit mee in het nadeel van de verdachte.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straffen acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die zijn neergelegd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het aanwezig hebben van bijna drie kilo lachgas een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uren genoemd.
Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd is naar het oordeel van het hof een taakstraf voor de duur van 180 uren in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien maanden passend en geboden. Voor een straf in voorwaardelijke vorm, zoals door de raadsman is bepleit, ziet het hof – om de hierboven genoemde redenen – geen ruimte.
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Het hof:
Vernietigt de vonnissen en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A en in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in zaak A en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. P.J. van Eekeren en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 april 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.