Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHARL:2026:2965

Verrekening vermogen op grond van partnerschapsvoorwaarden. Uitleg partnerschapsbepaling van wat tot de finale verrekening behoort en wat daar niet toe behoort, aan de hand van bedoeling van partijen, hun gedragingen en wat zij van elkaar mochten verwachten. Waarde panden schattenderwijs vastgesteld, nu geen van partijen taxatierapporten in het geding heeft gebracht. Verrekenvordering vastgeste...

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:2965
text/xml
public
2026-08-04T14:51:10
2026-05-12
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-12
200.347.485
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Arnhem
Civiel recht; Personen- en familierecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2965
text/html
public
2026-08-04T14:50:30
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHARL:2026:2965 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.347.485

Verrekening vermogen op grond van partnerschapsvoorwaarden. Uitleg partnerschapsbepaling van wat tot de finale verrekening behoort en wat daar niet toe behoort, aan de hand van bedoeling van partijen, hun gedragingen en wat zij van elkaar mochten verwachten. Waarde panden schattenderwijs vastgesteld, nu geen van partijen taxatierapporten in het geding heeft gebracht. Verrekenvordering vastgesteld. Ook berekend wat een ieder verkrijgt uit de eenvoudige gemeenschappen.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.347.485/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 556989)

beschikking van 12 mei 2026

inzake

[verzoeker] (de man)

die woont in [woonplaats1]advocaat: mr. F. Ettaia

en

[verweerster] (de vrouw)

die woont in [gemeentenaam] , [woonplaats2] (Spanje)

advocaat: mr. T.J. Backx

<br /> 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.

Voor het verloop van het geding verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 27 mei 2025. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit het proces-verbaal van getuigenverhoor op 14 oktober 2025, de akte na enquête van de man met producties van 18 november 2025 en de akte na enquête met producties 20 tot en met 22 van de vrouw van diezelfde datum.

1.2.

Daarna heeft het hof partijen op 7 januari 2026 op de hoogte gesteld van een rechterswissel in verband met het vertrek van mr. [naam4] en partijen in de gelegenheid gesteld een nieuwe mondelinge behandeling van de zaak te vragen. Partijen hebben geen nieuwe mondelinge behandeling verzocht.

<br /> 2Het oordeel van het hof

tussenbeschikking

2.1.

Bij de tussenbeschikking van 27 mei 2025 heeft het hof beslist notaris mr. [naam1] als getuige te horen. Iedere verdere beslissing over het afwikkelen van de eenvoudige gemeenschappen, de vergoedingsrechten en het finaal verrekenen op grond van de partnerschapsvoorwaarden is aangehouden tot na het getuigenverhoor.

2.2.

Het hof memoreert dat als peildatum voor de waarde geldt het tijdstip van de (feitelijke) verdeling (de hoofdregel). Alleen als partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit, kan van deze hoofdregel worden afgeweken. Of en in hoeverre daarvan – al dan niet in geschil – moet worden afgeweken zal het hof nog beoordelen (3.3).

2.3.

Partijen verschillen van mening hoe de bepaling van de finale verrekening bij het einde van het geregistreerd partnerschap (anders dan door overlijden) onder 6. van de partnerschaps-voorwaarden moet worden uitgelegd (3.4). Volgens de man vallen al zijn ondernemingen geheel buiten de verrekening 3.5) en volgens de vrouw valt alleen de actieve tandartspraktijk buiten de verrekening (3.6).

enquête

2.4.

Op 14 oktober 2025 heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden ten overstaan van mrs. [naam2] , [naam3] en [naam4] . [naam1] is toen gehoord. Van het verhoor is proces-verbaal opgemaakt dat is toegevoegd aan het procesdossier (zie 1.1) en aan partijen toegezonden.

aktes na enquête

2.5.

Bij akte na enquête concludeert de man dat uit de verklaring van de notaris ondubbelzinnig volgt dat partijen in 2011 bewust en uitdrukkelijk hebben afgesproken dat

de gehele ondernemingsstructuur; de holding, de werk-BV, het bestaande vastgoed en alle huidige én toekomstige ondernemingsactiviteiten, volledig buiten de verrekening zouden

blijven. Deze bedoeling was rechtstreeks ingegeven door twee fundamentele uitgangspunten die partijen aan de notaris kenbaar maakten, waarbij hun focus lag op wat zij uitdrukkelijk niet wilden verrekenen. Namelijk 1. de onderneming van de man verkeerde in 2011 in een zwaar gefinancierde opbouwfase; en 2. de man wenste zijn ondernemingsvermogen strikt privé houden wegens een eerdere verbroken relatie.

2.6.

Bij akte na enquête concludeert de vrouw dat de notaris geen consistent en duidelijk antwoord heeft kunnen geven op de hiervoor gestelde vraag naar de bedoelingen van partijen ten tijde van het opstellen van de partnerschapsvoorwaarden. Als de reikwijdte die de man aan de partnerschapsvoorwaarden toekent de juiste zou zijn, dan heeft de notaris onvoldoende informatie aan partijen verstrekt en in ieder geval aan de vrouw. Met andere woorden: als de zienswijze van de man gevolgd wordt is de notaris tekortgeschoten in haar informatie/zorgplicht (HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:165), waarbij naast de notaris ook op de man de verantwoordelijkheid rust om zich ervan te vergewissen dat hij in dat geval van de vrouw mocht begrijpen dat zij wist waar zij mee instemde. De zienswijze van de vrouw is in dit verband veel aannemelijker en deze zienswijze komt bovendien overeen met de letterlijke tekst. De tandartspraktijk betreft de uitgeoefende onderneming en blijft buiten de verrekening. Al het overige vermogen wordt betrokken in de verrekening.

artikel 6 partnerschapsvoorwaarden, verklaring notaris en uitleg partijen (Haviltex) (grief 7 ♂ en grief 5 ♀)

2.7.

Het hof zal het geschil over de uitleg van de bepaling van de finale verrekening bij het einde van het geregistreerd partnerschap (zie hiervoor onder 2.3) beoordelen aan de hand van de maatstaf zoals geformuleerd in rechtsoverweging 3.7 van de tussenbeschikking van 27 mei 2025, kort gezegd de Haviltex-maatstaf. Daarbij gaat het om de vraag in hoeverre de aandelen in de holding meetellen bij de finale verrekening. Het hof memoreert voor het gemak van de lezer nog eens de bepaling in artikel 6 lid 6 derde opsommingsteken van de partnerschapsvoorwaarden:

6. In alle gevallen blijft buiten de verrekening:

– (…);

– (..);

– de aandelen en certificaten van aandelen die behoren tot een aanmerkelijk belang van een partner in een niet-beursgenoteerdevennootschap voor zover die waarde daarvan de door die rechtspersoon (middellijk of via meer deelnemingen of onmiddellijk) uitgeoefende onderneming(en) vertegenwoordigt, en wat voor één en ander in de plaats is gekomen;

Bij het aangaan van het geregistreerd partnerschap was in ieder geval duidelijk dat de (aandelen van de) tandartsonderneming buiten de finale verrekening moest(en) blijven. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Bij het aangaan van het partnerschap (zie aantekening van de notaris van 19 september 2011, productie HB10), dus op het moment dat partijen afspraken bij de notaris maakten, had de man alle aandelen in [naam5] BV (de holding), die op haar beurt alle aandelen hield in [naam6] BV (de werkmaatschappij). Tussen de werkmaatschappij en de vader van de man bestond een maatschap. Het bedrijfspand was eigendom van de holding. Andere ondernemingsactiviteiten werden door de man (nog) niet ontplooid. Niet is gebleken dat dergelijke andere activiteiten/plannen destijds aan de orde waren en tussen partijen met de notaris zijn besproken. Dat was de situatie die voor de vrouw (en de man) bij het maken van de partnerschapsvoorwaarden bij de notaris in beeld was. Op 17 september 2018 heeft de holding [naam9] B.V opgericht die als doelstelling niet het uitoefenen van een tandartspraktijk heeft, maar de belegging van vermogen als pensioenvoorziening voor partijen. Gelet op de bedoeling van partijen, hun gedragingen en wat zij van elkaar mochten verwachten valt [naam9] B.V. niet onder de bepaling van artikel 6 lid 6, derde opsommingsteken van de partnerschapsvoorwaarden. Anders gezegd: de aandelen in [naam9] B.V. – voor zover die de waarde van de aandelen in de holding representeren – vallen niet buiten de finale verrekening. Slechts van de tandartspraktijk en haar deelnemingen ( [naam6] B.V, [naam7] B.V, en [naam8] B.V.) kan de bedoeling van partijen tot uitzondering van verrekening worden afgeleid. De vrouw hoefde dan ook niet te begrijpen dat, buiten de toen aanwezige onderneming, een nieuw opgerichte onderneming die geen noodzakelijk verband heeft met de oorspronkelijke onderneming, buiten de verrekening zou blijven. Dat [naam9] B.V. van de finale verrekening uitgezonderd zou zijn is door de man niet aangetoond. Deze uitleg vindt ook steun in de tekst van de bepaling in artikel 6 lid 6 derde opsommingsteken. Daar staat immers dat buiten de finale verrekening blijft de waarde van aandelen voor zover die waarde de door de rechtspersoon middellijk of onmiddellijk uitgeoefende onderneming vertegenwoordigt. Daaruit volgt dat de waarde van de deelneming in [naam9] BV, die geen betrekking heeft op de oorspronkelijke onderneming, wel meedoet bij de finale verrekening. Ieders grief slaagt voor een deel en faalt voor een deel.

verrekening vermogen op grond van de partnerschapsvoorwaarden

pand [naam10] (grief 6 ♂ en grief 2 ♀)

2.8.

Partijen zijn inmiddels in onderling overleg een waardevermeerdering van de woning aan de [naam10] ten tijde van het huwelijk overeengekomen van € 117.250. Grief 6 van de man faalt en grief 2 van de vrouw hoeft niet meer inhoudelijk te worden besproken. Voormeld bedrag moet aan de zijde van de man in de verrekening worden betrokken en niet, zoals de vrouw verzoekt, betaling aan haar van de helft binnen twee weken na de beschikking van het hof. Dat deel van het verzoek zal het hof afwijzen.

parkeerplaats [naam11] (grief 3 ♀)

2.9.

Partijen zijn het erover eens dat de waarde van de parkeerplaats [naam11] wordt vastgesteld op € 24.000. Tegen het oordeel van de rechtbank (onder 3.25) dat de waarde van de parkeerplaats op de peildatum in de verrekening moet worden betrokken, is door geen van partijen een grief geformuleerd. Dit oordeel staat dus ook in hoger beroep in rechte vast. Inhoudelijke bespreking van de grief van de vrouw kan dan ook achterwege blijven.

(waarde) aandelen in de onderneming (grief 7 ♂ en grief 5 ♀)

2.10.

Het hof verwijst naar rechtsoverweging 2.7. waarin is geconcludeerd dat ieders grief voor een deel slaagt en voor een deel faalt.

lening [naam5] BV en schuld in rekening-courant (grief 5 ♂ en grief 4 ♀)

2.11.

Partijen zijn het erover eens dat zij bij de aankoop van hun woning in Spanje in 2021 een lening zijn aangegaan van € 300.000 bij de moeder van de man omdat, zo verklaart de man, het in Spanje enige tijd duurde om een lening bij de bank te krijgen. Deze lening van de moeder aan de man is (om voor het hof onbekende reden) via de boekhouding van de [naam5] BV (hierna: BV) gelopen. Op enig moment ontstaat er in de BV daarom een lening aan de man en de vrouw van € 300.000 (debet) en een schuld van de BV aan de moeder van de man van € 300.000 (credit). Vervolgens komt de financiering bij de Spaanse bank rond begin 2022. Partijen hebben allebei verklaard dat van dit geleende geld rechtstreeks de (restant)lening van partijen van € 270.000 aan de moeder van de man is afgelost. Vervolgens blijkt uit de jaarrekening 2022 van de BV dat de schuld van de BV aan moeder aan het einde van het boekjaar (boekhoudkundig) ook is afgelost. Het was wellicht logisch geweest wanneer op dat moment ook de daarmee corresponderende lening van partijen aan de BV (boekhoudkundig) zou zijn afgelost zoals de vrouw stelt. Vaststaat echter dat dit niet is gebeurd en dat deze lening in de boeken van de BV is blijven staan en daarmee naar het oordeel van het hof nog steeds bestaat. Wel zijn partijen het erover eens dat in 2022 een bedrag van € 270.000 in mindering is gebracht op de rekening-courant schuld. Waarom deze storting is geoormerkt als aflossing op de rekening-courant schuld en niet als aflossing op de lening komt niet vast te staan, maar kan naar het oordeel van het hof ook in het midden blijven nu zowel de lening (krachtens overeenkomst) als de rekening-courantschuld (krachtens verrekening) voor rekening van partijen komt, ieder voor de helft. Het hof zal bepalen dat de (restant)lening aan de BV uit de verkoopopbrengst van de woning in Spanje moet worden afgelost en dat het restant van de opbrengst aan partijen ten goede komt, ieder voor de helft. Grief 5 van de man slaagt, grief 4 van de vrouw faalt.

eenvoudige gemeenschappen

woning in [woonplaats1] (grieven 1, 2 en 3 ♂ en grief 1 en voorwaardelijke grief 6 ♀)

waarde woning

2.12.

Als peilmoment voor de waardering van de woning geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. De rechtbank heeft de wijze van verdeling van de woning gelast en beslist dat deze zal worden toegedeeld aan de man tegen een nog te taxeren actuele waarde vrij van verhuur. Partijen hebben in hoger beroep de toedeling van de woning aan de man niet aan de orde gesteld. De man heeft wel een grief geformuleerd tegen de waarde van de woning en de te hanteren peildatum. Hij stelt dat partijen hebben afgesproken de woning te laten taxeren en dat die taxatie bindend is. Deze afspraak heeft geleid tot de taxatie van 10 januari 2024 die uitkomt op € 1.700.000. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan wat de man stelt. De man heeft tegenover de betwisting van de vrouw niet aangetoond dat hij en de vrouw afspraken hebben gemaakt over een andere peildatum. Uit de stellingen van partijen blijkt dat zij geprobeerd hebben tot elkaar te komen ten aanzien van de waarde en de afwikkeling van de woning. Uit de door de man aangehaalde correspondentie (de e-mailberichtgeving van 14 en 29 maart 2023) blijkt echter in het bijzonder niet dat hij en de vrouw een concrete afspraak hebben gemaakt over de waarde van de woning op een overeengekomen peildatum (die van de taxatie van 10 januari 2024, met waarde € 1.700.000). Van een juridisch bindende afspraak is niet gebleken. Grief 1 van de man faalt. Het hof zal uitgaan van de waarde van de woning die blijkt uit de taxatie die naar aanleiding van de bestreden beschikking heeft plaatsgevonden, € 1.800.000 (rapport van 23 augustus 2024).

vergoedingsrechten in verband met vermogensverschuivingen

2.13.

Net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de man, ook in hoger beroep (grief 2), de vermogensverschuivingen waarop hij zijn vergoedingsvorderingen baseert niet inzichtelijk heeft gemaakt. Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank onder 3.44. Sluitend bewijs door middel van opvolgende bankafschriften ontbreekt. Uit het betoog van de man, de opsommingen van vermogensverschuivingen, is weliswaar duidelijk geworden dat er met geld is geschoven, maar inzicht over de herkomst van de gelden ontbreekt. Ook de opbrengst van de woning van de man aan de [adres] in [woonplaats1] en de kapitaalverzekering kunnen niet zonder meer volledig als privévermogen van de man worden aangemerkt. De waardestijging tijdens het geregistreerd partnerschap behoort daar in ieder geval niet toe. Niet uitgesloten kan worden dat betalingen uit andere inkomstenbronnen (salaris, dividend, rekening-courant opnames) zijn voldaan. Grief 2 van de man faalt.

De vrouw heeft tot het totaalbedrag van € 97.531,23 dat de rechtbank heeft vastgesteld haar vergoedingsrecht van vermogensverschuivingen aangetoond, en de door de man in hoger beroep aangevoerde argumenten ontkrachten dat niet. Zijn grief 3 faalt dan ook.

Het hof komt daarom niet toe aan beoordeling van de voorwaardelijke grief van de vrouw (grief 6).

2.14.

Gelet op het voorgaande slaagt grief 1 van de vrouw. De in depot bij de notaris aanwezige gelden moeten worden uitbetaald. De man (en ook de vrouw) moet daaraan zijn (respectievelijk haar) medewerking verlenen. Het verzoek van de vrouw om daaraan een dwangsom te verbinden zal het hof afwijzen. Met de hiervoor geoordeelde uitgangspunten gaat het hof ervan uit dat de man zijn medewerking aan uitbetaling van de gelden (nu nog in depot) zal verlenen.

woning in Spanje (grief 4 ♂ en grief 4 ♀)

2.15.

Niet langer is geschil is dat de rechtbank ten onrechte een privéinvestering van de man van € 100.000 in de vakantiewoning niet in de verdeling heeft betrokken. Grief 4 van de man behoeft dan ook geen inhoudelijke bespreking meer, nu de vrouw inmiddels erkent dat deze privéinvestering van de man verrekend had moeten worden met de gelden in het depot van de woning. In geschil is of de vergoeding van deze investering al dan niet moet worden berekend aan de hand van een variabele vergoeding (de zogenoemde beleggingsleer of evenredigheidsleer). De man meent variabel en de vrouw stelt ‘nominaal’ (teruggave van het bestede bedrag).

2.16.

Het hof overweegt daartoe als volgt. Artikel 10 van de partnerschapsvoorwaarden formuleert een afspraak voor alle vergoedingen vanwege vermogensverschuivingen anders dan bedoeld voor een gezamenlijk bewoonde woning. Voor deze vergoedingen geldt: ‘Waardeveranderingen ontstaan door belegging van het onttrokken vermogen blijven buiten beschouwing, zodat de vergoeding uitsluitend ziet op het oorspronkelijke bedrag van de onttrekking.’ Artikel 11 vormt daarop de uitzondering. In afwijking van artikel 10 geldt voor ‘een gezamenlijk bewoonde woning ‘ een variabele vergoeding. Dat de regel voor de voormalig echtelijke woning in [woonplaats1] geldt, is tussen partijen niet in geschil. Betalingen die gedaan zijn voor de woning in Spanje vallen volgens de vrouw niet onder de reikwijdte van artikel 11. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, niet aannemelijk gemaakt dat voor de woning in Spanje artikel 10 van de partnerschapsvoorwaarden geldt. Onweersproken is door de man gesteld dat partijen hadden afgesproken om een jaar in Spanje te gaan wonen. Dit maakt duidelijk dat het de bedoeling van partijen was om zich (in ieder geval voor een jaar) in Spanje te gaan vestigen. Dat de vrouw met de kinderen eerder dan de man naar Spanje is vertrokken, de man op een later moment (in juli 2022) zich bij hen heeft gevoegd en tegelijk of zeer kort daarna de scheidingsmelding aan de vrouw deed en partijen dus feitelijk niet meer in de woning in Spanje als gezin hebben samengewoond en de scheiding gelijk in gang is gezet, maakt de bedoeling van partijen niet anders. Anders gezegd: de bedoeling was om voor de duur van een jaar als gezin het hoofdverblijf in Spanje te hebben en gezamenlijk de woning in Spanje te bewonen. Daarmee valt naar het oordeel van het hof de vergoeding van de vermogensverschuiving van € 100.000 onder artikel 11 van de partnerschapsvoorwaarden en komt aan de man een variabele vergoeding toe. Het hof zal partijen verzoeken om de vergoeding van de man te berekenen aan de hand van de afspraak in artikel 11: ‘In het geval van een voldoening of aflossing meer dan naar evenredigheid van het aandeel uit het vermogen van een partner komt dit gedeelte overeen met de verhouding tussen het uit het vermogen deze partner voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van de gemeenschappelijke woning op het tijdstip van die voldoening of aflossing.’ en het hof te informeren over de uitkomst van die berekening (het uit het vermogen van de man voldane bedrag van € 100.000, de waarde van de woning op het tijdstip van voldoening en de verkoopsom). Grief 4 van de vrouw faalt.

conclusie

2.17.

Grief 7 in incidenteel hoger beroep heeft geen zelfstandige betekenis. Bespreking van de grief kan achterwege blijven.

2.18.

Het hof zal ieder van partijen opdragen aan de hand van de voorgaande overwegingen een verrekenstaat in het geding te brengen met daarin ieders te verrekenen vermogen en het hof te informeren over de uitkomst van de hiervoor in 2.16 bedoelde berekening. Partijen krijgen daarna de gelegenheid over en weer op elkaars uitlatingen te reageren. Het hof zal partijen die gelegenheid als volgt bieden.

<br /> 3De beslissing

Het hof:

3.1.

stelt partijen in de gelegenheid uiterlijk op 16 juni 2026 het hof te berichten als bedoeld in rechtsoverweging 2.18, en

3.2.

stelt partijen in de gelegenheid uiterlijk op 30 juni 2026 hun standpunt ten aanzien van de verrekenstaat van de ander en de berekening van de variabele vergoeding aan het hof kenbaar te maken;

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. [naam2] , J.H. Lieber en L. [naam3] , bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 12 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Artikel delen