Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHARL:2026:2966

Op grond van artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen beschikkingen ingevolge artikel 1:262b BW (geschillen over de uitvoering van een ondertoezichtstelling) geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet (rechtsmiddelenverbod). Volgens de moeder is sprake van een doorbrekingsgrond, maar daarin volgt het hof de moeder niet.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:2966
text/xml
public
2026-07-29T08:00:20
2026-05-12
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-12
200.365.479
Uitspraak
Cassatie in het belang der wet
Beschikking
NL
Arnhem
Civiel recht; Personen- en familierecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2966
text/html
public
2026-07-22T12:56:50
2026-07-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHARL:2026:2966 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-05-2026 / 200.365.479

Op grond van artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen beschikkingen ingevolge artikel 1:262b BW (geschillen over de uitvoering van een ondertoezichtstelling) geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet (rechtsmiddelenverbod). Volgens de moeder is sprake van een doorbrekingsgrond, maar daarin volgt het hof de moeder niet.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.365.479

zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 601992 en 602985

beschikking van 12 mei 2026

in de zaak van

[verzoekster]
,

die woont in [woonplaats1] ,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. S.L. Prass,

tegen

de gecertificeerde instelling

[de GI]
,

gevestigd in [vestigingsplaats1] ,

hierna: de GI,

belanghebbenden zijn:

[belanghebbende1] en [belanghebbende2],

die wonen in [woonplaats2] ,

hierna respectievelijk: de pleegmoeder en de pleegvader,

advocaat: mr. M. Kramer.

<br /> 1De feiten

1.1.

De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] , die is geboren [in] 2013.

1.2.

[de minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI en met een machtiging uit huis geplaatst. Zij woont nu bij haar pleegmoeder (oma moederszijde).

<br /> 2De procedure bij de rechtbank

2.1.

De kinderrechter heeft in de beschikking van 16 december 2025 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking) de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 17 december 2026.

2.2.

Ook heeft de kinderrechter in die beslissing, op verzoek van de GI, bepaald dat de GI geen perspectiefonderzoek hoeft te laten uitvoeren naar de vraag bij wie [de minderjarige] het beste kan opgroeien.

<br /> 3De procedure bij het hof

3.1.

De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over het perspectiefonderzoek. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beschikking van de kinderrechter van 16 december 2025 gedeeltelijk vernietigt en dat het hof bepaalt dat er alsnog een perspectiefonderzoek uitgevoerd moet worden alvorens het perspectief vastgesteld wordt.

3.2.

De GI en de pleegmoeder zijn van mening dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep.

3.3.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

het beroepschrift van de moeder, ontvangen op 27 februari 2026 met producties 1 tot en met 8

het verweerschrift van de GI

het verweerschrift van de pleegmoeder met producties 1 en 2

de brief van de raad voor de kinderbescherming van 17 maart 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting

een pleitnota van mr. Prass

een pleitnotitie van mr. Kramer

3.4.

Op 8 april 2026 heeft de zitting bij het hof plaatsgevonden. Zoals in de oproepingsbrief aan betrokkenen is medegedeeld, is op die zitting uitsluitend behandeld de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep. Aanwezig waren:

mr. Prass

twee vertegenwoordigers van de GI

de pleegmoeder met haar advocaat

<br /> 4Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?

4.1.

Op grond van artikel 1:262b Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

4.2

Op grond van artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen beschikkingen ingevolge artikel 1:262b BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet (rechtsmiddelenverbod).

4.3

Volgens vaste jurisprudentie kan, indien een algeheel rechtsmiddelenverbod geldt, in sommige gevallen toch hoger beroep worden toegelaten en wel voor zover erover wordt geklaagd dat de rechter i) de desbetreffende regel ten onrechte niet heeft toegepast, ii) buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regel is getreden of iii) bij het nemen van zijn beslissing zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.

Hoe oordeelt het hof?

4.4.

Het hof is van oordeel dat de bestreden beschikking een beslissing bevat in een geschil die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft en dus valt onder 1:262b BW, waartegen geen hoger beroep mogelijk is.

4.5.

Namens de moeder is op de mondelinge behandeling gesteld dat sprake is van een doorbrekingsgrond. De kinderrechter heeft volgens de moeder ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 1:262b BW, terwijl in de bestreden beschikking artikel 1:262 BW is vermeld. De kinderrechter is volgens de moeder buiten het toepassingsgebied van de betreffende regeling getreden.

4.6.

Het hof volgt de moeder daarin niet. Dat in de bestreden beschikking artikel 1:262 BW is vermeld en niet 1:262b BW berust op een kennelijke verschrijving. Overduidelijk is dat de kinderrechter het verzoek van de GI heeft beoordeeld op grond van artikel 1:262b BW. Niet alleen heeft de kinderechter in de beschikking in bewoordingen vermeld dat het verzoek van de GI een geschil betreft over de wijze waarop de GI de ondertoezichtstelling uitvoert, ook het verzoek van GI was daar expliciet op gericht met verwijzing naar artikel 1:262b BW en zelfs het beroepschrift van de moeder heeft als titel ‘BEROEPSCHRIFT ex art. 1:262b BW gericht tegen de beslissing perspectiefonderzoek uit te voeren’.

4.7.

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking dus artikel 1:262b BW toegepast in een geschil tussen de moeder en de GI over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Op de mondelinge behandeling is namens de moeder gewezen op rechterlijke uitspraken over het perspectiefbesluit en dat dit noopt tot een ruimere rechtsbescherming dan artikel 807 Rv in beginsel biedt. Daar gaat het hof aan voorbij, omdat in deze zaak (nog) geen sprake is van een perspectiefbesluit. Het geschil tussen de moeder en de GI ging enkel over de wijze waarop tot een perspectiefbesluit zal worden gekomen en of in dat kader een specifiek onderzoek zou moeten worden uitgevoerd. De kinderrechter is dus niet buiten het toepassingsgebied van de betreffende regeling getreden.

4.8.

Het beroep op een doorbrekingsgrond slaagt niet en daarom zal het hof het verzoek van de moeder afwijzen.

<br /> 5De beslissing

Het hof:

5.1.

wijst het verzoek af;

5.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, J.H. Lieber en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Artikel delen