Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHARL:2026:3186

Hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie. Aan de moeder wordt extra verdiencapaciteit toegekend, waarbij rekening gehouden wordt met haar hulpverlening. Gezien de dynamiek tussen de ouders is een PSO traject bij een specialistische aanbieder noodzakelijk.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:3186
text/xml
public
2026-05-29T12:00:09
2026-05-21
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-21
200.356.186/01
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Leeuwarden
Civiel recht; Personen- en familierecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3186
text/html
public
2026-05-27T12:38:05
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHARL:2026:3186 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-05-2026 / 200.356.186/01

Hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie. Aan de moeder wordt extra verdiencapaciteit toegekend, waarbij rekening gehouden wordt met haar hulpverlening. Gezien de dynamiek tussen de ouders is een PSO traject bij een specialistische aanbieder noodzakelijk.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.356.186/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 237902)

beschikking van 21 mei 2026

in de zaak van

[verzoekster]
(de moeder),

die woont in [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E. Henkelman-de Mooy te Groningen,

en

[verweerder]
(de vader),

die woont in [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.H. Heeg te Groningen.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad)

regio Noord Nederland, locatie Groningen.

<br /> 1De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 20 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

<br /> 2De procedure in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 19 juni 2025;

– een brief namens de moeder van 7 juli 2025 met bijlage(n);

– een journaalbericht namens de moeder van 31 juli 2025 met bijlage(n);

– het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n) van 20 augustus 2025;

– het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

– een journaalbericht namens de vader van 23 februari 2026 met bijlage(n);

– een brief namens de moeder van 5 maart 2026 met bijlage(n).

2.2.

[de minderjarige1] heeft het hof een brief geschreven over wat hij vindt van de hoogte van de bijdrage in de kosten van zijn verzorging en opvoeding. Op 16 maart 2026 heeft [de minderjarige2] gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van haar hoofdverblijfplaats en de zorgregeling.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk in de Engelse taal, de vader met zijn advocaat en verder een vertegenwoordiger namens de raad. Ter zitting heeft de advocaat van de vader mede het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota, die zij heeft overgelegd.

<br /> 3De feiten

3.1.

De vader en de moeder zijn getrouwd geweest. De echtscheidingsbeschikking van 13 december 2022 is op 13 januari 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

De vader en de moeder zijn de ouders van: [de minderjarige1] , geboren [in] 2008, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2011.

3.3.

Met het oog op de echtscheiding hebben de ouders afspraken over (de zorg voor) de kinderen gemaakt. Die afspraken zijn opgenomen in een ouderschapsplan. Een van die afspraken is dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. Verder staat in het ouderschapsplan dat, wanneer de vader in Nederland is, in onderling overleg zal worden afgesproken wanneer de kinderen bij de vader zullen verblijven. Met betrekking tot de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is afgesproken dat de vader een bijdrage van € 463,- per kind per maand zal betalen.

<br /> 4Het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking van 20 maart 2025 is, voor zover hier van belang, met wijziging van de beschikking van 13 december 2022 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader is, de zorgregeling voor [de minderjarige2] gewijzigd naar een co-ouderschapsregeling en de bijdrage van de vader in kosten van verzorging en opvoeding van beide kinderen gewijzigd naar in totaal € 280,- per maand.

4.2.

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste twee grieven zien op het vaststellen van de co-ouderschapsregeling ten aanzien van [de minderjarige2] , en het vaststellen van de hoofverblijfplaats van [de minderjarige2] bij de vader. De derde grief ziet op een aanpassing van de door de vader te betalen kinderalimentatie voor het geval de eerste twee grieven slagen. De moeder vraagt het hof de bestreden beschikking voor het bestreden deel te vernietigen, de beschikking van 13 december 2022 voor het bestreden deel te wijzigen en opnieuw rechtdoende de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij haar te bepalen en te bepalen dat [de minderjarige2] zelf mag beslissen hoeveel contact ze met haar vader onderhoudt. Zij verzoekt het hof verder te bepalen dat de vader aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van beide kinderen betaalt van in totaal € 374,-, dan wel een bijdrage en ingangsdatum die het hof juist acht.

4.3.

De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep, na wijziging van zijn verzoek, om voor de situatie waarin hij geen kindgebonden budget ontvangt te bepalen dat hij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] aan de moeder moet betalen van € 158,- per maand en dat de moeder dan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] aan de vader moet betalen van € 38,- per maand. Voor de situatie waarin de vader nog wel kindgebonden budget ontvangt verzoekt de vader het hof te bepalen dat hij aan de moeder een bijdrage ten behoeve van [de minderjarige2] moet betalen van € 164,- per maand en dat de moeder ten behoeve van [de minderjarige1] € 32,- per maand aan hem moet betalen.

4.4.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het incidenteel hoger beroep van de vader en verzoekt hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

<br /> 5De overwegingen voor de beslissing

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling [de minderjarige2]

5.1.

Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

5.2.

Op de zitting is gebleken dat er geen uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling die de rechtbank in de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Feitelijk verblijft [de minderjarige2] nu op de doordeweekse dagen bij de moeder en in de weekenden en de vakanties bij de vader. Om te bewerkstelligen dat [de minderjarige2] toch gemiddeld de helft van de tijd bij de moeder en de helft van de tijd bij de vader verblijft, wordt deze regeling strikt uitgevoerd. [de minderjarige2] heeft laten weten dat deze verdeling niet aansluit bij haar wensen. Zij zou graag willen dat ze vrijgelaten wordt in de keuze wanneer ze bij wie van de ouders is. De moeder is het daarmee eens, maar de vader vindt dat [de minderjarige2] nog te jong is om volledig vrij gelaten te worden in het contact met haar ouders. Hij vindt het belangrijk dat de zorgregeling, zoals de rechtbank die heeft bepaald, in stand blijft, ook al wordt in onderling overleg een andere verdeling uitgevoerd. Daarbij benoemt de vader dat hij zich zorgen maakt om de ontwikkeling van [de minderjarige2] .

5.3.

Het hof overweegt als volgt. [de minderjarige2] heeft bij de rechtbank verteld dat ze graag een co-ouderschapsregeling wilde, waarbij ze een halve week bij haar moeder, een halve week bij haar vader en het weekend de ene week bij haar vader en de andere week bij haar moeder zou zijn. Tijdens het gesprek bij het hof heeft [de minderjarige2] verteld dat ze die verdeling helemaal niet prettig vindt, maar dat ze haar ouders niet wilde teleurstellen en niet ‘voor’ de ene ouder en ‘tegen’ de andere ouder wilde kiezen. Dat wil ze nog steeds niet, maar ze vindt het nu ook belangrijk te vertellen wat haar gelukkig zou maken. Hoewel het hof de wens van [de minderjarige2] begrijpt en die wens zwaar weegt, is ook duidelijk gebleken dat de ouders niet met elkaar communiceren, wat onder meer tot gevolg heeft dat [de minderjarige2] haar ouders verschillende dingen kan vertellen, omdat de vader en de moeder dit niet bij elkaar controleren, waardoor er onvoldoende zicht op [de minderjarige2] kan zijn. Op die wijze heeft ze voor elkaar gekregen dat zij met haar vriend kan slapen, iets waarvan ter zitting is gebleken dat geen van de ouders daar voorstander van is gezien de leeftijd van [de minderjarige2] Dit maakt dat het niet in het belang van [de minderjarige2] is om haar geheel zelf te laten bepalen wanneer ze bij welke ouder is, zoals ze zelf graag wil. [de minderjarige2] is in een levensfase aangekomen waar ze steeds meer zelfstandigheid wil en moet hebben, maar het is juist aan haar ouders om hierin nog kaders en begrenzingen aan te geven.

5.4.

Het hof is van oordeel dat het vaststellen van een ‘minimum’ zorgregeling in het belang van [de minderjarige2] is. [de minderjarige2] heeft duidelijk heeft aangegeven dat ze liever meer tijd bij haar moeder doorbrengt. Het hof zal die wens volgen en bepalen dat zij in ieder geval één weekend per veertien dagen bij haar vader is en daar elke week op woensdagavond eet. Als de woensdag niet uitkomt, kan er ingeval van overeenstemming tussen de ouders daarover een andere (vaste) dag worden gekozen. Het staat [de minderjarige2] vrij om naast deze vaste momenten – in overleg – ook op andere momenten bij haar vader te zijn. Zo heeft zij meer ruimte om keuzes te maken waar ze zich goed bij voelt. Bij deze zorgregeling is het passend dat het hoofdverblijf bij de moeder wordt bepaald. [de minderjarige2] zal daar immers de meeste tijd doorbrengen. Bovendien sluit dit aan bij wat [de minderjarige2] graag wil.

5.5.

De wijziging van het hoofdverblijf en de zorgregeling heeft financiële en administratieve consequenties voor de ouders. De moeder zal nu weer de toeslagen kunnen aanvragen, maar ook de administratie voor [de minderjarige2] moeten regelen. Dit brengt verder mee dat de vader alleen de kosten voor het verblijf van [de minderjarige2] bij hem draagt en daarnaast de hierna herberekende alimentatie betaalt aan de moeder. De moeder is vanaf dat moment verantwoordelijk voor alle verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige2] , tenzij de ouders in onderling overleg daarover (incidenteel) andere afspraken maken. Het hof constateert dat de vader zorgen heeft over de vraag of de moeder voldoende in staat is die administratieve taak op zich te nemen en ervoor te zorgen dat alle noodzakelijke betalingen ten behoeve van [de minderjarige2] (tijdig) worden gedaan. De rechtbank deelde die zorgen en had met name om die reden het hoofdverblijf van [de minderjarige2] bij de vader bepaald. De moeder is er echter van overtuigd dat zij de administratie naar behoren kan uitvoeren en is zich ervan bewust dat alle kosten van [de minderjarige2] , behalve de verblijfskosten bij de vader, voor haar rekening komen.

Communicatie

5.6.

Het hof acht het in het belang van [de minderjarige2] dat de vader en de moeder geholpen worden hun communicatie te verbeteren, in de vorm van een Parallel Solo Ouderschap (PSO). Gezien de onderliggende complexe problematiek is het noodzakelijk dat deze hulp komt van een gespecialiseerde aanbieder, die expertise en ervaring heeft op het gebied van het begeleiden van ouders met aanvullende (trauma)behandeling. Het hof volgt hierin het advies van de raad, die voor deze ouders een PSO-traject bij Stichting [naam] nodig acht. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat dit traject te combineren moet zijn met de hulpverlening die is ingeschakeld voor de moeder. Daarom gaat het hof ervan uit dat de ouders zich zullen inspannen om ervoor te zorgen dat zij met behulp van [naam] dit traject op korte termijn kunnen starten.

Kinderalimentatie

Aanhechten berekeningen

5.7.

Het hof neemt de systematiek van berekening van de kinderalimentatie op basis van de aanbevelingen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie tot uitgangspunt. Het hof zal de berekeningen aan het einde van deze beschikking opnemen.

5.8.

Er is geen grief opgeworpen tegen het oordeel van de rechtbank dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

Ingangsdatum

5.9.

De rechtbank heeft de datum van haar beschikking laten gelden als de ingangsdatum van de door haar gewijzigde kinderalimentatie, omdat per die datum de hoofdverblijfplaats van de kinderen wijzigde. Omdat het hof komt tot een andere vaststelling van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van [de minderjarige2] en die wijziging ingaat met ingang van deze beschikking, zal het hof de datum van deze beschikking als ingangsdatum hanteren. Partijen hebben hun (gewijzigde) verzoeken in hoger beroep ook verbonden aan een eventuele wijziging van het hoofdverblijf, dan wel het wegvallen van het kindgebonden budget voor [de minderjarige1] en zien daarmee op de vaststelling van de bijdrage vanaf de datum van de beschikking van het hof. Dit maakt dat het hof de beschikking van de rechtbank tot deze datum zal bekrachtigen en vanaf die datum zal vernietigen.

Hoogte behoefte kinderen

5.10.

De rechtbank heeft op basis van de inkomens van de ouders in 2021 de behoefte voor de kinderen in 2022 bepaald op € 1.070,- per maand voor beide kinderen samen. Tussen partijen is dit niet in geschil. Het hof zal daarom uitgaan van dit bedrag. Door de jaarlijkse indexering bedraagt de behoefte van de kinderen in 2026 in totaal € 1.309,- per maand, ofwel € 654,50 per kind per maand.

Draagkracht van de vader

5.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat het hof voor de berekening van de draagkracht van de vader kan uitgaan van de door hem opgegeven gegevens uit 2025, met een verhoging van 4% vanaf 1 januari 2026, te weten de loonsverhoging conform de CAO. Met verwijzing naar de als bijlage 1 ingevoegde berekening levert dit in 2026 voor de vader een netto besteedbaar inkomen (NBI) op van € 4.949,- per maand en een draagkracht van € 1.469,- per maand.

Draagkracht van de moeder

5.12.

Op de zitting bij het hof heeft de moeder een nieuwe grief ingediend, die erop neerkomt dat zij, anders dan zij eerder heeft aangegeven, zich niet meer kan vinden in het door de rechtbank berekende fictieve inkomen. Zij stelt nu dat zij vanwege haar medische toestand niet méér kan werken dan ze doet. De vader voert aan dat deze grief door de moeder zodanig laat is ingediend dat dit strijdig is met de goede procesorde. Hij vraagt bij de berekening rekening te houden met een 36-urige werkweek voor de moeder tegen haar huidige uurloon.

5.13.

Het hof constateert dat de moeder haar stelling met betrekking tot haar medische toestand en de onmogelijkheid om meer te werken dan zij nu doet niet heeft onderbouwd met verifieerbare stukken, zodat het hof aan die stelling voorbij zal gaan. Op beide ouders rust een inspanningsverplichting om ervoor te zorgen dat zij een zodanig inkomen verdienen dat zij daardoor in staat zijn om aan hun onderhoudsverplichting jegens hun kinderen te voldoen. Daarbij geldt dat het bij de bepaling van hun draagkracht niet alleen aankomt op het inkomen dat zij daadwerkelijk verwerven, maar dat ook rekening dient te worden gehouden met het inkomen dat zij geacht kunnen worden zich redelijkerwijs in de nabije toekomst te kunnen verwerven, ofwel de verdiencapaciteit. Het hof schat de verdiencapaciteit van de moeder op € 31.719,- bruto per jaar. Dit bedrag is gebaseerd op een 32-urige werkweek tegen haar huidige bruto uurloon van € 17,65 op jaarbasis en 8% vakantiegeld. Het hof gaat ervan uit dat de moeder in staat is een dergelijk aantal uren te werken. Daarbij houdt het hof rekening met het feit dat de moeder gemiddeld vier uur per week niet beschikbaar is om te werken, vanwege de tijd die ze kwijt is aan hulpverlening. Met verwijzing naar de als bijlage 2 ingevoegde berekening levert dit in 2026 voor de moeder een NBI op van € 2.847,- per maand en een draagkracht van € 440,- per maand.

Verdeling van de kosten

5.14.

De totale draagkracht van de ouders is € 1.469,- + € 440,- = € 1.909,-. Dit is genoeg om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, want die behoefte bedraagt in 2026 € 1.309,- voor beide kinderen.

Met verwijzing naar de als bijlage 3 ingevoegde berekening is het aandeel van de vader in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen € 1.008,- per maand. Het aandeel van de moeder is € 302,- per maand.

Zorgkorting

5.15.

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.

[de minderjarige1] verblijft elke dag bij de vader en heeft één vaste dag per week dat hij bij de moeder eet. Tussentijds komt hij op bezoek. Het hof acht een zorgkorting van 5% voor de moeder ten aanzien van [de minderjarige1] passend om de kosten te compenseren die zij zelf draagt voor de verzorging van [de minderjarige1] . Dat is een bedrag van € 33,- per maand.

[de minderjarige2] verblijft met ingang van deze beschikking grotendeels bij moeder en brengt ten minste één weekend per veertien dagen bij haar vader door en elke week een vaste dag waarop zij bij haar vader eet. Een zorgkorting van 25% voor de vader ten aanzien van [de minderjarige2] is passend bij deze zorgverdeling. Dat is een bedrag van € 164,- per maand.

Met verwijzing naar de als bijlage 3 ingevoegde berekening betekent dit het volgende:

[de minderjarige1]

Gelet op de hiervoor weergegeven verdeling van de kosten van de kinderen komt van de kosten van [de minderjarige1] een deel van € 504,- per maand ten laste van de vader. Een bedrag van € 151,- per maand komt ten laste van de moeder. Door het verblijf van [de minderjarige1] bij haar, voldoet zij al € 33,- per maand voor hem in de vorm van verblijfskosten. Dit brengt mee dat de moeder een bedrag van € 151,- minus € 33,- = € 118,- per maand aan de vader zou dienen te voldoen. Nu de vader zijn verzoek bij bericht van 23 februari 2026 heeft gewijzigd en verzocht heeft te bepalen dat de moeder € 32- per maand aan hem dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , zal het hof de vast te stellen bijdrage beperken tot dat bedrag.

[de minderjarige2]

Van de kosten van [de minderjarige2] komt een deel van € 151,- per maand ten laste van de moeder. Een bedrag van € 504,- per maand komt ten laste van de vader. Door het verblijf van [de minderjarige2] bij hem, voldoet hij al € 164,- per maand voor haar in de vorm van verblijfskosten. Dit brengt mee dat de vader een bedrag van € 504,- minus € 164,- = € 340,- per maand aan de moeder moet voldoen

Meerderjarigheid [de minderjarige1]

5.16.

Vanaf het moment dat [de minderjarige1] 18 jaar wordt, te weten [in] 2026, veranderen de financiële omstandigheden van de ouders. De ouders blijven op grond van artikel 1:395a BW verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van [de minderjarige1] , maar zij ontvangen dan geen kinderbijslag of kindgebonden budget meer voor hem. Omdat de kinderbijslag en het kindgebonden budget komen te vervallen, zal hierdoor ook het NBI en de draagkracht van de vader veranderen, wat invloed heeft op de onderlinge verhouding van de draagkracht van de ouders, ook voor wat betreft het voorzien in de kosten van [de minderjarige2] . Ook is het mogelijk dat de behoefte van [de minderjarige1] dan verandert, bijvoorbeeld door het starten van een studie of het zelfstandig gaan wonen. Omdat niet bekend is in hoeverre de behoefte van [de minderjarige1] wijzigt en wat de overige wijzigingen in de financiële situaties van partijen zullen zijn, acht het hof zich niet in staat een berekening te maken voor de periode na de achttiende verjaardag van [de minderjarige1] .

<br /> 6De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

6.1.

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 20 maart 2025, met ingang van de datum van deze beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

6.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] bij de moeder is;

6.3.

wijzigt de zorgregeling voor [de minderjarige2] en stelt een zorgregeling vast waarbij [de minderjarige2] ten minste een weekend per veertien dagen van vrijdag tot maandag bij de vader verblijft en iedere week een vaste avond (woensdag) bij de vader eet;

6.4.

wijzigt de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding en stelt vast dat:

de moeder met ingang van de datum van deze beschikking aan de vader dient te betalen een bedrag van € 32,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in] 2008;

de vader met ingang van de datum van deze beschikking aan de moeder dient te betalen een bedrag van € 340,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] , geboren [in] 2011;

de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

6.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

bekrachtigt de beschikking van rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 20 maart 2025 voor het overige voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

6.7.

compenseert de kosten van het geding in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

6.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. L. van Dijk en mr. F. Menso, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 21 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Zaak

200.356.186 – bijlage 1

Berekening

Draagkracht vader

Tarieven

2026-1

Datum uitdraai

12-05-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

41

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

78.961

49c

Individueel keuze budget (IKB/PKB)

14.764

Bruto inkomsten

93.725

Specificaties voor post: 41

75.924 + 4%

78.961

jaar

Specificaties voor post: 49c

14.196 + 4%

14.764

jaar

Premies (51-59)

Pensioenpremie

51

Ingehouden pensioenpremie

7.152

53

Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat

149

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

86.424

Specificaties voor post: 51

6.877 + 4%

7.152

jaar

Specificaties voor post: 53

143 + 4%

149

jaar

59

Inkomsten

86.424

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

86.424

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

86.424

– Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

13.900

– Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426

14.852

– Schijf 3, 49,5% over € 78.427 of meer

3.959

95

Inkomensheffing box 1

32.711

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

86.424

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

32.711

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

3.027

117

Verschuldigde inkomensheffing

29.684

Inkomen na aftrek inkomensheffing

56.740

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

0

jaar

Arbeidskorting

3.027

jaar

Bij: Kindgebonden budget

2.651

120

Besteedbaar inkomen

59.391

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

59.391

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

4.949

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

4.949

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

1.485

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.850

136a

Draagkrachtruimte

2.099

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

1.469

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

1.469

Zaak

200.356.186 – bijlage 2

Berekening

Draagkracht moeder

Tarieven

2026-1

Datum uitdraai

12-05-2026

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

41

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

29.369

44

Vakantietoeslag

2.350

Bruto inkomsten

31.719

Specificaties voor post: 41

17,65 x 32 x 52

29.369

jaar

Premies (51-59)

Pensioenpremie

51

Ingehouden pensioenpremie

1.997

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

29.722

Specificaties voor post: 51 (Optellen)

ouderdom (1,1439 p/u) x 32 x 52

1.903

jaar

nabestaanden (0,0357 p/u) x 32 x 52

59

jaar

premie HOP (0,0211 p/u) x 32 x 52

35

jaar

59

Inkomsten

29.722

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

29.722

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

29.722

– Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)

10.625

95

Inkomensheffing box 1

10.625

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

29.722

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

10.625

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

8.491

117

Verschuldigde inkomensheffing

2.134

Inkomen na aftrek inkomensheffing

27.588

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

3.115

jaar

Arbeidskorting

5.376

jaar

Bij: Kindgebonden budget

6.720

Af: Netto premie (WGA/WHK)

144

120

Besteedbaar inkomen

34.164

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

34.164

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.847

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

2.847

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.365

123a

Woonbudget

854

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.219

136a

Draagkrachtruimte

628

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

440

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

440

Zaak

200.356.186 – bijlage 3

Berekening

Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen

Tarieven

2026-1

Datum uitdraai

12-05-2026

Alimentatieplichtige

Alimentatiegerechtigde

Kindgebonden budget na scheiding

112

275

Alleenstaande ouderkop

108

285

Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)

4.949

2.847

Aantal kinderen

2

Kind 1

Kind 2

Leeftijd

17

14

Woont bij

AP

1

0

AG

0

1

Ex-partner

0

0

Zorgkorting Alimentatiegerechtigde

%

5

0

Zorgkorting Alimentatieplichtige

%

0

25

Zorgkorting tbv.

AG

AP

Kind 1

Kind 2

Totaal

Bijdrage ouders in kosten kinderen

€ p/m

655

655

1.310

Netto kinderopvangkosten na scheiding

€ p/m

0

0

0

Overige kosten kinderen na scheiding

€ p/m

0

0

0

Totale kosten kinderen na scheiding

€ p/m

655

655

1.310

Zorgkorting

€ p/m

33

164

197

Draagkracht

Alimentatieplichtige

Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte

€ p/m

735

735

1.469

Draagkracht Alimentatieplichtige per kind

€ p/m

735

735

1.469

Draagkracht Alimentatieplichtige

€ p/m

735

735

1.469

Alimentatiegerechtigde

Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte

€ p/m

220

220

440

Draagkracht Alimentatiegerechtigde per kind

€ p/m

220

220

440

Draagkracht Alimentatiegerechtigde

€ p/m

220

220

440

Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind

€ p/m

955

955

1.909

Bijdrage kosten kinderen

Aandeel Alimentatieplichtige

€ p/m

504

504

1.008

Af: zorgkorting

€ p/m

– 0

– 164

– 164

Ten laste van Alimentatieplichtige na aftrek zorgkorting

€ p/m

504

340

844

Aandeel Alimentatiegerechtigde

€ p/m

151

151

302

Af: zorgkorting

€ p/m

– 33

– 0

– 33

Ten laste van Alimentatiegerechtigde na aftrek zorgkorting

€ p/m

118

151

269

Artikel delen