IB/PVV Proceskostenvergoeding
ECLI:NL:GHARL:2026:4311
text/xml
public
2026-07-30T11:48:13
2026-07-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-06-23
24/2085
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Arnhem
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4311
text/html
public
2026-07-03T09:56:32
2026-07-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHARL:2026:4311 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-06-2026 / 24/2085
IB/PVV Proceskostenvergoeding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/2085
uitspraakdatum: 23 juni 2026
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 31 oktober 2024, nummer AWB 23/2574, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Belastingdienst PDB Den Haag (hierna: de Inspecteur)
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het Hof heeft partijen aangegeven geen aanleiding te zien een nadere zitting te houden en partijen gevraagd kenbaar te maken dat zij op een zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn daarop niet gereageerd. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2.1.
Belanghebbende woonde tot 19 oktober 2022 samen met [naam1] . [naam1] (partner) is op 19 oktober 2022 overleden.
2.2.
Belanghebbende heeft op 2 mei 2021 haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 (de aangifte) ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 41.217 en bestaat uitsluitend uit het inkomen uit vroegere arbeid. Met dagtekening 18 juni 2021 heeft de inspecteur de aanslag conform de door belanghebbende ingediende aangifte vastgesteld.
2.3.
Op 12 juli 2021 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht haar een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2020 op te leggen en het verzamelinkomen te verhogen met een inkomen uit sparen en beleggen van € 1.155, tot een bedrag van € 42.372.
2.4.
De inspecteur is afgeweken van het verzoek en heeft de navorderingsaanslag lager vastgesteld dan het verzoek. Het inkomen uit sparen en beleggen wordt door de inspecteur verhoogd met € 802, waardoor het verzamelinkomen in de navorderingsaanslag met dagtekening 21 augustus 2021 is vastgesteld op een bedrag van € 42.019.
2.5.
Namens belanghebbende heeft de gemachtigde op 2 september 2021 een nieuwe aangifte ingediend. Daarin is een voordeel van sparen en beleggen van € 11 opgenomen. Het verzamelinkomen bedraagt € 41.228. De opnieuw ingediende aangifte heeft de inspecteur als een bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag aangemerkt.
2.6.
De Inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard en met dagtekening 24 november 2022 een verminderingsbeschikking genomen waarin het inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 494.
2.7.
Bij uitspraak van 31 oktober 2014 heeft de Rechtbank belanghebbendes beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond verklaard.
2.8.
Op 13 december 2024 heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.
2.9.
Op 31 maart 2025 heeft de Inspecteur aan belanghebbende en het Hof laten weten volledig aan het hoger beroep van belanghebbende tegemoet te komen.
2.10.
Op 11 juni 2025 heeft de Inspecteur het Hof laten weten de griffierechten aan belanghebbende te vergoeden en om belanghebbende te vergoeding voor proceskosten. Voorts vermeldt de Inspecteur dat de gemachtigde van belanghebbende afwijzend heeft gereageerd op zijn suggestie het hoger beroep in te trekken.
2.11.
Op 4 juni 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur laten weten dat belanghebbende de zaak door het Hof wenst te laten behandelen en dat hij zich kan vinden in de door de Inspecteur voorgestelde vergoeding van het griffierecht en de proceskosten.
2.12.
Op 4 juli 2025 informeert de Inspecteur het Hof dat de verminderingen van de aanslagen IB/PVV 2020 is verwerkt in de systemen van de Belastingdienst.
2.13.
Op 31 juli 2025 laat de gemachtigde van belanghebbende het Hof weten dat belanghebbende de procedure wenst voort te zetten.
2.14.
Op 15 september 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende het Hof nogmaals laten weten de zaak te willen laten behandelen door het Hof en daarbij aangegeven dat de behandeling kan plaatsvinden zonder mondelinge behandeling.
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen uit sparen en beleggen nihil bedraagt.
3.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur belanghebbende dient te vergoeden voor proceskosten voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep.
4.1.
Het Hof stelt vast dat de Inspecteur geheel is tegemoetgekomen aan het hoger beroep van belanghebbende en de navorderingsaanslag dienovereenkomstig is verlaagd. Het hoger beroep is dus gegrond.
4.2.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de navorderingsaanslag betreft.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
De Inspecteur dient aan belanghebbende het voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur de kosten die belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep en dat daarbij moet worden uitgegaan van een factor 1 wegens samenhang met de zaak met nummer 24/2086.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934 x samenhangfactor 1) en € 934 voor de kosten in hoger beroep (1 punt (hogerberoepschrift,) x wegingsfactor 1 x € 934 x samenhangfactor 1), ofwel in totaal op € 2.802. Omdat sprake is van samenhang met de zaak met nummer 24/2086 zal de helft van dit bedrag, of te wel € 1.401, worden vergoed aan belanghebbende.
Het Hof:
– verklaart het hoger beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,
– vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0,
– vermindert het verzamelinkomen dienovereenkomstig,
– vermindert de beschikking belastingrente tot nihil,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.401,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.W.J. de Kort) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.