Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHARL:2026:4892

Loonvordering in hoger beroep deels toegekend. Werknemer heeft niet te laat de juistheid van zijn digitale loonstroken aangevochten omdat hij nooit toegang tot die loonstroken heeft gehad.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:4892
text/xml
public
2026-08-05T12:00:01
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-07-28
200.349.165/01
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Leeuwarden
Civiel recht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4892
text/html
public
2026-07-29T16:40:22
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHARL:2026:4892 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-07-2026 / 200.349.165/01

Loonvordering in hoger beroep deels toegekend. Werknemer heeft niet te laat de juistheid van zijn digitale loonstroken aangevochten omdat hij nooit toegang tot die loonstroken heeft gehad.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.349.165/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 10866497)

arrest van 28juli 2026

in de zaak van

[appellant]

die woont in [woonplaats]

hierna: [appellant]

advocaat: mr. B.M.J. Pelzer, die kantoor houdt in Groningen,

tegen

Creative Real Estate B.V.

gevestigd in Rijsenhout

hierna: CRE

advocaat: mr. A. Dragt, die kantoor houdt in Ermelo.

<br /> 1De verdere procedure bij het hof

1.1

In het tussenarrest van 15 juli 2025 is een enkelvoudige mondelinge behandeling na memorie van antwoord bepaald.

1.2

Op 18 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is een verslag (proces-verbaal) opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Daarna is arrest gevraagd en is een datum voor arrest bepaald, die helaas enige malen is uitgesteld.

<br /> 2De kern van de zaak

2.1

Een voormalig werknemer claimt achterstallig loon. Zijn vorderingen zijn door de kantonrechter afgewezen. In hoger beroep wordt een deel van zijn vorderingen alsnog toegewezen. Nadat de relevante feiten zijn uiteengezet, zal het hof deze beslissing uitleggen.

<br /> 3De feiten

3.1

Met ingang van 16 april 2022 zijn partijen een arbeidsovereenkomst aangegaan. De schriftelijke vastlegging is voorzien van de kop “Nulurencontract” en daaronder “Oproepovereenkomst voor bepaalde tijd”. In de overeenkomst staat dat het gaat om een nul-urencontract voor de duur van drie maanden. [appellant] zal de functie van “algemeen beheerder, toezichthouder” uitoefenen op de opvanglocatie voor vluchtelingen in [plaats] ( [hotelnaam] ). Het overeengekomen uurloon bedraagt € 20 bruto per uur. Daarnaast heeft [appellant] recht op 8% vakantietoeslag. In de arbeidsovereenkomst is verder bepaald dat [appellant] zich “24/7 (ten alle tijden)” beschikbaar zal houden om werkzaam te zijn voor CRE. Ook is bepaald dat CRE ten minste vier dagen van tevoren [appellant] zal oproepen om werkzaamheden te verrichten. In de overeenkomst is geen verwijzing naar een Cao te lezen.

3.2

In de periode van 16 april 2022 tot en met 3 juli 2022 heeft [appellant] 65 dagen gewerkt.

CRE heeft [appellant] het volgende aantal gewerkte uren uitbetaald:

– april 2022: 112

– mei 2022: 208

– juni 2022: 176

Over de maand juli 2022 heeft CRE aan [appellant] 24 gewerkte uren uitbetaald, plus vakantiegeld en niet-opgenomen vakantie-uren.

3.3

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 16 juli 2022 van rechtswege geëindigd.

3.4

Op 25 augustus 2022 heeft (de gemachtigde van) [appellant] een e-mail naar (de gemachtigde van) CRE gestuurd waarin staat dat hij, [appellant] , minimaal 12 uren per dag werkte en daarnaast ook in het weekend. [appellant] sommeert CRE daarom over te gaan tot uitbetaling van overuren en tot uitbetaling van de weekendtoeslag.

3.5

In haar reactie van 9 september 2022 stelt CRE dat [appellant] niet meer dan acht uur per dag werkte en dat die uren zijn uitbetaald. Van overuren is geen sprake en op grond van de Cao Horeca, die op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, bestaat geen recht op weekendtoeslag. [appellant] heeft daarom niet te weinig betaald gekregen, aldus CRE.

3.6

Ondanks nadere correspondentie is CRE niet tot uitbetaling overgegaan.

3.7

Bij de kantonrechter heeft [appellant] gevorderd, samengevat, dat CRE wordt veroordeeld tot betaling van € 13.960 (bruto) aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

3.8

In het bestreden vonnis van 24 september 2024 heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van CRE, vermeerderd met wettelijke rente en die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

<br /> 4De beoordeling in hoger beroep

De vordering in hoger beroep

4.1

[appellant] vordert in hoger beroep dat zijn bij de kantonrechter ingestelde vorderingen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van CRE in de proceskosten in beide instanties.

4.2

CRE heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] dan wel tot

bekrachtiging van het bestreden vonnis, dan wel in geval van toewijzing deze te beperken tot een in redelijkheid te betalen bedrag, met veroordeling van [appellant] tot betaling van de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad.

Formele verweren

4.3

Het hof volgt niet het standpunt van CRE dat [appellant] niet heeft gegriefd tegen dragende overwegingen van de kantonrechter, dan wel dat de grieven aan duidelijkheid te wensen overlaten en dat het bestreden vonnis reeds om die reden dient te worden bekrachtigd. De grieven en de toelichting daarop, gelezen in onderling verband, laten immers geen andere conclusie toe dan dat [appellant] het oordeel van de kantonrechter betwist en zijn vorderingen alsnog wil zien toegewezen. Uit het vervolg van de memorie van antwoord blijkt ook dat CRE dat zo heeft begrepen, zodat zij niet in haar processuele belangen is geschaad.

4.4

CRE stelt dat [appellant] niet tijdig heeft geklaagd dat hij onvoldoende loon zou ontvangen. [appellant] ontving zijn loonstroken in een digitale omgeving (portal). [appellant] heeft zijn account voor deze portal echter niet geactiveerd. [appellant] had de mogelijkheid om zijn loongegevens in te zien. Dat hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, mag niet ten nadele van CRE werken. Na de loonbetalingen over april, mei en juni 2022 had [appellant] zich erover kunnen beklagen dat hij te weinig loon ontving. Nu hij dit niet heeft gedaan, heeft hij CRE in een moeilijke bewijspositie gebracht.

4.5

Volgens [appellant] heeft hij nooit bericht gehad over de portal. De loonstroken heeft [appellant] naar eigen zeggen pas gezien na het einde van het dienstverband, toen hij die heeft gekregen via zijn toenmalige gemachtigde, die op 9 september 2022 printscreens van de loonstroken via de e-mail van CRE heeft ontvangen.

4.6

Het hof stelt voorop dat de in artikel 6:89 BW bedoelde onderzoeks- en klachtplicht van toepassing is op een loonvordering als in dit geval aan de orde. Bij de beoordeling of te laat is geprotesteerd tegen wat is betaald, zijn relevant alle omstandigheden van het geval.

In dit geval heeft CRE niet aangetoond dat en hoe [appellant] is geïnformeerd over het digitale systeem en de toegankelijkheid ervan op een wijze die voldoet aan het bepaalde in artikel 7:626 BW, terwijl de bewijslast hiervan conform de hoofdregel van artikel 150 Rv op CRE als werkgever rust. De heer [naam] (eigenaar/bestuurder. Verder de bestuurder)heeft namens CRE tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd dat dat waarschijnlijk telefonisch, mondeling of via whatsapp zal zijn gebeurd. Stukken die dit onderbouwen, ontbreken echter. En een concreet en voldoende specifiek aanbod om dit te bewijzen is niet gedaan. Het hof ziet geen reden om CRE uit eigen beweging op te dragen dat bewijs te leveren. Daarmee komt vast te staan dat [appellant] niet genoegzaam is voorgelicht over de portal. Aangezien de loongegevens niet kunnen worden geraadpleegd zolang het account niet is geactiveerd en in aanmerking nemend dat CRE geen loonstroken op papier of per e-mail verstrekte, kan [appellant] niet worden verweten dat hij pas heeft geklaagd over te weinig loon nadat hij de specificaties ontving van zijn toenmalige gemachtigde. Het hof is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een situatie dat [appellant] te laat heeft geklaagd.

Gewerkte uren overdag

4.7

[appellant] stelt dat hij 65 dagen heeft gewerkt van 08:00 tot 22:00 uur. Na aftrek van, zo begrijpt het hof, één uur pauze maakt dat 13 gewerkte uren per dag, derhalve in totaal 845 gewerkte uren.

4.8

Ter afwering van deze vordering heeft CRE urenstaten in het geding gebracht die [appellant] – zo stelt CRE – van zijn paraaf heeft voorzien en waaruit zou blijken dat [appellant] gedurende 65 dagen in totaal 520 uren heeft gewerkt. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de bestuurder aangevoerd dat hij de urenstaten wekelijks opmaakte. Wanneer de moeder van de bestuurder – die ook in de opvang werkte – [appellant] afloste, nam ze de urenstaten mee en tekende [appellant] die af, aldus CRE.

4.9

CRE heeft zich tegen de loonvordering verweerd met een beroep op die getekende lijsten, terwijl [appellant] in zijn grieven en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep de echtheid van die handtekening gemotiveerd heeft betwist. Tegen die achtergrond had van CRE mogen worden verwacht dat zij haar stelling dat [appellant] de urenstaten steeds heeft ondertekend verder had onderbouwd en dat zij specifiek van die ondertekening bewijs had aangeboden. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft CRE het gelaten bij de in 4.8 weergegeven stelling. Voor zover dit al een toereikende onderbouwing is van de gestelde echtheid van de handtekeningen op de door CRE ingeroepen urenstaten, geldt dat CRE daarvan niets te bewijzen heeft aangeboden. Het eerdere, in algemene termen gedane bewijsaanbod is onvoldoende specifiek. Dat de handtekeningen wel echt van [appellant] zijn, heeft CRE niet concreet aangeboden te bewijzen. Het hof komt dan ook niet aan bewijslevering door CRE toe.

4.10

Vervolgens is de vraag of [appellant] op zijn beurt heeft aangetoond dat hij meer werkte dan acht uren per dag, zijnde het aantal werkuren per dag dat CRE erkent. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd dat zijn werk begon om 07:00 uur, dat hij vanaf 06:30 uur aanwezig was en dat hij om 22:00 uur klaar was met de schoonmaakwerkzaamheden.

4.11

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de bestuurder namens CRE aangevoerd dat de opdracht van [appellant] was: aanwezig zijn, opvangen van nieuwe mensen, aanspreekpunt zijn, uitleg geven en informatie verstrekken aan de gemeente. Volgens de bestuurder bleef [appellant] ook na 16:30 uur en ging hij de bewoners bij van alles en nog wat ondersteunen, maar dat was dan in zijn eigen tijd, aldus de bestuurder.

4.12

Uit de wederzijdse standpunten blijkt volgens het hof dat tussen partijen wel vast staat dat [appellant] langer aanwezig was dan acht uren per dag. De vraag is echter of die uren allemaal kunnen worden beschouwd als werk in opdracht van CRE. De arbeidsovereenkomst vermeldt geen vaste werktijden, alleen dat [appellant] elk uur van de dag (“24/7”) beschikbaar moest zijn om te werken. CRE heeft verder aangevoerd dat de start- en eindtijden van de werkdag konden verschillen, al naar gelang de werkzaamheden die [appellant] die dag moest verrichten.

4.13

De vordering van [appellant] is gebaseerd op aanvang van de werkdag om 08:00 uur. Ook CRE gaat van dat aanvangstijdstip uit. Voor zover [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangegeven dat hij al om 07:00 uur met zijn werk begon, gaat het hof daaraan voorbij. Zo een wijziging of uitbreiding van de grondslag van de vordering tijdens de mondelinge behandeling al niet strijdig is met de tweeconclusieregel, dan toch zeker met de goede procesorde.

4.14

CRE betwist dat haar opdrachten aan [appellant] verder strekten dan tot 16:30 uur, wat zij het normale einde van de werkdag noemt. CRE wist echter dat [appellant] ook na die tijd nog op het werk aanwezig was en doorging met wat hij daarvoor ook deed, namelijk het ondersteunen van de bewoners van de opvang, wat werkzaamheden waren die evident vallen binnen zijn taken. Gesteld noch gebleken is dat CRE heeft ingegrepen en [appellant] naar huis heeft gestuurd omdat zijn werkdag er in de ogen van CRE op zat. Naar het oordeel van het hof heeft CRE daarmee onvoldoende gemotiveerd betwist dat [appellant] ook na 16:30 uur nog werkzaam was in de uitoefening van zijn functie waarin hij door CRE was aangesteld.

4.15

De vraag is vervolgens of [appellant] , zoals hij stelt, tot 22:00 uur heeft gewerkt in opdracht van CRE. Daarvoor ziet het hof echter onvoldoende grond. [appellant] heeft wel aangetoond dat de werkzaamheden die hij ook na 16:30 uur verrichtte, geacht kunnen worden te vallen onder de opdracht van CRE. Voor het antwoord op de vraag wanneer die werkzaamheden eindigden, betrekt het hof in de overwegingen dat [appellant] niet de enige werknemer was. Er was ook een cateringmedewerkster in dienst bij CRE. In aanmerking nemend dat de werkzaamheden rond het avondeten volgens de stellingen van partijen omstreeks 20:00 uur waren afgerond, is dat tijdstip naar het oordeel van het hof redelijkerwijs aan te duiden als het einde van de van [appellant] verwachte werkzaamheden en daarmee van zijn werkdag.

4.16

Dat betekent dat [appellant] geacht wordt in opdracht van CRE te hebben gewerkt van 08:00 uur tot 20:00 uur. Na aftrek van één uur pauze conform zijn eigen opstelling zijn dat 11 gewerkte uren per dag. Dit komt neer op een loonaanspraak van € 14.300 excl. vakantietoeslag (65 dagen × 11 uur × € 20 per uur). [appellant] heeft, zo blijkt uit de overgelegde en in zoverre onvoldoende betwiste specificaties, ontvangen van CRE een totaalbedrag van € 10.400 excl. Vakantietoeslag. Dat betekent dat een loonvordering resteert van € 3.900 bruto. Vermeerderd met 8% vakantietoeslag heeft [appellant] nog recht op betaling van € 4.212 bruto.

Gewerkte uren ‘s nachts

4.17

[appellant] stelt dat hij met de heer [naam] heeft afgesproken dat hij ook als nachtportier zou fungeren tussen 22.00 uur en 08:00 uur de volgende dag, tot het moment dat CRE een nachtportier had gevonden. Tijdens het dienstverband van [appellant] is die nachtportier er echter niet gekomen. Partijen hebben afgesproken dat [appellant] 50% van zijn normale uurtarief zou krijgen, dus € 10 per uur. Volgens [appellant] heeft hij daarom nog recht op nabetaling van € 6.500 bruto excl. vakantietoeslag (65 dagen × 10 uur × € 10).

4.18

CRE heeft betwist dat die afspraken zijn gemaakt. CRE stelt dat zij “Ik Verkoop Verhuur B.V.” te Nieuw-Vennep vanaf 14 maart 2022 heeft ingeschakeld voor het nachttoezicht, van welk bedrijf facturen tot de gedingstukken behoren.

4.19

Het hof overweegt dat de hoofdregel van art. 150 Rv meebrengt dat op [appellant] de bewijslast rust van zijn stelling dat is afgesproken dat hij ook als nachtportier zou werken. Het bestaan van een dergelijke afspraak naast de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst is door CRE gemotiveerd betwist. Die betwisting is door CRE kracht bijgezet met facturen waaruit kan worden afgeleid dat Ik Verkoop Verhuur B.V. vanaf 14 maart 2022 tegen betaling van € 200 per nacht (excl. btw) het nachttoezicht heeft verzorgd. Tegen die achtergrond had van [appellant] verwacht mogen worden dat hij daar iets tegenover had gesteld. [appellant] heeft het echter gelaten bij een door hem overgelegde verklaring van enkele bewoners waaruit zou blijken dat [appellant] tussen 22:00 uur en 08:00 uur als nachtportier fungeerde. Ook als van de juistheid van die verklaring wordt uitgegaan, is daarmee niet gegeven dat dat berust op een afspraak tussen CRE en [appellant] . Deze verklaring is daarmee onvoldoende om het bestaan van bedoelde afspraak al bewezen te achten. Daar is meer voor nodig, maar een voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod van [appellant] ontbreekt (ook) in hoger beroep. Aan bewijslevering op dit punt komt het hof dan ook niet toe, zodat de door [appellant] gestelde afspraak die ten grondslag ligt aan zijn loonvordering voor de nachtelijke uren niet is komen vast te staan. In zoverre zal de vordering van [appellant] daarom ook in hoger beroep worden afgewezen.

Wettelijke verhoging

4.20

Artikel 7:625 BW geeft de werknemer aanspraak op een verhoging als de werkgever zijn loon te laat betaalt en dit de werkgever is toe te rekenen. De aanspraak bedraagt een oplopend percentage van het loon per werkdag, met een maximum van 50%. De wettelijke verhoging is niet zozeer bedoeld als vergoeding van door de werknemer als gevolg van de te late uitbetaling van loon geleden schade, als wel als ‘prikkel’ voor de werkgever om het loon op tijd te betalen. De rechter kan, ook ambtshalve, de wettelijke verhoging matigen tot een bedrag dat gelet op de omstandigheden billijk is.

4.22

In dit geval is het hof van oordeel dat [appellant] in beginsel aanspraak heeft op betaling van de wettelijke verhoging, maar dat de omstandigheden van het geval aanleiding geven tot matiging van de wettelijke verhoging. Als prikkel voor tijdige loonbetaling in de toekomst mist de wettelijke verhoging doel, omdat het dienstverband al lange tijd niet meer bestaat. De cumulatie met de wettelijke rente geeft een verdere aanleiding tot matiging. Billijkheidshalve wordt de wettelijke verhoging daarom beperkt tot € 250 bruto.

Wettelijke rente

4.23

De gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen deel van de vordering vanaf 1 maart 2023 is ook is toewijsbaar. Het hof ziet niet dat deze veroordeling tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden, zoals CRE stelt, maar niet nader onderbouwt. De ingangsdatum van 1 maart 2023 is niet betwist.

De conclusie

4.24

De conclusie luidt dat de grieven van [appellant] gedeeltelijk slagen. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de loonvordering van [appellant] tot een bedrag van € 4.212 bruto alsnog toewijzen, met bijkomende veroordelingen.

De proceskosten

4.25

Omdat partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten in beide instanties op de hierna te vermelden wijze worden gecompenseerd.

5. De beslissing

Het hof:

5.1

vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 24 september 2024 en beslist als volgt:

5.2

veroordeelt CRE tot betaling aan [appellant] van € 4.212 bruto ten titel van achterstallig loon over de periode 16 april 2022 tot 3 juli 2022;

5.3

veroordeelt CRE tot betaling aan [appellant] van € 250 bruto ten titel van wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW;

5.4

veroordeelt CRE tot betaling aan [appellant] van de wettelijke rente over de bedragen genoemd in 5.2 en 5.3 met ingang van 1 maart 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.5

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de kantonrechter en het hof;

5.6

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad

5.7

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.E.L. Fikkers en W.F. Boele en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

28 juli 2026.

Vgl. HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278.

Artikel delen