Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHARL:2026:4922

De militaire kamer van het hof acht bewezen dat verdachte aangever door de in de tenlastelegging omschreven feitelijkheden heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:4922
text/xml
public
2026-07-30T14:42:55
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-07-30
21-000590-25
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Arnhem
Strafrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4922
text/html
public
2026-07-30T14:42:22
2026-07-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHARL:2026:4922 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-07-2026 / 21-000590-25

De militaire kamer van het hof acht bewezen dat verdachte aangever door de in de tenlastelegging omschreven feitelijkheden heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen.


Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000590-25

Uitspraakdatum: 30 juli 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 januari 2025 met parketnummer 05-089370-24 in de strafzaak tegen

<br /> [verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Gelderland.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. K.C. van de Wijngaart, hebben aangevoerd.

De militaire kamer van de rechtbank Gelderland heeft verdachte bij vonnis van 27 januari 2025 ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De militaire kamer heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag ter hoogte van € 2.500,-.

Het hof komt tot een andere bewijsconstructie en legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primairzij in of omstreeks de periode van 26 augustus 2023 tot en met 27 augustus 2023 te [plaats] , in Litouwen met (de (diep) slapende en/of onder invloed van alcohol zijnde) [benadeelde partij] , van wie zij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dat deze [benadeelde partij] niet of onvolkomen in staat was zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

– het zoenen van die [benadeelde partij] en/of

– het met haar naakte (onder)lichaam en/of vagina op die [benadeelde partij] en/of over/op de penis van die [benadeelde partij] en/of op/het gezicht en/of de mond van die [benadeelde partij] gaan zitten en/of heen en weer bewegen en/of

– het betasten en/of aanraken en/of wrijven over de borstkast en/of de penis van die [benadeelde partij] en/of

– het aftrekken en/of pijpen van de penis van die [benadeelde partij] ;

subsidiairzij in of omstreeks de periode van 26 augustus 2023 tot en met 27 augustus 2023 te [plaats] , Litouwen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

– het zoenen van die [benadeelde partij] en/of

– het met haar naakte (onder)lichaam en/of vagina op die [benadeelde partij] en/of over/op de penis van die [benadeelde partij] en/of op/het gezicht en/of de mond van die [benadeelde partij] gaan zitten en/of heen en weer bewegen en/of

– het betasten en/of aanraken en/of wrijven over de borstkast en/of de penis van die [benadeelde partij] en/of

– het aftrekken en/of pijpen van de penis van die [benadeelde partij] en bestaande dat geweld of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of die één of meer feitelijkheden hierin dat verdachte

– (onverhoeds) heimelijk en zonder toestemming de legeringskamer/hotelkamer van die [benadeelde partij] is binnengegaan en/of

– (onverhoeds) nabij of op het bed van die [benadeelde partij] is gaan zitten en/of bij die [benadeelde partij] in bed is gaan liggen en/of boven op die [benadeelde partij] is gaan zitten en/of

– de dekens/het dekbed van die [benadeelde partij] heeft verwijderd en/of weggetrokken en/of

– de onderbroek van die [benadeelde partij] naar beneden heeft gedaan en/of (deels) heeft uitgetrokken en/of

– voorbij is gegaan aan het feit dat die [benadeelde partij] diep in slaap was en/of onder invloed van alcohol was, waardoor die [benadeelde partij] onvoldoende in staat is geweest verzet en/of weerstand heeft kunnen plegen en/of

– voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt niet dat aangever in relevante mate beperkt was in zijn vermogen weerstand te bieden tegen het handelen van verdachte. Daarnaast is er onvoldoende (steun)bewijs dat aangever de seksuele handelingen onder dwang heeft moeten dulden. Verdachte erkent dat er seksuele handelingen tussen haar en aangever hebben plaatsgevonden, maar volgens haar is er geen moment geweest waaruit ze had moeten afleiden dat aangever niet wilde dat de seksuele handelingen plaatsvonden.

De raadsvrouw voert tevens aan dat aangever op cruciale punten wisselend, onvolledig en in de kern niet consistent heeft verklaard. De verklaringen van aangever zijn daarmee onbetrouwbaar en niet bruikbaar voor het bewijs.

Niet ter discussie staat dat verdachte in de nacht van 26 augustus 2023 op 27 augustus 2023 ’s nachts de kamer van aangever [benadeelde partij] is binnengekomen, bij hem op bed is gaan zitten en dat vervolgens de in de tenlastelegging genoemde handelingen, die als ontuchtig kunnen worden gekwalificeerd, hebben plaatsgevonden.

De vragen die het hof moet beantwoorden is of wettig en overtuigend bewezen is dat aangever ten tijde van de seksuele handelingen in een staat van verminderd bewustzijn dan wel lichamelijke onmacht verkeerde en of de seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat aangever ten tijde van de tenlastegelegde handelingen verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn dan wel lichamelijke

onmacht als bedoeld in artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof is dan ook, met de advocaat-generaal en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken ten aanzien van het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit

Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het subsidiair tenlastegelegde feit. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Het hof stelt voorop dat zedenzaken zich dikwijls kenmerken door de omstandigheid dat slechts de aangever en de verdachte bij de gestelde seksuele handelingen aanwezig zijn geweest. Dat brengt mee dat het hof de verklaring van aangever zorgvuldig beoordeelt op betrouwbaarheid en vervolgens beziet of deze verklaring voldoende steun vindt in bewijsmateriaal dat afkomstig is uit een andere bron.

Aangever heeft over de kern van de gebeurtenissen consistent, concreet en voldoende gedetailleerd verklaard. Zijn verklaring komt authentiek over en bevat geen innerlijke tegenstrijdigheden die de essentie van zijn relaas aantasten. Voor zover op ondergeschikte onderdelen verschillen of onvolkomenheden bestaan, doen deze naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring over de seksuele handelingen en het ontbreken van zijn instemming. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de door de raadsvrouw gestelde inconsistenties niet zien op het tenlastegelegde zelf, maar op feiten en omstandigheden die daarvoor of daarna hebben plaatsgevonden.

De verklaring van aangever staat bovendien niet op zichzelf. Zij vindt ten aanzien van de feitelijke toedracht op verschillende punten bevestiging in de verklaring van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat zij naar de hotelkamer van aangever is gegaan nadat zij had vernomen dat hij was gaan slapen, dat het licht in de kamer uit was, dat aangever in bed lag en dat zij vervolgens verschillende seksuele handelingen bij hem heeft verricht. Daarmee bevestigt verdachte een belangrijk deel van de door aangever beschreven feitelijke omstandigheden en de aard van de seksuele handelingen.

Verder betrekt het hof de verklaringen van de [getuige 1] en [getuige 2] bij zijn oordeel. Zij hebben aangever en verdachte kort na de seksuele handelingen samen in de hotelkamer aangetroffen. Aangever lag (half) slapend in bed en verdachte lag op het andere bed. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte zichtbaar schrok toen zij de kamer binnenkwamen. Beiden hebben bovendien verklaard over een uitlating van verdachte die erop neerkwam dat zij aangever aan het verkrachten was geweest. [getuige 2] heeft daarnaast waargenomen dat verdachte de volgende middag begon te huilen toen hij haar naar de gebeurtenissen vroeg.

Dat [getuige 1] en [getuige 2] tijdens hun eerste verhoor niet volledig hebben verklaard over wat er later die nacht tussen hen en verdachte heeft plaatsgevonden, maakt hun verklaringen over hun eerdere waarnemingen niet zonder meer onbetrouwbaar. Die latere gebeurtenissen betroffen een afzonderlijke situatie waarvan aangever geen deel uitmaakte. Het hof ziet daarin geen grond om te twijfelen aan wat de getuigen hebben verklaard over de situatie waarin zij aangever en verdachte aantroffen en over de uitlating en reactie van verdachte.

Tot slot heeft [getuige 3] uit eigen waarneming verklaard dat verdachte de volgende dag gedurende een groot deel van de dag in tranen was en dat aangever eveneens zichtbaar geëmotioneerd raakte toen [getuige 3] met hem sprak. Deze waarnemingen leveren op zichzelf geen bewijs op voor de inhoud van de tenlastegelegde seksuele handelingen. Zij vormen echter, bezien in samenhang met de verklaring van verdachte en de overige getuigenverklaringen, aanvullende ondersteuning voor de verklaring van aangever.

Op grond van voorgaande heeft het hof geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van aangever en neemt het deze tot uitgangspunt bij de verdere beoordeling van de vraag of de seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden.

Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde moet immers ook komen vast te staan dat verdachte aangever opzettelijk heeft gedwongen deze handelingen te ondergaan. Dwang vereist het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op het tegen de wil van aangever verrichten van de handelingen. Het moet daarbij voor verdachte op het moment dat zij de seksuele handelingen verrichtten, kenbaar zijn geweest dat aangever niet wilde dat deze handelingen plaatsvonden.

Het hof stelt op grond van de verklaring van aangever, bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Aangever is na een avond waarop hij veel alcohol had gedronken naar zijn hotelkamer gegaan om te slapen. Nadat verdachte had vernomen dat aangever was gaan slapen, is zij met behulp van een van een kamergenoot verkregen kamersleutel naar zijn hotelkamer gegaan. Toen zij de kamer binnenkwam, was het licht uit en lag aangever in bed. Verdachte heeft hem gewekt en hem gevraagd mee te gaan naar haar kamer, waarop aangever heeft aangegeven dat niet te willen. Desondanks is verdachte op het bed van aangever gaan zitten en vrijwel direct begonnen met het verrichten van seksuele handelingen. Aangever heeft vervolgens zowel verbaal als non-verbaal meerdere malen kenbaar gemaakt dat hij deze handelingen niet wilde. Zo heeft hij geprobeerd zijn onderbroek omhoog te trekken en hij heeft zijn hoofd weggedraaid toen verdachte hem wilde zoenen. Verdachte is desondanks met de seksuele handelingen doorgegaan.

Door onder deze omstandigheden toch met de seksuele handelingen aan te vangen en daarmee door te gaan, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij tegen de wil van aangever handelde en hem door haar handelswijze heeft gedwongen tot het dulden van de seksuele handelingen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte volgens de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 4] vrijwel direct nadat zij haar hadden aangetroffen op de kamer van aangever heeft gezegd ‘kutzooi volgens mij ben ik hem gewoon aan het verkrachten’ en/of ‘ik heb [benadeelde partij] gewoon verkracht’, wat past bij de verklaring van aangever dat verdachte tegen hem gezegd heeft ‘Vind je dit wel wat, want ik heb het idee dat ik je aan het verkrachten ben’.

Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte aangever door de in de tenlastelegging omschreven feitelijkheden heeft gedwongen de ontuchtige handelingen te dulden. Dat verdachte de signalen van aangever – mogelijk onder invloed van alcohol en/of het feit dat zij eerder tijdens de reis gezoend hadden en seksueel getinte berichten hadden uitgewisseld – verkeerd heeft geïnterpreteerd, doet daaraan niet af.

Het hof acht het dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit.

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij in of omstreeks de periode van 26 augustus 2023 tot en met 27 augustus 2023 te [plaats] , Litouwen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten

– het zoenen van die [benadeelde partij] en/of

– het met haar naakte (onder)lichaam en/of vagina op die [benadeelde partij] en/of over/op de penis van die [benadeelde partij] en/of op /het gezicht en/of de mond van die [benadeelde partij] gaan zitten en/of heen en weer bewegen en/of

– het betasten en/of aanraken en/of wrijven over de borstkast en/of de penis van die [benadeelde partij] en/of

– het aftrekken en/of pijpen van de penis van die [benadeelde partij]

en bestaande die geweld of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of die één of meer feitelijkheden hierin dat verdachte

– (onverhoeds) heimelijk en zonder toestemming de legeringskamer/hotelkamer van die [benadeelde partij] is binnengegaan en/of

– (onverhoeds) nabij of op het bed van die [benadeelde partij] is gaan zitten en/of bij die [benadeelde partij] in bed is gaan liggen en/of boven op die [benadeelde partij] is gaan zitten en/of

– de dekens/het dekbed van die [benadeelde partij] heeft verwijderd en/of weggetrokken en/of

– de onderbroek van die [benadeelde partij] naar beneden heeft gedaan en/of (deels) heeft uitgetrokken en/of

– voorbij is gegaan aan het feit dat die [benadeelde partij] diep in slaap was en/of onder invloed van alcohol was, waardoor die [benadeelde partij] onvoldoende in staat is geweest verzet en/of weerstand heeft kunnen plegen en/of

– voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 59 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft geen verweer over de strafoplegging gevoerd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen jegens aangever. Zij heeft daarbij de grenzen die aangever zowel verbaal als non-verbaal kenbaar heeft gemaakt genegeerd en uitsluitend gehandeld vanuit haar eigen seksuele behoeften. Daarmee heeft zij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van aangever.

Het hof neemt ook in aanmerking dat deze zaak zich kenmerkt doordat verdachte de door aangever afgegeven signalen onjuist heeft geïnterpreteerd. Dat maakt het bewezenverklaarde niet minder ernstig, maar vormt wel een omstandigheid die het hof betrekt bij de bepaling van de op te leggen straf. Van verdachte had mogen worden verwacht dat zij zich ervan had vergewist dat aangever daadwerkelijk instemde met de seksuele handelingen en dat zij haar handelen had gestaakt toen aangever kenbaar maakte deze handelingen niet te willen.

Het hof rekent verdachte aan dat de feiten hebben plaatsgevonden tijdens een dienstreis van Defensie. Juist in een dergelijke setting moeten militairen op elkaar kunnen vertrouwen en elkaars persoonlijke en lichamelijke grenzen respecteren. Het handelen van verdachte verdraagt zich niet met de normen en waarden die van een militair mogen worden verwacht.

In het voordeel van verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat zij openheid van zaken heeft gegeven, zichtbaar is geraakt door de verdenking en de strafzaak en dat zij als gevolg van deze zaak haar functie bij Defensie is kwijtgeraakt. Verder blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie van 15 juni 2026, dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, passend en geboden, zodat het deze straf zal opleggen. Het hof ziet – anders dan is geëist – geen aanleiding een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, nu het bewezenverklaarde naar het oordeel van het hof als een eenmalige gebeurtenis moet worden beschouwd. Er bestaan geen aanwijzingen voor een verhoogd risico op herhaling.

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.

De raadsvrouw heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering in verband met de bepleite vrijspraak.

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval met zich dat aantasting in de persoon op een andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Verdachte is dan ook gehouden de schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.



Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 27 augustus 2023.

Dit arrest is gewezen door mr. S. Bek, mr. R.H. Koning en commandeur mr. F.E. Venema, militair lid, in aanwezigheid van de griffier mr. M.E. Ruiter en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 juli 2026.

Mr. S. Bek en commandeur mr. F.E. Venema zijn niet in staat dit arrest te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 30 juli 2026.

Tegenwoordig:

mr. R.H. Koning, voorzitter,

mr. A. Lodder, advocaat-generaal,

mr. G.A. Dunnink, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Artikel delen