Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHARL:2026:5598

Veroordeelde niet-ontvankelijk in verzoek om tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Verzoek te vroeg, binnen zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, ingediend.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken





ECLI:NL:GHARL:2026:5598
text/xml
public
2026-08-31T18:00:31
2026-08-31
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-08-31 P26-085 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL
Strafrecht


Rechtspraak.nl




http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5598
text/html
public
2026-08-31T10:54:32
2026-08-31
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHARL:2026:5598 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-08-2026 / P26-085





Veroordeelde niet-ontvankelijk in verzoek om tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Verzoek te vroeg, binnen zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, ingediend.


ISD P26/85

Beslissing van 7 mei 2026

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van


[veroordeelde]
,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

verblijvende in [PI] , locatie [straat] , verder te noemen: de veroordeelde.
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 18 november 2025. Deze beslissing houdt in dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders vereist is.

Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op:

het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

de beslissing waarvan beroep;

de akte van 27 november 2025, waarbij de veroordeelde beroep heeft ingesteld;

het e-mailbericht van mr. Car van 28 april 2026;

de aanvullende informatie van P.I. Alphen aan den Rijn van 30 april 2026.

Het hof heeft ter zitting van 7 mei 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. A. Kooij, en de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C. Car, advocaat te ’s-Gravenhage.


Het hof heeft de ontvankelijkheid van het verzoek om een tussentijdse beoordeling ter zitting aan de orde gesteld.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift te vroeg is ingediend en dat de veroordeelde alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek.
Het standpunt van de veroordeelde

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat veroordeelde ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek tot tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel. Veroordeelde heeft het verzoek ingediend met het idee om de ISD-maatregel om te zetten in een rechterlijke machtiging. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld als een tussentijdse toetsing, veroordeelde ontvankelijk geacht en het verzoek inhoudelijk behandeld. Het openbaar ministerie heeft hier in eerste aanleg geen verweer tegen gevoerd. Van gewijzigde omstandigheden waardoor in beroep anders dient te worden geoordeeld, is niet gebleken. De beginselen van rechtszekerheid en een goede procesorde brengen met zich dat in beroep niet alsnog een strengere ontvankelijkheidsmaatstaf dient te worden gehanteerd. Voorkomen moet worden dat rechtsbescherming puur theoretisch is, hetgeen zich niet verhoudt met de artikelen 6 en 13 van het EVRM. Uit artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering volgt niet dat de consequentie van het eerder indienen van een verzoekschrift niet-ontvankelijkheid moet zijn. Bovendien loopt de ISD-maatregel inmiddels wel langer dan zes maanden.
Het oordeel van het hof

Op grond van artikel 6:6:14, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan een veroordeelde, als de rechter bij het opleggen van de ISD-maatregel niet heeft beslist tot een tussentijdse beoordeling dan wel heeft beslist tot een beoordeling na een jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, na zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel verzoeken om een tussentijdse beoordeling. In de overige gevallen kan een verzoek worden gedaan na zes maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing om niet tussentijds te beoordelen of van de beslissing dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is vereist.
Aan de veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 februari 2025 de ISD-maatregel opgelegd. De ISD-maatregel is aangevangen op 2 juni 2025. Het verzoek van veroordeelde is op 8 augustus 2025 binnengekomen bij de rechtbank Den Haag. Dit is binnen zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Voor zover dit verzoek opgevat moet worden als een verzoek tot tussentijdse toetsing als bedoeld in artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering is dat verzoek te vroeg ingediend.

Dit brengt mee dat de rechtbank de veroordeelde niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het verzoek. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt dat de veroordeelde wel ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht.
Gelet op het voorgaande vernietigt het hof de beslissing van de rechtbank en verklaart het hof de veroordeelde alsnog niet-ontvankelijk in het verzoek om een tussentijdse beoordeling.


Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Den Haag van 18 november 2025 met betrekking tot de veroordeelde, [veroordeelde].

Verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het verzoek van 8 augustus 2025 om een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.

Aldus gedaan door

mr. J. Steenbrink, voorzitter,

mr. M. Keppels en mr. P.C. Vegter, raadsheren,

en drs. A.W.T.M. Vissers en drs. J.L.M. Dinjens, raden,

in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 7 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Artikel delen