Veroordeelde niet-ontvankelijk in verzoek om tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Verzoek te vroeg, binnen zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, ingediend.
Veroordeelde niet-ontvankelijk in verzoek om tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Verzoek te vroeg, binnen zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, ingediend.
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
verblijvende in [PI] , locatie [straat] , verder te noemen: de veroordeelde.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift te vroeg is ingediend en dat de veroordeelde alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat veroordeelde ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek tot tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel. Veroordeelde heeft het verzoek ingediend met het idee om de ISD-maatregel om te zetten in een rechterlijke machtiging. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld als een tussentijdse toetsing, veroordeelde ontvankelijk geacht en het verzoek inhoudelijk behandeld. Het openbaar ministerie heeft hier in eerste aanleg geen verweer tegen gevoerd. Van gewijzigde omstandigheden waardoor in beroep anders dient te worden geoordeeld, is niet gebleken. De beginselen van rechtszekerheid en een goede procesorde brengen met zich dat in beroep niet alsnog een strengere ontvankelijkheidsmaatstaf dient te worden gehanteerd. Voorkomen moet worden dat rechtsbescherming puur theoretisch is, hetgeen zich niet verhoudt met de artikelen 6 en 13 van het EVRM. Uit artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering volgt niet dat de consequentie van het eerder indienen van een verzoekschrift niet-ontvankelijkheid moet zijn. Bovendien loopt de ISD-maatregel inmiddels wel langer dan zes maanden.
Op grond van artikel 6:6:14, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan een veroordeelde, als de rechter bij het opleggen van de ISD-maatregel niet heeft beslist tot een tussentijdse beoordeling dan wel heeft beslist tot een beoordeling na een jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, na zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel verzoeken om een tussentijdse beoordeling. In de overige gevallen kan een verzoek worden gedaan na zes maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing om niet tussentijds te beoordelen of van de beslissing dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is vereist.
Dit brengt mee dat de rechtbank de veroordeelde niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het verzoek. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt dat de veroordeelde wel ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht.
Aldus gedaan door
mr. J. Steenbrink, voorzitter,
mr. M. Keppels en mr. P.C. Vegter, raadsheren,
en drs. A.W.T.M. Vissers en drs. J.L.M. Dinjens, raden,
in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,
en op 7 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.