Vorderingen uit hoofde van een overeenkomst tot huur van filmapparatuur.
ECLI:NL:GHDHA:2026:2326
text/xml
public
2026-07-30T11:42:43
2026-07-16
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Den Haag
2026-04-28
200.338.510/01
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Den Haag
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2326
text/html
public
2026-07-30T11:41:09
2026-07-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHDHA:2026:2326 Gerechtshof Den Haag , 28-04-2026 / 200.338.510/01
Vorderingen uit hoofde van een overeenkomst tot huur van filmapparatuur.
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.338.510/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10098469 CV EXPL 22-28501
Arrest van 28 april 2026
in de zaak van
Stichting New Rotterdam Films,
gevestigd in Rotterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.C. van der Bent, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
Camera Rentals B.V.,
gevestigd in Duivendrecht,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. E.M.F. Opering, kantoorhoudend in Amsterdam-Duivendrecht.
Het hof noemt partijen hierna NRF en CR.
1.1
CR heeft filmapparatuur verhuurd aan NRF en vordert betaling van de overeengekomen huur. NRF wil alleen huur betalen voor de dagen dat zij de apparatuur daadwerkelijk gebruikt heeft, en vordert schadevergoeding omdat de apparatuur die zij ter beschikking kreeg volgens haar niet de juiste was.
1.2
De kantonrechter heeft de vorderingen van CR grotendeels toegewezen en de vordering tot schadevergoeding van NRF afgewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis, behalve ten aanzien van de door CR gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Die wijst het hof alsnog toe.
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 10 november 2023, waarmee NRF in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2023;
het arrest van dit hof van 7 mei 2024, waarin een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 14 juni 2024;
de memorie van grieven, tevens houdende eisvermeerdering in reconventie van NRF, met bijlagen;
de memorie van antwoord, tevens houdende (eiswijziging in) incidenteel appel van CR, met bijlagen;
de memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende akte uitlating producties van NRF, met bijlage;
de producties 43-46 die NRF en de productie 6 die CR ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
de brief van 9 maart 2026 van NRF;
de brief van 10 maart 2026 van CR.
2.2
Op 31 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
3.1
De kantonrechter heeft in het vonnis onder 2 een aantal feiten vermeld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. NRF heeft bezwaar gemaakt tegen de formulering van de feiten onder 2.6 tot en met 2.9 van het vonnis. Het hof heeft daar bij de vaststelling van de feiten rekening mee gehouden en zal de bezwaren bij de bespreking van de grieven meenemen. Voor het overige zijn de feiten niet in geschil, en dienen zij ook het hof tot uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
3.2
CR is een verhuur- en leasebedrijf voor film- en digitale camera apparatuur. NRF is een ontwikkelaar van speelfilms, documentaires en scenario’s.
3.3
NRF heeft contact opgenomen met CR voor het huren van filmapparatuur. NRF was op dat moment voornemens om de film “The Hunters Son” op te nemen. Het totaal aantal van 42 draaidagen zou worden verdeeld over drie draaiperiodes.
3.4
Op 17 maart 2021 heeft CR offerte nummer 17 naar NRF gestuurd. Deze offerte (productie 4 dagvaarding, hierna: offerte 17) gaat uit van huur door NRF van de in de offerte genoemde filmapparatuur in de eerste twee kwartalen van 2021, voor een periode van 42 draaidagen, tegen een bedrag van € 76.623,75 exclusief btw.
3.5
[naam 1] (general manager van CR; hierna [naam 1] ) heeft per e-mailbericht van 17 maart 2021, voor zover hier relevant, het volgende aan NRF medegedeeld:
“Ik dacht het best om een paar dingen in de mail te zetten voor dat wij zijn alle sort afspreken en informatie vergeten.
Wij hebben van besloten om een deal te maken voor de speelfilm “Hunters Son”. De film duurt 42 draai dagen, over drie perioden, excluding reis dagen en testen.
Het materiaal wordt vanuit Camera Rentals gestuurd naar Ijsland na dat de spullen wordt gecheckt hier door Camera Rentals.
Het “echte” camera, lens test en prep wordt op Ijsland gedaan door de 1AC uit Poland. (…)
Wij hebben gesproken over de offerte en “deal” prijs en ik heb door gegeven dat het was voor mij niet haalbaar om onder de €60.000,- deze film te doen. Ik moet heir duidelijke in zijn omdat ik heb al wat kosten gemaakt ivm nieuwe apparatuur kopen. (…)”
3.6
NRF, in de persoon van [naam 2] (hierna: [naam 2] ), heeft op de onder 3.5 genoemde e-mail, voor zover hier relevant, op 18 maart 2021 als volgt gereageerd:
“Ok dus onder voorwaarde dat de apparatuur voor 29 maart in IJsland is want dan gaan we testen. (…)”
3.7
De toenmalige budgetspecialist van NRF, [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ), heeft per e-mail van 19 maart 2021 aan CR, met kopie aan NRF, onder meer het volgende geschreven:
“(…) kijk qua indeling bij mij zou t als volgt zijn: zie excel dat zou betekenen voor april shoot Ijsland normaal 20000€
april shoot Ijsland 3 dagen covid 4285,73€ voor juli shoot Ijsland 10k en de rest 24285,69€ voor de augustus/sept shoot en 1 dag covid Belgie 1428,58€
(…)”
3.8
Op 23 en 24 maart 2021 heeft NRF de filmapparatuur van CR getest. De testen werden in Nederland voor NRF uitgevoerd door de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
3.9
In een WhatsApp (dan wel sms; het hof zal hierna voor beide soort berichten de term ‘WhatsApp’ gebruiken) conversatie op 4 april 2021 heeft [naam 2] ten aanzien van de test van de filmapparatuur het volgende aan [naam 1] geschreven:
“[naam 3] heeft morgen (2epaasdag) tijd om de K35 set opnieuw te testen die uit Paris komen. Op 7 april wordt het pakket opgehaald door [bedrijf] .”
[naam 1] heeft hierop als volgt geantwoord:
“Het blijft de de zelfde set van de eerst test.. niets is veranderd. De set uit Paris is voor een commercial van 4 dagen.. maar ik kan [naam 3] een paar dingen last minute checken met die assistent daar voor de zekerheid.”
3.10
Op 5 april 2021 hebben [naam 2] ( [naam 2] ) en [naam 3] ( [naam 3] ) onder meer het volgende WhatsApp-gesprek gevoerd:
“( [naam 2] ):Hallo [naam 3] , is het nog gelukt met de lenzen bij [naam 1] vandaag? Laat weten hoe het er voor staat. Ik reken op je dank
( [naam 3] ): Lenzen staan goed. Gecheckt op Phantom Flex
( [naam 2] ): Mooi om te horen. Zat de 18 erbij?
( [naam 3] ): Jazeker. De 18 is alleen wel metrisch, overige lenzen zijn imperial.
(…)”
3.11
Bij e-mailbericht van 5 april 2021 heeft NRF, voor zover hier relevant, het volgende aan CR medegedeeld:
“We hebben de volgende afspraak n.a.v. goedkeuring quote 17 voor een bedrag van 60k.
(…)
Volgens de offerte gaat het o.a. over het volgende lenzen pakket: Canon K35 standard set van 5 lenzen van 18mm t/m 85mm. Deze set is op jouw aanraden door [naam 3] getest. Alle lenzen zijn goed. Maar op aanraden van [naam 3] wordt de 18 en 24mm nog eens door de Poolse focus puller nagelopen voor het diafragma.
Het blijkt dat je de K35 lenzen nu toch uit het pakket op het pallet hebt gehaald. Dat betekent dus extra testen omdat alles reeds was getest. De set kan niet zomaar door een andere set worden vervangen, want dat levert een probleem op met de verzekering bij schade vanwege serienummers e.d.
[naam 3] kan mogelijk bij jullie de nieuwe lenzen even on de loupe nemen als ze er zijn.
Ik doe je het volgende voorstel: je levert ons het totale lenzen pakket K35 in het transport van a.s. woensdag. (…)”
3.12
Op 8 april 2021 is de filmapparatuur voor de eerste draaiperiode door transportbedrijf [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) naar IJsland verzonden en op dezelfde dag door NRF ontvangen. De eerste draaiperiode in IJsland was van 12 april tot en met 23 april 2021.
3.13
Bij e-mailbericht van 18 april 2021 heeft NRF, voor zover hier relevant, het volgende aan CR medegedeeld:
“Jullie weten dat er een hoop gedoe is over de apparatuur.
Volgens de Polen ontbrak er van alles en nog wat en moesten er alsnog weer dingen hier besteld worden.
Ik denk dat de Polen zijn uitgegaan van een andere lijst/offerte dan wat [naam 2] ( [naam 2] , hof) uiteindelijk met jullie heeft afgesproken. (…)”
3.14
Daarop heeft CR bij e-mailbericht van dezelfde dag, voor zover hier relevant, als volgt gereageerd:
“Kan iemand van de camee was camera team mij bellen aub. Ik snap niet als er iets aan de hand is. waarom gaat niemand bellen.
Kunnen wij dit morgen meteen oplossen?
Wij hebben niets gehoord.”
3.15
Bij e-mailbericht van 26 april 2021 heeft CR aan NRF het volgende, voor zover hier relevant, medegedeeld:
“Zoals afgesproken levert Camera Rentals de camera apparatuur voor The Hunter’s Son, zoals die voor de eerste periode naar IJsland is gestuurd, voor een totaal huurbedrag van €60.000 exclusief BTW.
Het totaal aantal van 42 draaidagen wordt verdeeld over drie draaiperiodes tussen begin april en eind september 2021, waarvan twee in IJsland en één in België. We hebben er alle begrip voor dat deze periodes nog niet helemaal vastliggen en zullen ons zo flexibel mogelijk opstellen.
Mail ons wel zo snel mogelijk de data voor de volgende twee periodes zodat we de apparatuur alvast voor jullie in optie kunnen zetten om zeker te weten dat ze voor jullie beschikbaar zal zijn.
Het totaalbedrag zullen we in drie deelnota’s factureren: 50% nu en twee keer 25%, bij aanvang van de volgende twee periodes. Laat ons graag het factuuradres en factuuromschrijving weten zodat we alles in een keer goed kunnen verwerken.(…)”
In reactie hierop schreef NRF, per e-mailbericht van 28 april 2021, onder meer “Alles redelijk goed gegaan hier”.
3.16
Op 30 april 2021 is de gehuurde filmapparatuur weer teruggekomen bij CR.
3.17
Op 9 mei 2021 heeft [naam 3] (onder meer) het volgende bericht aan [naam 2] gestuurd:
“Er heeft daarna nog n wissel van K-35 (12088-20099) plaatsgevonden. Die andere lenzen kon ik op 2de Paasdag niet meer checken op de Venice in FF.
Daarvoor heb ik toen een Phantom Flex met S35 sensor gebruikt.(…)”
3.18
Op 9 november 2021 heeft CR twee bedragen bij NRF in rekening gebracht (€ 42.350,- voor de eerste huurperiode en € 2.896,44 voor extra kosten i.v.m. verschuiving van de eerste draaiperiode en kosten voor beschadigde apparatuur aan NRF).
3.19
Bij e-mailbericht van 16 november 2021 heeft NRF bezwaar gemaakt tegen de facturen van 9 november 2021, onder meer vanwege klachten over de gehuurde apparatuur. Verder heeft NRF, voor zover hier relevant, daarin het volgende aan CR bericht:
“(…) Ondertussen heb ik een 2e draaiperiode in IJsland achter de rug. Door de bijzondere slechte ervaringen uit april met jullie apparatuur heb ik besloten om voor deze draaiperiode equipment in IJsland in te huren.
(…)
Daarnaast wil ik jullie een allerlaatste kans geven. Met de Sony Venice gaan we niet door zoals ook reeds medegedeeld. Ik verzoek jullie om een aangepaste offerte (…) Het gaat om 26 draaidagen excl. de 7 dagen die reeds geschoten zijn en waarvoor ik hierboven een zeer redelijk betalingsvoorstel heb gedaan.
Na eventuele aanvaarding van jullie offerte kunnen we over verdere
betalingscondities in gesprek gaan.(…)”
3.20
Bij e-mailbericht van 3 december 2021 heeft CR, voor zover hier relevant, op deze e-mail als volgt gereageerd:
“(…)
De afspraak was (…) 42 draaidagen in drie periodes waarvan twee op IJsland en één in België, (…) Wij hebben daaraan in onze bevestiging toegevoegd dat de periodes wat ons betreft flexibel konden zijn maar wel tussen begin april en eind september afgerond moesten zijn binnen deze afspraak en aangegeven dat de extra kosten gemaakt door het schuiven met de begindatum doorbelast zouden worden en zelfs het bedrag gespecificeerd. (…) We waren best bereid om binnen de prijsafspraak voor de tweede en derde periode af te wijken van het door jou bevestigde pakket ondanks de investeringen die we speciaal voor dit project gedaan hebben en waarvan we je van tevoren op de hoogte hebben gebracht. De toon van je e-mail dd 16 november 2021 en het feit dat jullie ons voor de tweede periode in IJsland niet eens hebben benaderd deden ons twijfelen over een voortzetting van de samenwerking. Je uitspraken in het telefoongesprek met [naam 1] gisteren bieden voor ons geen basis om verder nog gestes te doen. We zullen het restant van het afgesproken bedrag factureren en beschouwen dit project voor ons als beëindigd. Een laatste tegemoetkoming van onze kant is het verrekenen van de schades, vermissingen en de niet ingepakte monitor op deze factuur. (…)”
3.21
Op 7 december 2021 heeft CR een factuur met factuurnummer 20210948 naar NRF verzonden voor betaling van de twee resterende huurperiodes ad € 28.636.56 inclusief btw. Daarin zijn reeds gefactureerde kosten voor de missende/beschadigde apparatuur en het bedrag van de niet geleverde monitor in mindering gebracht.
3.22
Bij brief van 9 mei 2022 heeft de gemachtigde van CR NRF gesommeerd tot betaling van het openstaande bedrag plus wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten met aanzegging dat anders een gerechtelijke procedure zal worden aangespannen.
3.23
Op 20 juli 2022 heeft NRF een bedrag van € 12.100,- aan CR betaald.
3.24
De facturen van CR zijn verder onbetaald gebleven.
4.1
CR heeft NRF gedagvaard en gevorderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat,
NRF te veroordelen aan CR te betalen € 61.783,- met rente;
NRF te veroordelen aan CR te betalen € 1.392,83 aan buitengerechtelijke incassokosten, met rente;
NRF te veroordelen in de proceskosten met rente.
4.2
NRF heeft op haar beurt gevorderd (in reconventie), bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat,
CR te veroordelen aan haar te betalen € 6.738,- aan schadevergoeding;
CR te veroordelen aan haar te betalen € 2.500,- exclusief btw;
CR te bevelen de zogenaamde VUL-verklaring in te vullen binnen vijf dagen na dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat CR hieraan niet voldoet:
CR te veroordelen in de proceskosten met rente.
4.3
De kantonrechter heeft de vorderingen van CR grotendeels toegewezen. De reconventionele vordering van NRF om CR te veroordelen de VUL-verklaring in te vullen is eveneens toegewezen; de vordering tot betaling van schadevergoeding en € 2.500,- en tot de verbeurte van een dwangsom zijn afgewezen.
5.1
NRF wil dat het hof de vorderingen van CR alsnog afwijst. Verder heeft zij haar eis in reconventie gewijzigd. Zij vordert nu:
– de vordering in reconventie van appellante tot veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van € 6.738 alsnog toe te wijzen, welk bedrag na eiswijziging vermeerderd dient te worden met wettelijke rente vanaf 12 april 2021, althans 23 april 2021, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
– geïntimeerde te veroordelen tot vergoeding van de door appellante als gevolg van de
door geïntimeerde gepleegde wanprestatie geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
– op voorwaarde dat er nog een huurovereenkomst tussen partijen zou bestaan: de huurovereenkomt tussen partijen (geheel dan wel gedeeltelijk) te ontbinden, en geïntimeerde te veroordelen tot vergoeding van de schade die appellante daardoor heeft geleden en lijdt, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
één en ander met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, en onder veroordeling van geïntimeerde tot terugbetaling van € 72.066,07, althans van al hetgeen appellante op basis van het vonnis te veel aan geïntimeerde heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 augustus 2023, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele terugbetaling.
5.2
CR concludeert (in principaal appel) tot bekrachtiging van het vonnis, behalve voor zover daarin de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten is afgewezen; en vordert in incidenteel hoger beroep:
– NRF alsnog te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke
incassokosten van € 1.392,83, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest en, voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit arrest tot aan de dag der algehele voldoening;
– NRF te veroordelen in de werkelijke proceskosten, tot op heden begroot op € 10.164;
– als uw Hof de werkelijke proceskosten niet toewijst, NRF te veroordelen in de
kosten van het geding in hoger beroep;
– e.e.a. met nakosten en rente.
5.3
NRF concludeert (in incidenteel appel) tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van CR in de kosten van het incidenteel appel.
6.1
NRF heeft acht grieven aangevoerd. Het hof zal eerst grief III behandelen, waarmee NRF opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter (2.6-2.8 en 4.8) dat NRF offerte 17 van CR heeft aanvaard, waardoor tussen partijen een overeenkomst met een inhoud en strekking conform die offerte tot stand is gekomen.
De overeenkomst
6.2
CR vordert primair nakoming van de overeenkomst met NRF. CR stelt dat zij op 17 maart 2021 offerte 17 aan NRF heeft gestuurd en dat partijen diezelfde dag telefonisch overleg hebben gehad, waarbij overeenstemming werd bereikt over die offerte voor een bedrag van € 60.000,- ex btw. Vervolgens heeft CR ter bevestiging de e-mail van 17 maart 2021 (zie 3.5) gestuurd. Dat NRF de offerte heeft geaccepteerd, blijkt uit de in antwoord op voornoemde mail gestuurde e-mail van 18 maart 2021 waarin NRF akkoord geeft (zie 3.6) en de e-mail van 5 april 2021 (zie 3.11). In die e-mail is opgenomen dat offerte 17 is goedgekeurd. Van het overeengekomen huurbedrag van € 60.000,- ex btw is € 12.100,- door NRF betaald, en er is een bedrag afgetrokken voor vermiste/beschadigde items en een niet geleverde monitor. Het bedrag dat na optellen en aftrekken resteert bedraagt € 58.886,56 en dat moet NRF betalen, aldus CR.
6.3
NRF erkent dat zij met CR is overeengekomen dat zij voor 42 draaidagen, verdeeld over drie periodes, filmapparatuur zou huren voor een bedrag van € 60.000,- ex btw, maar zij voert aan offerte 17 niet te hebben geaccepteerd.
6.4
Het hof overweegt dat de stelling van CR dat offerte 17 is geaccepteerd onder meer wordt onderbouwd door de hiervoor in 6.2 genoemde e-mails en door een WhatsApp uitwisseling op 3 april 2021 tussen [naam 2] en [naam 1] , waarin [naam 2] schrijft ‘Dus leveren offerte 17 wat is overeengekomen’. De visie van NRF dat zowel de opmerking in de e-mail van 5 april 2021 dat offerte 17 is goedgekeurd, als het WhatsApp-bericht van 3 april 2021 duidelijk een vergissing betreffen, deelt het hof niet. Anders dan NRF betoogt, blijkt dat ook niet uit de context van die berichten. In elk geval mocht CR die berichten, ook als de vermelding van offerte 17 daarin wel een vergissing zou betreffen, opvatten als acceptatie van de offerte, zodat NRF op die vergissing geen beroep kan doen (zie artikel 3:35 BW).
6.5
Gezien de hiervoor bedoelde stukken, en de aanloop naar de overeenkomst zoals geschetst door CR, had het op de weg van NRF gelegen aan te geven en te onderbouwen hoe en op welk moment de door haar gestelde overeenkomst, eveneens met een huurprijs van € 60,000,- ex btw, maar op basis van een andere offerte, tot stand is gekomen. De enkele stelling dat zij met haar e-mail van 18 maart 2021 niet offerte 17, maar offerte 13 accepteerde, is daarvoor onvoldoende. Het gevolg is dat NRF de stelling dat offerte 17 door haar is geaccepteerd onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan.
6.6
NRF betwist in dit verband (voorts) dat partijen hebben afgesproken dat de draaiperiodes zouden plaatsvinden tussen begin april en eind september 2021. Zij citeert ter onderbouwing van dat standpunt de in de e-mail van 26 april 2021 van CR (zie 3.15), opgenomen zinsnede ‘We hebben er alle begrip voor dat deze periodes nog niet helemaal vastliggen (…).’ Het hof stelt, met CR, vast dat de daaraan voorafgaande zin luidt: ‘Het totaal aantal van 42 draaidagen wordt verdeeld over drie draaiperiodes tussen begin april en eind september 2021, waarvan twee in IJsland en één in België.’, hetgeen de stelling van CR juist onderbouwt.
6.7
Daarnaast is van belang de e-mail van 19 maart 2021 (zie 3.7) waarin [bestuurder] als laatste draaiperiode augustus/september 2021 noemt.
6.8
Uit het voorgaande komt het volgende beeld naar voren. Oorspronkelijk is – blijkens offerte 17 en ook de eerdere offertes – afgesproken, althans besproken, dat de apparatuur beschikbaar zou worden gesteld voor 42 dagen, verdeeld over drie draaiperiodes, in de eerste twee kwartalen van 2021. Bij (in elk geval) de e-mail van 19 maart 2021 heeft NRF vervolgens kenbaar gemaakt dat de laatste periode in augustus/september zou plaatsvinden, waarmee CR blijkens haar e-mail van 26 april 2021 heeft ingestemd. Een taalkundige uitleg van die laatste e-mail duidt ook op drie draaiperiodes in het tijdvak begin april tot eind september 2021, waarbij die periodes nog niet helemaal vastlagen, maar het tijdvak wel.
6.9
NRF heeft nog aangevoerd dat in de coronaperiode bedrijven rekening hielden met de moeilijkheden waarmee producenten uit de audiovisuele branche te kampen hadden en dat er in de filmindustrie altijd wordt gewerkt met streefdata, zodat het tijdvak ook tussen NRF en CR niet vastligt.
Het hof overweegt dat een algemeen gebruik in een bedrijfstak een rol kan spelen bij de uitleg van een overeenkomst tussen twee bedrijven in de bedrijfstak. Van een gebruik zoals door NRF wordt voorgestaan, waarbij de huurprijs en het aantal draaidagen vastligt, maar een uiterste datum voor die draaidagen (en daarmee voor het gebruik van de apparatuur) niet wordt overeengekomen, is echter niet gebleken. NRF heeft ook niet toegelicht hoe die door haar gestelde flexibiliteit juridisch of praktisch vormgegeven wordt. Zij heeft ook niet betwist dat haar uitleg van de overeenkomst met zich zou brengen dat zij tot het einde der dagen een beroep zou kunnen doen op het gebruik van de apparatuur gedurende de overgebleven hoeveelheid draaidagen. Dat standpunt kan, zeker zonder nadere toelichting, in redelijkheid geen stand houden.
6.10
Daarbij komt dat als gebruiken in de filmindustrie, al dan niet in combinatie met de coronapandemie, CR wel aanleiding zouden hebben moeten geven tot het verlengen van het tijdvak waarbinnen de draaiperiodes konden plaatsvinden tot na eind september, van NRF verwacht mocht worden dat zij daarover voor het einde van het tijdvak contact had opgenomen met CR. Dat heeft NRF niet gedaan. Zij heeft niet gereageerd op de verzoeken van CR om nieuwe draaiperiodes door te geven en is uiteindelijk in zee gegaan met derden. In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat NRF haar verplichtingen uit de overeenkomst, zijnde betaling van de huursom, moet nakomen.
6.11
Voor zover NRF heeft willen stellen dat de door haar gestelde wanprestatie van CR recht geeft op verlenging van het tijdvak, heeft te gelden dat daarvoor geen steun is te vinden in het recht.
6.12
Ook de e-mailcorrespondentie tussen partijen van 16 en 18 november 2021 is onvoldoende om tot een uitleg van de overeenkomst te komen die ertoe leidt dat deze op dat moment nog voortduurde. De e-mail van 16 november 2021 van NRF (zie 3.19) is daarvoor onvoldoende, temeer omdat zij daarin onder meer schrijft dat na eventuele aanvaarding van de offerte in gesprek kan worden gegaan over verdere betalingscondities. Dat duidt op een nieuwe overeenkomst. Dat CR naar aanleiding daarvan heeft gevraagd om een lijst van apparatuur, maakt dat niet anders. Uit die reactie van CR kan wel worden afgeleid dat zij mogelijk bereid was een nieuwe huurovereenkomst te sluiten, en mogelijk bereid was dan de (ten aanzien van de oorspronkelijke overeenkomst overeengekomen) betalingscondities aan te passen, maar nu zij geen offerte heeft gestuurd en er dus ook geen nieuwe offerte is aanvaard, kan daar geen beroep op worden gedaan.
6.13
Uit het voorgaande volgt dat de overeenkomst in december 2021 reeds was geëindigd, zodat de e-mail van 3 december 2021 van CR waarin deze laat weten het project als beëindigd te beschouwen reeds daarom niet als een ontbinding kan worden gezien. Het zelfde geldt voor daarna volgende mededelingen namens NRF dat zij de overeenkomst ontbindt.
Gehele huurtermijn verschuldigd?
6.14
NRF heeft aangevoerd dat zij de apparatuur maar zeven dagen heeft gebruikt, en het verschuldigde huurbedrag dus maar een zesde van het voor een periode van 42 draaidagen verschuldigde bedrag bedraagt.
6.15
Het hof gaat hier niet in mee. Uit de eigen stellingen van NRF volgt dat partijen hebben afgesproken dat CR 42 draaidagen lang apparatuur ter beschikking zou stellen, voor een bedrag van € 60.000,- (ex btw). Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt daarnaast dat het tijdvak waarbinnen die draaidagen zouden liggen eind september 2021 afliep. NRF heeft er zelf voor gekozen binnen die periode geen gebruik te maken van de haar nog resterende dagen. Dat betekent echter niet dat zij – in afwijking van wat partijen zijn overeengekomen – ook maar voor slechts zeven dagen hoeft te betalen.
6.16
Het bovenstaande leidt ertoe dat NRF de gehele huursom moet betalen.
Wanprestatie
6.17
In het vonnis (4.11) heeft de kantonrechter overwogen dat zij niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de door NRF gestelde wanprestatie, omdat NRF heeft nagelaten een rechtsgevolg aan haar beroep op wanprestatie te verbinden. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de betalingsverplichting van NRF in stand is gebleven. Evenmin heeft zij schadevergoeding aan NRF toegekend.
6.18
Met haar grieven IV, V en VI komt NRF op tegen dat oordeel. NRF heeft aangevoerd dat CR minimaal één verkeerde lens heeft laten bezorgen (een 18mm lens met een andere lichtsterkte) en dat ook overigens de apparatuur in het geheel niet in orde was. Op grond van die tekortkomingen moet de overeenkomst (partieel) worden ontbonden en moet CR worden veroordeeld tot schadevergoeding, aldus NRF.
6.19
NRF stelt in de eerste plaats dat er een wijziging heeft plaatsgevonden tussen offerte 17 en eerdere offertes. CR heeft een andere 18mm lens (een T2.8) afgegeven dan de overeengekomen lens (een T1.5). Door NRF hier niet op te wijzen en niet de door NRF beoogde lens te leveren, is er volgens NRF sprake van wanprestatie.
6.20
CR betwist dat er een andere lens is verstrekt dan overeengekomen. In het op 23 en 24 maart 2021 door [naam 3] geteste pakket zat een verkeerde lens, waarna deze is vervangen door de juiste.
6.21
Het hof stelt vast dat (ook volgens de stellingen van NRF) offerte 17 zag op de apparatuur die NRF gedurende de eerste draaiperiode zou gebruiken. Daarbij heeft NRF aangevoerd dat de naar IJsland gestuurde 18mm lens de in offerte 17 opgenomen lens is. Wanneer, zoals hiervoor is vastgesteld, die offerte is geaccepteerd, valt niet in de zien waarom CR andere, in eerdere offertes voorkomende, lenzen ter beschikking had moeten stellen, of had moeten waarschuwen dat er een wijziging had plaatsgevonden in de in offerte 17 opgenomen lenzen ten opzichte van eerdere offertes.
6.22
NRF heeft nog verwezen naar de WhatsApp-conversatie opgenomen in 3.9 hierboven, waarin [naam 1] aan [naam 2] schrijft: “Het blijft dezelfde set als van de eerste test.. niets is veranderd”. Uit het daaraan voorafgaande, niet door NRF geciteerde, bericht van [naam 2] blijkt echter dat [naam 1] reageert op de aanname van [naam 2] dat de (gehele) eerder geteste set lenzen niet langer beschikbaar was en NRF een andere set lenzen zou krijgen. Tegen die achtergrond is het feit dat de bevestiging dat het dezelfde set was (achteraf) niet juist bleek ten aanzien van (alleen) de 18mm lens, omdat de – niet overeengekomen – 18mm T1.5 werd vervangen door de – wel overeengekomen – 18mm T2.8 hooguit ongelukkig te noemen. Het is echter niet relevant voor het antwoord op de vraag of CR wanprestatie heeft geleverd. Daarbij is van belang dat de uiteindelijk verstuurde T2.8 lens, bij de tweede, eveneens door [naam 3] voor NRF, uitgevoerde test, is bekeken (zie 3.10) en akkoord is bevonden, en hij blijkens zijn bericht aan [naam 2] op 9 mei 2021 (zie 3.17) ook wist dat de 18mm lens was verwisseld. Indien, zoals NRF aanvoert, die tweede uitgevoerde test van de 18mm T2.8 lens niet uitvoerig genoeg was, komt dat voor rekening van NRF.
6.23
De slotsom is dat CR geen wanprestatie heeft geleverd door een andere 18mm lens te leveren dan overeengekomen. De daarop gebaseerde vordering tot (partiële) ontbinding van de overeenkomst moet dus worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor een vordering van schadevergoeding als gevolg van die gestelde wanprestatie.
6.24
Ten aanzien van de vorderingen uit hoofde van wanprestatie met betrekking tot de overige apparatuur, overweegt het hof als volgt.
6.25
CR betwist dat er gedeeltelijk andere apparatuur is aangeleverd dan was overeengekomen (afgezien van het ontbreken van een monitor, zie hierna onder 6.34) en dat er apparatuur niet in orde was. Zij voert aan dat NRF dat destijds ook niet heeft laten weten. Als NRF wel had laten weten dat er iets mis was, had CR andere apparatuur naar IJsland kunnen sturen, of voor NRF apparatuur in IJsland kunnen huren.
6.26
Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding heeft artikel 6:74 BW tot uitgangspunt te gelden. Dat artikel bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, moet er sprake zijn van verzuim.
6.27
Ten aanzien van de (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst geldt het volgende. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Daarbij geldt ingevolge artikel 6:265 lid 2 BW dat, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat, wanneer de schuldenaar in verzuim is.
6.28
Artikel 6:82 lid 1 BW bepaalt dat verzuim intreedt wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Ingevolge art. 6:82 lid 2 BW kan, indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld.
6.29
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het wat betreft de in artikel 6:82 (en artikel 6:83 BW) vervatte hoofdregels en uitzonderingen omtrent ingebrekestelling en verzuim niet zozeer gaat om strakke regels die de schuldeiser, na raadpleging van de wet, in de praktijk naar de letter zal kunnen toepassen. Deze bepalingen beogen veeleer de rechter de mogelijkheid te geven om in de gevallen dat partijen – zoals meestal – zonder gedetailleerde kennis van de wet hebben gehandeld, tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hen mocht worden verwacht (zie HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581). Onder omstandigheden kan een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven en de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt (HR 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4358).
6.30
Tegen die achtergrond overweegt het hof als volgt, waarbij het er veronderstellenderwijs van uit zal gaan dat er sprake was van een tekortkoming met betrekking tot de apparatuur.
6.31
Van een schriftelijke aanmaning in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW is niet gebleken. Evenmin is er sprake van een mededeling als bedoeld in artikel 6:82 lid 2 BW. Ook is er geen sprake van omstandigheden zoals bedoeld in 6.29. Dit was mogelijk anders geweest indien NRF, nadat zij de e-mail van 18 april 2021 (zie 3.13) aan CR had gestuurd, en CR had geantwoord met het verzoek gebeld te worden (zie 3.14), contact met CR had opgenomen om de situatie te bespreken en CR de kans had gegeven tot een oplossing te komen. NRF heeft echter, naar CR onbetwist heeft gesteld, pas na afloop van de draaiperiode weer contact opgenomen.
6.32
NRF heeft (ook) aangevoerd dat nakoming blijvend onmogelijk was. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij een verklaring van transporteur [bedrijf] overgelegd, waarin deze antwoord geeft op de vraag van NRF of hij in april 2021 tijdig apparatuur kon naleveren in IJsland.
6.33
Het hof overweegt dat uit de verklaring van [bedrijf] weliswaar volgt dat hij het onmogelijk acht dat de apparatuur door hem indertijd op korte termijn naar IJsland gebracht of verzonden had kunnen worden, maar uit de verklaring kan niet worden opgemaakt dat het onmogelijk was apparatuur naar IJsland te vervoeren, of dat geen enkele transporteur dat tijdig kon doen. Daarbij komt dat, zoals CR heeft aangevoerd, NRF kennelijk zelf apparatuur op IJsland heeft kunnen huren om de eerste draaiperiode af te ronden, zij het, naar eigen zeggen, niet op de wijze die zij voor ogen had, en heeft zij voor de tweede draaiperiode (alle) apparatuur gehuurd in IJsland, waaruit moet worden afgeleid dat er verhuurmogelijkheden waren op IJsland. In die situatie mocht NRF niet concluderen dat nakoming onmogelijk was voor CR en komen de gevolgen van het aan CR onthouden van de mogelijkheid alsnog na te komen, zeker nu zij dit wel heeft aangeboden, voor rekening van NRF.
6.34
Ten aanzien van de missende monitor geldt dat CR heeft erkend dat zij die niet heeft verstuurd. Zij stelt echter dat zij heeft voorgesteld die op eigen kosten alsnog – en op tijd – te versturen, maar dat NRF geen gebruik van dat aanbod heeft gemaakt. NRF betwist dit aanbod te hebben ontvangen. Wat daar ook van zij, CR heeft de kosten van de monitor vergoed door die af te trekken van de verschuldigde huursom. Bovendien heeft NRF niet gesteld dat zij schade heeft geleden doordat zij niet over de monitor kon beschikken. De op de ontbrekende monitor gebaseerde vordering tot schadevergoeding moet dus worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor een daarop gebaseerde vordering tot gedeeltelijke ontbinding. Het ontbreken van de monitor rechtvaardigt niet de gehele ontbinding van de overeenkomst.
6.35
De conclusie van het bovenstaande is dat de grieven III tot en met VI falen.
Overige grieven in principaal appel
6.36
Grief I van NRF richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de algemene voorwaarden van CR van toepassing zijn op de overeenkomst met NRF. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat NRF geen belang heeft bij deze grief. Verdere bespreking daarvan kan dus achterwege blijven. Hetzelfde geldt voor grief II van NRF. Deze luidt dat de kantonrechter ten onrechte op basis van de algemene voorwaarden een schadevergoeding ter hoogte van de totale huurprijs heeft toegewezen. Daargelaten of de door de kantonrechter toegewezen vordering inderdaad schadevergoeding betreft, en of de algemene voorwaarden daarbij een rol hebben gespeeld, volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat NRF uit hoofde van nakoming, ook zonder het van toepassing zijn van de algemene voorwaarden, vergoeding van de huursom is verschuldigd.
6.37
Met grief VII voert NRF aan dat CR onwaarheden heeft verkondigd ten aanzien van facturen, die door haar zijn overgelegd ter onderbouwing van de investeringen die zij zegt te hebben gedaan. Het hof overweegt dat deze grief niet kan leiden tot vernietiging van het vonnis, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.
6.38
Met haar grief VIII komt NRF op tegen de veroordeling van haar in de proceskosten in eerste aanleg. Uit het voorgaande volgt dat NRF terecht als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is aangemerkt, zodat deze grief faalt.
6.39
Het hof passeert het bewijsaanbod van NRF, omdat er geen feiten zijn aangeboden die, indien bewezen, leiden tot een andere beslissing.
Incidenteel appel
6.40
CR heeft in incidenteel appel twee grieven aangevoerd. Haar eerste grief richt zich tegen (de overwegingen van de kantonrechter die leiden tot) de afwijzing van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (BIK). Zij voert aan, met verwijzing naar een namens CR verstuurde brief en twee e-mailberichten, dat de verrichte werkzaamheden meer behelzen dan het versturen van enkele gestandaardiseerde stukken.
6.41
Het hof is het daar mee eens. De grief slaagt. Het hof zal de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toewijzen tot een bedrag van € 1.363,87 (in plaats van het gevorderde € 1.392,83), omdat bij de berekening daarvan, op grond van de staffel buitengerechtelijke incassokosten, moet worden uitgegaan van de toegewezen vordering. NRF heeft daar in eerste aanleg ook op gewezen. Het bestreden vonnis voor wat betreft de afwijzing van die vordering zal het hof vernietigen.
6.42
CR vordert voorts veroordeling van NRF in de volledige proceskosten. Zij voert daartoe aan dat, samengevat, NRF schadevergoeding vordert, hetgeen haar eigen betalingsverplichting niet kan wegnemen; dat ook de grieven met betrekking tot de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden dat niet kunnen; dat de vordering tot ontbinding geen kans van slagen heeft omdat deze op tegenstrijdige stellingen is gebaseerd; dat de stelling dat nakoming blijvend onmogelijk was op tegenstrijdige stellingen is gebaseerd; en dat er evident geen sprake van verzuim is.
6.43
Het hof neemt het volgende tot uitgangspunt. Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan volgens vaste rechtspraak alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden. Daarbij dient te worden gedacht aan onrechtmatig handelen of misbruik van procesrecht. Hiervan is sprake indien de verweerder zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, omdat (ook) de verweerder het mede door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter heeft, hetgeen omvat dat hij zich in rechte mag verdedigen.
6.44
Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een situatie dat het verweer van NRF, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van CR achterwege had behoren te blijven. De omstandigheden die NRF aanvoert, waaronder de omstandigheid dat NRF volgens CR tegenstrijdige stellingen in heeft genomen, zijn hiervoor – mede gelet op de terughoudende toets – onvoldoende. De tweede grief in incidenteel appel faalt.
Conclusie en proceskosten
6.45
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van NRF niet slaagt. Het incidenteel hoger beroep van CR slaagt alleen ten aanzien van de vordering voor buitengerechtelijke incassokosten. Het hof zal het bestreden vonnis daarom vernietigen voor zover het de afwijzing van de vordering voor buitengerechtelijke incassokosten betreft en het vonnis voor het overige bekrachtigen.
6.46
Het hof zal NRF als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Het hof begroot deze proceskosten aan de zijde van CR op:
griffierecht € 2.175,-
salaris advocaat € 4.704,- (2 punten × tarief IV)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.068,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over deze proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
6.47
Het hof zal, nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, de proceskosten in incidenteel hoger beroep compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
– vernietigt het vonnis van 11 augustus 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, uitsluitend voor zover daarbij de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten is afgewezen;
en in zoverre opnieuw recht doende:
– veroordeelt NRF tot betaling aan CR van € 1.363,87 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als NRF deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
– bekrachtigt het vonnis voor het overige;
– veroordeelt NRF in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van CR begroot op € 7.068,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als NRF deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
– compenseert de proceskosten in incidenteel appel, in die zin dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;
– bepaalt dat als NRF niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, NRF de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als NRF deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
– verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
– wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. P. Volker, mr. J.S. Honée en mr. M. Holthuis en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.