Worsteling tussen twee personen waarbij een schot is gevallen uit het doorgeladen vuurwapen dat verdachte in zijn hand had. Vrijspraak van poging tot doodslag (anders dan rechtbank) en poging tot zware mishandeling. Op basis van het dossier kan niet boven redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte het vuurwapen opzettelijk heeft afgevuurd. Evenmin sprake van voorwaardelijk opzet nu d...
ECLI:NL:GHDHA:2026:2336
text/xml
public
2026-08-04T14:56:35
2026-07-17
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Den Haag
2026-07-17
22-000038-25
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Den Haag
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2336
text/html
public
2026-08-04T14:56:10
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHDHA:2026:2336 Gerechtshof Den Haag , 17-07-2026 / 22-000038-25
Worsteling tussen twee personen waarbij een schot is gevallen uit het doorgeladen vuurwapen dat verdachte in zijn hand had. Vrijspraak van poging tot doodslag (anders dan rechtbank) en poging tot zware mishandeling. Op basis van het dossier kan niet boven redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte het vuurwapen opzettelijk heeft afgevuurd. Evenmin sprake van voorwaardelijk opzet nu de worsteling plotseling en voor de verdachte onvoorzien is ontstaan.
Rolnummer: 22-000038-25
Parketnummers: 10-129928-23
02-136195-20 (TUL)
Datum uitspraak: 17 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2024 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
thans gedetineerd in [naam P.I.] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (poging tot doodslag) en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest en is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts is beslist omtrent het inbeslaggenomen voorwerp, de vordering van de benadeelde partij en over de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 23 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een pistool, althans een vuurwapen, heeft geschoten op het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 23 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Ekol, kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd onder aanvulling van gronden, te weten het psychiatrisch onderzoek pro justitia d.d. 6 februari 2026, opgesteld door A.C. Hoek, en het psychologisch onderzoek pro justitia d.d. 23 februari 2026, opgesteld door drs. A.C.J. Schrama.
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde nu niet wettig en overtuigend is bewezen dat hij (voorwaardelijk) opzettelijk heeft geschoten. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat aan de verdachte een beroep op noodweer toekomt ten aanzien van dit feit.
Het hof overweegt als volgt.
Op 23 mei 2023 heeft op de Stationssingel in Rotterdam, vlakbij het Centraal Station en ter hoogte van daar staande fietsenrekken, tussen aangever en de verdachte een woordenwisseling plaatsgevonden gevolgd door een onderlinge vechtpartij op het naastgelegen trottoir aan de Stationssingel. Aangever [slachtoffer] is toen getroffen door een kogel afkomstig uit het vuurwapen dat de verdachte bij zich had. Aangever en verdachte hebben beiden verklaringen afgelegd over wat er die dag is voorgevallen, zowel wat betreft de confrontatie waarbij het schot is gevallen als wat betreft hetgeen daaraan vooraf is gegaan. Hun verklaringen over wat er toen is voorgevallen, staan haaks op elkaar.
De lezing van aangever luidt als volgt. Het betrof een toevallige ontmoeting tussen hem en de verdachte. Aangever kende de verdachte niet. Aangever wilde gaan eten in restaurant [naam restaurant] en werd geroepen door een man. Uit het dossier blijkt dat met deze man de medeverdachte [medeverdachte] bedoeld wordt. Aangever vroeg wat er aan de hand was, maar daar werd niet op gereageerd. Nadat aangever zijn auto had geparkeerd en richting het restaurant liep, werd hij nogmaals aangesproken door [medeverdachte] . Hij wees aangever erop dat hij was aangeroepen door de verdachte. Aangever liep vervolgens naar de verdachte toe die zich tussen de fietsenrekken bevond, en vroeg hem om opheldering. Bij de rechter-commissaris heeft de aangever voor het eerst verklaard dat er door een onbekende om een sigaret werd gevraagd en hij die aan de verdachte wilde geven. Nadat de rechter-commissaris hem met de camerabeelden had geconfronteerd, antwoordde de aangever dat hij daar met de verdachte in gesprek was en de verdachte om een sigaret vroeg, maar dat hij geen sigaret voor hem had. De verdachte bedreigde hem toen met een vuurwapen en zei “pak je spullen”. Toen aangever hierop een stap naar voren deed, haalde de verdachte de trekker van het vuurwapen over dat hij in zijn hand had en werd aangever getroffen door een kogel.
De verdachte heeft een geheel andere lezing gegeven van de gebeurtenissen. Hij heeft verklaard dat er van een toevallige ontmoeting geen sprake was. Hij en medeverdachte [medeverdachte] hadden eerder die dag, voor het schietincident, contact gehad met aangever en ook met hem gesproken in diens auto. Onderwerp van gesprek was onder andere de verkoop van het vuurwapen van de verdachte aan aangever. De ontmoeting was dus niet toevallig, maar een afgesproken ontmoeting waarbij de verdachte tegen betaling van een geldbedrag het vuurwapen zou overhandigen aan aangever. De verdachte heeft voorts verklaard dat de verdachte op de afgesproken plek dreigend op hem af kwam lopen en de indruk wekte dat hij het wapen van hem af wilde pakken en zonder betaling wilde meenemen. De verdachte wilde het vuurwapen toen niet afgeven aan of laten afpakken door aangever. Niet alleen omdat aangever kennelijk niet wilde betalen, maar ook omdat hij de verdachte bedreigde. Hij zou gezegd hebben “Ik ga je schieten”, waarbij hij ook naar zijn broeksband greep. De verdachte kreeg hierdoor de indruk dat ook aangever in het bezit was van een vuurwapen. Vervolgens ontstond tussen beiden een schermutseling om het bezit van het vuurwapen, waarbij het vuurwapen is afgegaan. Van een bewust en gericht schieten op aangever door de verdachte, zoals aangever heeft verklaard, was volgens de verdachte geen sprake.
Het dossier bevat, naast de verklaringen van aangever en de verdachte, getuigenverklaringen, camerabeelden, de beschrijving van die beelden door de politie en het berichtenverkeer tussen medeverdachte [medeverdachte] en aangever. Verschillende getuigen hebben wel knallen gehoord en een vechtpartij gezien, maar geen van de getuigen heeft daadwerkelijk gezien dat er (gericht) geschoten is. Medeverdachte [medeverdachte] heeft zich bij alle verhoren door de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Op basis van de camerabeelden, de beschrijving van die beelden door de politie (p.165-181 politiedossier) en het berichtenverkeer, concludeert het hof dat de verklaringen van aangever, afgelegd tegenover de politie en de rechter-commissaris, zoveel onjuistheden en tegenstrijdigheden bevatten, dat ze onbruikbaar zijn voor het bewijs. Het hof legt die verklaringen dan ook terzijde. Het hof is van oordeel dat, gelet op de resterende bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, de lezing van de verdachte over hoe het schietincident heeft plaatsgevonden niet kan worden weerlegd met bewijsmiddelen of aan de hand van aan bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden. Evenmin kan geoordeeld worden dat de lezing van de verdachte niet aannemelijk is geworden dan wel als volstrekt onaannemelijk ter zijde kan worden gesteld. Zo is op de camerabeelden te zien dat de aangever versneld komt aanlopen richting de fietsenrekken, terwijl hij een aantal keer naar zijn hoofd wijst, direct naar de verdachte toeloopt waarop de verdachte van hem wegloopt. Daarop ontstaat tussen de aangever en de verdachte een woordenwisseling – eindigend in een vechtpartij op het trottoir – waarbij het vuurwapen dat de verdachte op dat moment in zijn rechterhand heeft, op de grond valt. Tenslotte biedt de plaats waar aangever geraakt is – een doorschotwond beginnend in de lies en eindigend in de bil – naar het oordeel van het hof steun aan de lezing van de verdachte inhoudende dat het vuurwapen (onbedoeld) is afgegaan tijdens de worsteling. Wanneer de verdachte gericht op aangever geschoten had met als doel hem dodelijk te treffen of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, was een andere plek om hem te raken veel logischer geweest. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet boven redelijke twijfel verheven worden vastgesteld dat de verdachte het vuurwapen opzettelijk heeft afgevuurd.
Betoogd zou nog kunnen worden dat de verdachte wel de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat dit wapen tijdens een worsteling zou afgaan. Uit de door hem ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring blijkt immers dat hij wist dat het vuurwapen was doorgeladen en dat hij dus met een doorgeladen vuurwapen in een worsteling is terechtgekomen. Blijkens diezelfde verklaring van de verdachte is die worsteling evenwel plotseling en voor hem onvoorzien ontstaan. Dat maakt dat het hof evenmin voorwaardelijk opzet op het schieten kan vaststellen.
Alles overziend concludeert het hof dat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat om tot het oordeel te kunnen komen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde. De verdachte wordt dan ook integraal van dit feit vrijgesproken.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.hij op of omstreeks 23 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Ekol, kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft te Rotterdam een geladen pistool voorhanden gehad. Tegen onbevoegd wapenbezit dient krachtig te worden opgetreden. Het grote aantal slachtoffers van vuurwapengeweld en de (mede) daardoor veroorzaakte gevoelens van onveiligheid in de samenleving onderstrepen de noodzaak hiervan. Het hof rekent het de verdachte daarbij extra aan dat dit vuurwapen ook daadwerkelijk is afgegaan terwijl hij het voorhanden had, als gevolg waarvan aangever gewond is geraakt. Daar komt bij dat dit alles plaatsvond in het openbaar, pal bij het – ook toen – drukke Centraal Station.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie, meest recent op 29 maart 2023 en waaruit ook blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het psychiatrisch onderzoek pro justitia d.d. 6 februari 2026 opgesteld door psychiater Hoek en het psychologisch onderzoek pro justitia d.d. 23 februari 2026 opgesteld door psycholoog Schrama. Uit deze rapportages volgt dat de verdachte enkel heeft meegewerkt aan het psychologisch onderzoek. De psycholoog concludeert dat er sprake is van schizofrenie, een ongespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis, alcohol en een stimulantium, alle drie in remissie in een gereguleerde omgeving. Hiervan was sprake ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. De psycholoog kan niet schetsen hoe de stoornissen hebben doorgewerkt in het delict en kan ook niet adviseren over de toerekening. Wel wordt het risico op herhaling hoog geschat. Er zijn veel risicofactoren die de kans op herhaling beïnvloeden. De verdachte heeft in het verleden meermalen geweld gebruikt en andere antisociale gedragingen vertoond waarvoor hij veroordeeld is. Er is sprake van een psychotische stoornis die zich vermoedelijk in de laatst vijf jaar gemanifesteerd heeft. De verdachte heeft zich meermalen aan behandeling en/of toezicht onttrokken. Al langer is er sprake van middelengebruik. Mogelijk speelt een trauma uit het verleden een rol, daarnaast is verdachte in een problematische opvoedingssituatie grootgebracht. Het ontbreekt verdachte aan inzicht in en besef van zijn stoornis die ervoor zorgt dat betrokkene op meer fronten instabiliteit laat zien zoals wisselende stemming, plotselinge boosheid, roekeloosheid. De psycholoog concludeert dat de verdachte zonder interventies professionele ondersteuning mist die hij nodig heeft gelet op zijn kwetsbaarheid. De verdachte is niet in staat zijn leefomstandigheden zelfstandig op een positieve manier te beïnvloeden, daarnaast zijn zorgen omtrent de behandeltrouw. Stress en gebrek aan coping vaardigheden vergroten de kans op herhaling. Er kunnen nauwelijks beschermende factoren benoemd worden: enigszins van belang zijn zijn intellectuele vermogens en de hechte band in zijn kindertijd opgebouwd. De hulpverlening in de vorm van detentie zorgt voor een gestructureerd leefmilieu waarin enige stabiliteit wordt bereikt, iets dan na zijn detentie noodzakelijk wordt geacht.
Gelet op de conclusies van de deskundigen ziet het hof geen aanleiding om het onder 2 tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Nu de verdachte bovendien wordt vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat er onvoldoende termen zijn om de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van de verdachte te gelasten.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur – die de verdachte reeds in voorarrest heeft ondergaan – een passende en geboden reactie vormt. Gelet op de zorgelijke problematiek van de verdachte ziet het hof aanleiding om aan de verdachte na te melden bijzondere voorwaarden op te leggen teneinde hem ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij open staat voor hulp.
Het hof is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als hij onbehandeld en zonder begeleiding terugkeert in de samenleving. Het hof zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Nu de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en het hof niet de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege zal gelasten, zijn de gronden en bezwaren die aan de voorlopige hechtenis van de verdachte ten grondslag lagen thans niet langer aanwezig. Het hof de voorlopige hechtenis van de verdachte daarom opheffen, welk bevel apart wordt geminuteerd.
Nu het strafvorderlijk belang zich daartegen niet langer verzet, zal het hof de teruggave van nader te noemen in beslag genomen voorwerp aan de verdachte gelasten.
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade en toekomstige schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 12.769,80. Grondslag van de vordering is het onder 1 tenlastegelegde.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 12.769,80.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij conform de beslissing van de rechtbank, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 5 januari 2021 onder parketnummer 02-136195-20 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met bevel dat die gevangenisstraf onder andere niet tenuitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van drie jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die
niet-tenuitvoergelegde straf gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
Naar het oordeel van het hof zijn er echter gelet op de duur dat de verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten in samenhang bezien met de op te leggen straf geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich meldt bij de reclassering. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. dat de verdachte zich, als de reclassering dat noodzakelijk acht, ambulant gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal innemen.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
– meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
– meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
– 1 STK Telefoontoestel, zoals genoemd onder 1 op de bijgevoegde beslaglijst.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Wijst af de vordering van de officier van justitie, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 5 januari 2021, parketnummer 02-136195-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Dit arrest is gewezen door
mr. G. Knobbout, als voorzitter,
mr. F.W. van Lottum en mr. N.M. Boersma, leden,
in bijzijn van de griffier mr. T.A. van den Berg.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 juli 2026.
mr. N.M. Boersma is buiten staat dit arrest te ondertekenen.