Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHDHA:2026:2469

Echtscheiding. Wilsbekwaamheid en duurzame ontwrichting. Afwikkeling huwelijksvermogen.

Gerechtshof Den Haag 30 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHDHA:2026:2469
text/xml
public
2026-07-30T14:53:05
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Den Haag
2026-03-18
200.361.318/01
Uitspraak
Hoger beroep
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2469
text/html
public
2026-07-30T14:52:03
2026-07-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHDHA:2026:2469 Gerechtshof Den Haag , 18-03-2026 / 200.361.318/01

Echtscheiding. Wilsbekwaamheid en duurzame ontwrichting. Afwikkeling huwelijksvermogen.

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer : 200.361.318/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 24-8107

Zaaknummer rechtbank : C/10/688496

beschikking van de meervoudige kamer van 18 maart 2026

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal in hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Jonkman te Capelle aan den IJssel,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam.

<br /> 1Het verloop van de procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

<br /> 2Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 10 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 23 december 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 19 januari 2026 een aanvullend verweerschrift en een gewijzigd petitum ingediend.

2.4

De man heeft op 5 februari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.5

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

– een journaalbericht van 20 januari 2026, ingekomen op diezelfde datum;

– een journaalbericht van 5 februari 2026, met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

– een journaalbericht van 12 februari 2026, ingekomen op diezelfde datum;

van de zijde van de vrouw:

– een journaalbericht van 5 februari 2026, ingekomen op diezelfde datum;

– een journaalbericht van 12 februari 2026, ingekomen op diezelfde datum.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 13 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

– de man, bijgestaan door zijn advocaat;

– de advocaat van de vrouw.

De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

<br /> 3De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De man en de vrouw zijn op [huwelijksdatum] 1991 te [huwelijksplaats] , in gemeenschap van goederen, met elkaar gehuwd.

3.3

De drie kinderen van partijen zijn (jong)meerderjarig.

<br /> 4De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

Voorts heeft de rechtbank:

– bepaald dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , die aan de man uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoond, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;

– ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 2.631,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

– de wijze van verdeling van de gemeenschap als volgt gelast:

Echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] en daaraan verbonden hypothecaire geldlening (a.)

– de echtelijke woning wordt verkocht, onder de voorwaarden zoals uiteengezet in r.o. 3.4.10 en 3.4.11;

Woning aan de [adres] te [plaats] (b.)

– de woning wordt verkocht, onder de voorwaarden zoals uiteengezet in r.o. 3.4.13;

Inboedel (c.)

– neemt op de overeenstemming tussen partijen die inhoudt dat de inboedel in onderling overleg wordt verdeeld;

Saldi bankrekeningen (d.)

– partijen zullen binnen twee weken na de beschikking de hoogte van de saldi op bankrekeningen over en weer uitwisselen;

– de saldi op de bankrekeningen zullen bij helfte worden gedeeld in die zin dat positieve saldi gelijkelijk worden verdeeld en negatieve saldi gelijkelijk worden gedragen;

– partijen zullen elk hun eigen rekeningen voortzetten en zij zullen een eventuele en/of rekening opheffen;

Leaseauto (e.)

– het gebruik van de leaseauto wordt door de vrouw voortgezet waarbij de vrouw het leasecontract volledig overneemt en zich ervoor inzet de man volledig vrij te waren;

[B.V.] (f)

– de waarde van het [B.V.] op de peildatum van de datum van deze beschikking zal bij helfte worden verdeeld tussen partijen nadat daarop in mindering is gebracht de belastingvordering tegen een percentage van 49,50%;

– de verdeling van de gemeenschap als volgt vastgesteld:

Onderneming [onderneming] (g.)

– de onderneming van de vrouw wordt toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 0,-, waarbij de vrouw volledig gerechtigd is tot de activa en geheel draagplichtig is voor de passiva.

De beschikking is, met uitzondering van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De proceskosten zijn gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.2

De man verzoekt het hof om bij beschikking, de bestreden beschikking deels te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:

1. de vrouw de helft van de hypotheeklasten voor haar rekening dient te nemen en dat de vrouw aan de man een vergoeding verschuldigd is ter hoogte van de helft van de maandelijkse lasten van de hypothecaire geldlening zolang de woning nog niet verkocht is en de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

2. de vrouw binnen één week na afkomst van de beschikking één van de navolgende makelaars dient te kiezen voor zowel de verkoop van de echtelijke woning alsook voor de taxatie van de woning aan de [adres] te [plaats] :

– [makelaar 1] ;

– [makelaar 2] ;

– [makelaar 3] ;

wanneer de vrouw niet binnen één week na afkomst van de beschikking een makelaar heeft gekozen, de man gerechtigd is een makelaar te kiezen;

3. partijen binnen drie weken na afkomst van de beschikking van (het hof leest) het hof de makelaar de opdracht dienen te geven de echtelijke woning te verkopen. Wanneer de vrouw weigert haar opdracht te verstrekken aan de makelaar, verzoekt de man het hof te bepalen dat de beschikking van het hof in de plaats treedt van de toestemming van de vrouw;

4. partijen in overleg met de makelaar de vraag- en laatprijs dienen te bepalen en mochten partijen geen overeenstemming kunnen bereiken, dan zullen de aanwijzingen van deze makelaar voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en de laatprijs;

5. wanneer partijen geen overeenstemming kunnen bereiken omtrent de vraagprijs van de echtelijke woning, de man gerechtigd is de vraagprijs van de echtelijke woning te bepalen in samenspraak met de makelaar;

6. de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan bezichtigingen van de echtelijke woning door de makelaar en potentiële kopers;

7. partijen in samenspraak met de makelaar overeenstemming dienen te bereiken over de verkoopprijs van de echtelijke woning en/of acceptatie van een bod door derden uitgebracht op de woning. Wanneer partijen geen overeenstemming kunnen bereiken, dan is de man gerechtigd te bepalen of het bod wordt geaccepteerd in samenspraak met de makelaar;

8. de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning door ondertekening van de koopakte en wanneer de vrouw binnen één week na het bereiken van de overeenkomst haar medewerking niet verleent aan de ondertekening van de koopovereenkomst ten behoeve van de woning, de beschikking van het hof in de plaats treedt van de toestemming van de vrouw voor de verkoop van voormelde woning;

9. de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan het transport van de woning en dat, indien de vrouw haar medewerking niet verleent aan het transport van de woning, de beschikking van het hof in de plaats treedt van de toestemming van de vrouw.

4.3

De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het verzoek van de man dat de vrouw de helft van de hypotheeklasten voor haar rekening dient te nemen en dat de vrouw aan de man een vergoeding verschuldigd is ter hoogte van de helft van de maandelijkse lasten van de hypothecaire geldlening zolang de woning nog niet verkocht is én de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stad, af te wijzen;

II. primair: het verzoek van de man om een spoorboekje op te nemen, af te wijzen;

III. subsidiair: te bepalen dat het spoorboekje uit te stellen tot na afloop van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:

IV. het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk is, dan wel moet worden afgewezen, dan wel subsidiair een onafhankelijke deskundige te benoemen die de medische wilsbekwaamheid kan beoordelen.

4.4

De vrouw heeft bij voornoemd aanvullend verweerschrift haar petitum gewijzigd. De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het verzoek van de man dat de vrouw de helft van de hypotheeklasten voor haar rekening dient te nemen en, dat de vrouw aan de man een vergoeding verschuldigd is ter hoogte van de helft van de maandelijkse lasten van de hypothecaire geldlening zolang de woning nog niet verkocht is en de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, af te wijzen;

II. primair: het verzoek van de man om een spoorboekje op te nemen, af te wijzen;

III. subsidiair: te bepalen dat het opnemen van een spoorboekje wordt uitgesteld tot na afloop van zes maanden na de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand;

IV. primair: te bepalen dat de mondelinge behandeling van 13 februari 2026 geen doorgang zal vinden en wordt uitgesteld ex. artikel 87 Rv, wegens het risico van schending van het beginsel van hoor en wederhoor;

V. subsidiair: indien het hof overweegt de zitting niet uit te stellen, dit besluit uitdrukkelijk en kenbaar te motiveren, onder expliciete belangenafweging tussen het belang van voortvarende rechtspleging en het fundamentele recht van de vrouw om daadwerkelijk te worden gehoord, conform artikel 19 Rv en artikel 6 EVRM;

VI. meer subsidiair: te bepalen dat, indien de zitting toch doorgang zou vinden op 13 februari 2026, geen inhoudelijke beslissing zal worden genomen zolang de vrouw niet in de gelegenheid is gesteld haar standpunt mondeling toe te lichten;

VII. te bepalen dat aan een eventueel beroep op medische spoedeisendheid aan de zijde van de man slechts betekenis wordt toegekend indien deze wordt onderbouwd met objectieve en verifieerbare medische stukken;

VIII. te bepalen dat het verdere verloop van de procedure zodanig wordt ingericht dat de processuele gelijkwaardigheid van partijen (equality of arms) wordt gewaarborgd.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof:

IX. de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:

X. het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk is, althans wordt afgewezen, dan wel subsidiair een onafhankelijk deskundige te benoemen teneinde de medische wilsbekwaamheid van de man te beoordelen.

4.5

De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vrouw in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

<br /> 5De motivering van de beslissing

Procesorde

Mondelinge behandeling

5.1

Het hof heeft voorafgaand aan de zitting zowel van de zijde van de vrouw als van de zijde van de man een veelvoud aan correspondentie ontvangen naar aanleiding van het verzoek van de vrouw tot het uitstellen van de mondelinge behandeling. Namens de vrouw is zowel in november als vlak voor de zitting in februari (zij het op andere gronden) een verzoek tot aanhouding gedaan. De man heeft zich tegen aanhouding verzet. Het hof heeft het verzoek van de vrouw ter zitting, na partijen de gelegenheid te hebben gegeven hun standpunten nader toe te lichten, afgewezen. Het hof heeft bij zijn oordeel alle naar voren gebrachte belangen afgewogen en is van oordeel dat het belang van de man bij voortzetting van de procedure zwaarder weegt dan het belang van de vrouw tot aanhouding van de mondelinge behandeling. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de vrouw de mogelijkheid is geboden om via Teams of telefoon deel te nemen aan de zitting, van welke mogelijkheid zij echter geen gebruik heeft gemaakt. Het hof heeft de advocaat van de vrouw nadat het hof beslist had om de zaak door te laten gaan in de gelegenheid gesteld om nog telefonisch overleg te voeren met de vrouw. Het hof heeft derhalve korte tijd de zaak geschorst en na de schorsing is de zaak volledig behandeld.

Aanvullende memorie en gewijzigd petitum van de vrouw

5.2

De vrouw heeft bij het hof op 20 januari 2026, ingekomen op diezelfde datum, een ‘aanvullende memorie’ en gewijzigd petitum ingediend. De man maakt hiertegen bezwaar.

Juridisch kader

5.3

Artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat op grond van artikel 362 Rv ook in hoger beroep van toepassing is, bepaalt dat de verzoeker bevoegd is het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven. Daarbij geldt in hoger beroep echter wel de twee-conclusieregel (artikel 347 lid 1 Rv), op grond waarvan de verzoeker zijn verzoek niet later dan in zijn eerste processtuk mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als deze verandering of vermeerdering niet als een grief moet worden aangemerkt. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad zijn uitzonderingen daarop mogelijk a) indien de wederpartij ondubbelzinnig erin toestemt dat de eiswijziging of -vermeerdering plaatsvindt (van een dergelijke instemming kan sprake zijn, als inhoudelijk op de nieuwe grief wordt ingegaan, zonder dat bezwaar wordt gemaakt tegen het tijdstip waarop deze is opgeworpen), b) indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden (dat geldt met name voor alimentatiezaken, waarin beoogd wordt de uitspraak zo veel mogelijk te laten aansluiten op de meest recente situatie), en c) indien de oorspronkelijk eiser beoogt zijn eis aan te passen aan pas na de memorie van grieven of van antwoord voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort geldt dat toelating van de eiswijziging of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (zie HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 en HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064).

5.4

Het hof overweegt als volgt. De vermeerdering van het verzoek door de vrouw behelst naar het oordeel van het hof een inhoudelijk gewijzigd standpunt en daarmee in feite een nieuwe grief. Met het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep bepaalt de vrouw de grenzen van haar hoger beroep. Zij kan niet nadien nog nadere grieven formuleren, te meer nu er door de man uitdrukkelijk bezwaar is gemaakt. Naar het oordeel van het hof is in onderhavige zaak ook geen sprake van de in de rechtspraak van de Hoge Raad genoemde uitzonderingen op de twee-conclusieregel. Het hof zal, zoals ter zitting reeds aan partijen medegedeeld, deze nadere door de vrouw ingediende grieven dan ook buiten beschouwing laten.

De echtscheiding

Wilsbekwaamheid en duurzame ontwrichting

5.5

Ingevolge artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Blijkens de wetsgeschiedenis is een huwelijk duurzaam ontwricht indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden, zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van de behoorlijke echtelijke verhoudingen.

5.6

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe. Het hof is van oordeel dat de vrouw in hoger beroep niets heeft aangevoerd op grond waarvan aan de wilsbekwaamheid van de man ten aanzien van zijn stelling dat het huwelijk duurzaam ontwricht is zou moeten worden getwijfeld. Dat de man terminaal ziek is en medisch behandeld wordt, maakt niet dat hij daardoor wilsonbekwaam is. Als uitgangspunt geldt dat iedereen wilsbekwaam is, totdat het tegendeel bewezen is. De argumenten van de vrouw die het bewijs van het tegendeel zouden moeten leveren, overtuigen het hof niet. Daarnaast heeft de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de man goed in staat is om zijn wil te bepalen, hetgeen het hof ter zitting zelf ook heeft geconstateerd. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten.

5.7

Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het huwelijk tussen de man en de vrouw duurzaam is ontwricht. Partijen zijn al geruime tijd, sinds juni 2023, uit elkaar en leven sindsdien gescheiden van elkaar. Reeds in oktober van datzelfde jaar heeft de man het verzoek tot echtscheiding ingediend. De man is in de gehele echtscheidingsprocedure, die nu ruim twee jaar lang gaande is, stellig en standvastig in zijn wens om het huwelijk definitief te beëindigen door middel van echtscheiding. De man heeft ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep uitdrukkelijk verklaard dat hij nog steeds wenst te scheiden van de vrouw. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

5.8

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de echtscheiding bekrachtigen.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.9

De echtscheidingsbeschikking kan – anders dan door de advocaat ter zitting is verzocht – niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Ingevolge artikel 1:163 lid 1 BW komt de echtscheiding tot stand door inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Artikel 1:20 lid 2 BW stelt daarvoor de eis dat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan, oftewel onherroepelijk is geworden. Het hof zal dit verzoek van de man dan ook afwijzen.

Afwikkeling van het huwelijksvermogen

5.10

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1991 met elkaar gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Die gemeenschap omvat alle goederen van de echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien door één van hen of door beiden verkregen en alle schulden van de echtgenoten (artikel 1:94 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Op basis van artikel 1:100 BW dient de huwelijksgemeenschap bij helfte te worden verdeeld. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van een verdeling bij helfte worden afgeweken.

Draagplicht hypotheekschuld

5.11

De man verzoekt het hof te bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de hypotheeklasten. De vrouw voert hiertegen verweer. De hypotheekschuld betreft een gemeenschapsschuld waar partijen in beginsel beiden voor de helft draagplichtig (artikel 1:100 BW) voor zijn. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van een verdeling bij helfte, zodat het hof het verzoek van de man dienaangaande zal toewijzen en zal bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hypotheeklasten.

Gebruiksvergoeding

5.12

Het hof stelt het volgende voorop. Tot aan de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand gelden tussen partijen de bepalingen van boek 1 titel 6 BW, meer in het bijzonder artikel 1:81 BW en artikel 1:84 BW. Ingevolge artikel 1:81 BW zijn partijen gedurende het huwelijk gehouden elkaar het nodige te verschaffen, waaronder ook het gebruik van de echtelijke woning dient te worden begrepen.

5.13

Na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gelden ten aanzien van de woning de bepalingen van de gemeenschap zoals geregeld in Boek 3 BW alsmede de bepalingen van Boek 6 BW. Artikel 3:169 BW bepaalt dat – behoudens andersluidende regeling – iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Indien een deelgenoot het goed met uitsluiting van de andere(n) gebruikt, kan dat aanleiding vormen om laatstgenoemde(n) een vergoeding ter zake van gederfd gebruiksgenot toe te kennen (HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156).

5.14

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:166 lid 3 BW moet vastgesteld worden of een gebruiksvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gepast is. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden. Het hof is van oordeel dat het niet redelijk en billijk is om de vrouw de door de man verzochte gebruiksvergoeding op te leggen. Het hof komt tot dat oordeel gelet op de lange duur van het huwelijk, de beperkte periode waarop een gebruiksvergoeding voldaan zal worden en het feit dat de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft ingestemd met het verblijf van de vrouw in de echtelijke woning tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding. Het hof zal het verzoek van de man dan ook afwijzen.

Verkoop van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] en de woning aan de [adres] te [plaats]

5.15

De grief van de man richt zich tegen het door de rechtbank opgenomen spoorboekje, meer specifiek tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw binnen twee weken na de bestreden beschikking twee makelaars dient te kiezen.

5.16

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe. Het hof is van oordeel dat het door de rechtbank gegeven spoorboekje voldoende duidelijk en met de gebruikelijke termijnen is opgenomen in de bestreden beschikking. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw de bestreden beschikking zal nakomen.

5.17

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Bewijsaanbod

5.18

Voor zover de vrouw een bewijsaanbod heeft gedaan voor het overleggen van getuigenverklaringen, zal het hof het bewijsaanbod van de vrouw afwijzen als zijnde te algemeen geformuleerd en onvoldoende specifiek.

<br /> 6De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt, in aanvulling op de bestreden beschikking, dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de hypotheeklasten;

verklaart deze beschikking, met uitzondering van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, C.M. van der Kleijn en F.V. Marquenie, bijgestaan door mr. F. van Wijk-Spieker als griffier en is op 18 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Artikel delen