Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHDHA:2026:2558

Onrechtmatige daad ontstoppingsbedrijf. Schade door lekkage in een appartement. Eigenaar van het appartement spreekt een bedrijf aan dat vlak voor het optreden van de lekkage ontstoppingswerkzaamheden heeft uitgevoerd in een bovengelegen appartement. Aansprakelijkheid en causaal verband. Begroting van de schade.

Gerechtshof Den Haag 6 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHDHA:2026:2558
text/xml
public
2026-08-06T16:39:34
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Den Haag
2026-06-02
200.347.638/01
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Den Haag
Civiel recht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2558
text/html
public
2026-08-06T16:31:14
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHDHA:2026:2558 Gerechtshof Den Haag , 02-06-2026 / 200.347.638/01

Onrechtmatige daad ontstoppingsbedrijf. Schade door lekkage in een appartement. Eigenaar van het appartement spreekt een bedrijf aan dat vlak voor het optreden van de lekkage ontstoppingswerkzaamheden heeft uitgevoerd in een bovengelegen appartement. Aansprakelijkheid en causaal verband. Begroting van de schade.

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer hof : 200.347.638/01

Zaaknummer rechtbank : 10892813 RL EXPL 24-1328

Arrest van 2 juni 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. H.L. Groenenboom te Ridderkerk.

tegen

RRS Nederland B.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel

hierna te noemen: RRS.

advocaat: mr. T. Tepaske te Amsterdam.

Het hof zal partijen hierna noemen [appellant] en RRS.

De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een lekkage die is ontstaan in de keuken van een appartement. De eigenaar van het appartement verlangt vergoeding van de door de lekkage veroorzaakte schade, en spreekt daartoe een bedrijf aan dat vlak voor het optreden van de lekkage ontstoppingswerkzaamheden in een bovengelegen appartement had uitgevoerd. Evenals de kantonrechter oordeelt het hof dat sprake is van onrechtmatige daad van het ontstoppingsbedrijf. De schade wordt door het hof op een hoger bedrag vastgesteld dan het bedrag dat door de kantonrechter in eerste aanleg was begroot.

Verschrijving in de naam van RRS in de appeldagvaarding

De procedure in de eerste aanleg is gevoerd tussen [appellant] (toen ook door hemzelf aangeduid als [appellant] ) als eiser en RRS Nederland B.V. als gedaagde. De inleidende dagvaarding vermeldt de vestigingsplaats (Den Haag) en het adres ( Winkelhoek 67 ) van RRS Nederland B.V., alsook haar inschrijvingsnummer in het Handelsregister. Diezelfde vestigingsplaats en datzelfde adres/inschrijvingsnummer zijn vermeld in de appeldagvaarding waarmee [appellant] het hoger beroep heeft ingesteld. In plaats van de (daarbij horende) naam RRS Nederland B.V. noemt de appeldagvaarding echter RRS B.V. als gedaagde/geïntimeerde. RRS – dat wil zeggen: RRS Nederland B.V., die in de memorie van grieven (in het principaal appel) wel weer als RRS Nederland B.V. staat vermeld – heeft in voetnoot 1 van haar ‘memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel’ erop gewezen dat RRS B.V. een niet gelieerde rechtspersoon is, die zetelt in Rotterdam. Aangenomen wordt dat de naam RRS B.V. in de appeldagvaarding berust op een verschrijving en dat bedoeld is om te dagvaarden RRS Nederland B.V., die in appel ook is verschenen en door de verschrijving niet in haar verdediging is geschaad.

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 17 december 2024, waarbij een mondelinge behandeling na aanbrengen is gelast. Deze mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden.

Bij memorie van antwoord (met één productie) heeft RRS de grieven van [appellant] bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 25 juli 2025, onder aanvoering van twee grieven.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel (met één productie) heeft [appellant] de incidentele grieven bestreden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

1. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil met uitzondering van hetgeen is overwogen in 2.5 van het vonnis, zodat het hof (tot zover) daarvan zal uitgaan. Het gaat aldus, aangevuld met hetgeen in hoger beroep nog is komen vast te staan, om de navolgende feiten.

1. [appellant] woont aan [adres 2] . Zijn appartement is gelegen op

de tweede verdieping van een appartementencomplex. Op 2 april 2023 was er sprake van

een verstopte keukenafvoerleiding in de keuken van het boven zijn appartement gelegen

appartement ( [adres 3] , hierna ook: appartement of [adres 3] ).

1.2.

RRS is door de bewoner van [adres 3] ingeschakeld om de verstopte leiding

van de keukenafvoer te verhelpen. Een monteur van RRS (hierna ook: ‘de monteur’) heeft de

verstopping op 2 april 2023 verholpen door de leiding te frezen. Dit is een methode

waarbij een spiraalveer met de hand in de afvoerleiding wordt gebracht, waarna de veer in

de leiding gaat roteren en op die manier de leiding wordt gereinigd.

1.3.

Nadat de monteur van RRS de lekkage in de keukenafvoer van [adres 3] had

verholpen ontstond lekkage in de keuken van het appartement van [appellant] . Er is contact

opgenomen met de monteur en die is langsgekomen in de woning van [appellant] . De monteur

heeft aangeboden de lekkage in de woning van [appellant] direct op te lossen, als [appellant]

daarvoor zou betalen. Dat wilde [appellant] niet, waarna de monteur is vertrokken.

1.4.

Na het bezoek aan de woning van [appellant] heeft de monteur een werkbon gemaakt

(hierna: ‘de werkbon’). Op de werkbon heeft de monteur het volgende genoteerd:

“Eerder vandaag de keuken gefreesd en daarna liep het goed weg, na mijn vertrek is de beneden buurman gaan klagen bij bewoner dat zijn keuken helemaal zwart is. Ben ook bij beneden buurman gaan kijken. Inderdaad was de keuken helemaal vies. Bewoners wilden niet betalen hierdoor heb ik nu niets kunnen doen. Waarschijnlijk heb is door het reinigen de verstopping verplaatst. ”

1.5.

Op 4 april 2023 zijn twee andere monteurs van RRS in [adres 3] geweest om werkzaamheden te verrichten in verband met de lekkages. In de werkbon die is opgemaakt naar aanleiding van deze werkzaamheden zijn onder meer de volgende bevindingen opgenomen: “Verstopping was doorgedrukt naar beneden, deze gereinigd. Is een oude standleiding van ijzer.” Uit de werkbon blijkt dat de standleiding is gereinigd en is vrijgemaakt. Daarna heeft zich in het appartement van [appellant] geen lekkage meer voorgedaan.

1.6.

Op 16 mei 2023 heeft een aannemer, [aannemer] (hierna ook: de aannemer), op verzoek van [appellant] een offerte uitgebracht voor het vervangen van de laminaatvloeren in de woning van [appellant] en voor reparatie en sauswerk van de wanden, een en ander voor een bedrag van € 10.675,00.

2. [appellant] heeft RRS gedagvaard en gevorderd dat RRS wordt veroordeeld om aan hem een bedrag van € 10.675,00 te betalen met veroordeling van RRS in de proceskosten, met inbegrip van de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten.

2.1.

[appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de monteur van RRS onzorgvuldig heeft gehandeld doordat hij heeft nagelaten te onderzoeken of na het verhelpen van de verstopping in de keuken van [adres 3] niet ergens anders in de standleiding een probleem was ontstaan. RRS is als werkgever aansprakelijk voor de schade die hierdoor is ontstaan. Subsidiair stelt [appellant] dat RRS zelf onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij

onzorgvuldig te werk is gegaan.

2.2.

RRS heeft verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van de vordering van [appellant] .

2.3.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis RRS veroordeeld om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 550,- aan schadevergoeding, met compensatie van de proceskosten. Voor het overige heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen.

3. [appellant] is in hoger beroep gekomen en heeft verschillende grieven tegen het vonnis aangevoerd. Hij vordert thans dat RRS wordt veroordeeld om aan hem te betalen een bedrag van € 12.276,256, of zoveel als het hof meent dat juist is, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf twee weken na het te wijzen arrest tot aan de dag van voldoening, en met veroordeling van RRS in de kosten van het hoger beroep.

4. RRS heeft de grieven bestreden en heeft in incidenteel hoger beroep gevorderd dat het vonnis wordt vernietigd en dat de vordering van [appellant] alsnog geheel wordt afgewezen.

5. Het hof ziet aanleiding eerst grief 1 in incidenteel appel te behandelen. Met deze grief voert RRS kort gezegd het navolgende aan. De lekkage in het appartement van [appellant] is ontstaan door problemen in de standleiding. Deze problemen kunnen niet aan RRS worden toegerekend. De monteur van RRS heeft enkel de keukenafvoerleiding in het (bovengelegen) [adres 3] op een gebruikelijke wijze schoongemaakt en is, na controle (d.w.z. water dat weer door de leiding spoelde), weggegaan. RRS valt hier niets te verwijten. Van voorzienbaarheid van deze schade is volgens RRS geen sprake. De aard van het ontstoppingsprobleem en de uitgevoerde nacontrole gaven geen aanleiding tot verdere of andere controle. Daartoe was ook geen reden. De omstandigheden brengen mee dat er geen aanleiding was om een probleem elders in de standleiding te vermoeden, en evenmin dat schade bij [appellant] zou ontstaan. Het was voor de monteur van RRS ook niet te voorzien dat de standleiding in het appartementencomplex mogelijk slecht onderhouden was, waardoor er – bij een gebruikelijke manier van ontstoppen – schade bij [appellant] zou kunnen optreden, aldus RRS.

6. Dit betoog treft geen doel. Anders dan RRS kennelijk meent, staan de ontstoppingswerkzaamheden in [adres 3] in causaal verband (in de zin van condicio sine qua non verband) met de lekkage (en de daaruit voortvloeiende schade) in het ondergelegen appartement van [appellant] . Uit de door RRS in appel overgelegde werkbon van 4 april 2023 blijkt dat bij de oorspronkelijke ontstoppingswerkzaamheden in [adres 3] (op 2 april) de verstopping was “doorgedrukt naar beneden”. De twee monteurs die ter plaatse kwamen op 4 april 2023 hebben geconstateerd dat het een oude standleiding van ijzer betrof, en zij hebben de verstopping kunnen verhelpen door het reinigen van die standleiding (aldus RRS zelf, memorie van grieven in incidenteel appel onder 10). Tevens staat vast dat er na het verrichten van de ontstoppingswerkzaamheden aan de betrokken standleiding, geen lekkage meer is geweest in het appartement van [appellant] . Uit dit een en ander in onderlinge samenhang bezien, volgt in elk geval dat zonder het uitvoeren van de oorspronkelijke ontstoppingswerkzaamheden in [adres 3] op 2 april 2023, er (kort daarna op diezelfde dag) geen lekkage in het appartement van [appellant] zou zijn ontstaan.

7. Voor zover RRS heeft betoogd dat voor toerekening van de (lekkage)schade aan RRS een fout (in de zin van verwijtbaarheid) van RRS c.q. van haar monteur vereist is, berust deze stelling op een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan RRS kennelijk meent, heeft de kantonrechter een juiste maatstaf aangelegd door eerst te onderzoeken (in rov. 4.5 van het vonnis) of het optreden van (lekkage)schade in de omstandigheden van dit geval voorzienbaar was, en deze schade vervolgens, op de in rov. 4.6 genoemde gronden in redelijkheid toe te rekenen aan RRS. Het hof kan zich daarmee verenigen en verwijst in dit verband ook naar het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024, NJ 2025/203 (Afzinkkelder), waarin het navolgende is overwogen:

“3.2.2 Uit hetgeen het hof in rov. 2.6.3 van zijn arrest heeft vastgesteld (…) volgt dat aan de bouwwerkzaamheden van Multi een aanmerkelijk risico verbonden was dat aan het pand van [eiseres 1] schade zou worden toegebracht,
ook indien maatregelen ter voorkoming van schade werden getroffen en de werkzaamheden zorgvuldig werden uitgevoerd
. Waar dit risico zich vervolgens heeft verwezenlijkt, kan niet zonder meer worden aanvaard dat [eiseressen] de daardoor veroorzaakte schade dienen te dragen. Hierbij is van belang dat de werkzaamheden in het belang van (de opdrachtgever van) Multi werden uitgevoerd en voor [eiseressen] geen voordeel opleverden, dat de schade van [eiseressen] niet zonder meer behoort tot hetgeen door een derde in het maatschappelijk verkeer moet worden geduld bij bouwwerkzaamheden van een ander, en dat het veeleer op de weg van Multi lag om zich tegen aansprakelijkheid voor het toebrengen van schade aan derden te verzekeren. Het uitvoeren van deze werkzaamheden door Multi met schade aan het pand van [eiseres 1] tot gevolg, kan daarom een onrechtmatige daad opleveren die verplicht tot vergoeding van de schade die daarvan het gevolg is.” (onderstreping hof)

8. In dit verband overweegt het hof nog het volgende. Op grond van de eigen stellingen van RRS kan er van worden uitgegaan dat RRS een gespecialiseerd bedrijf is dat zich al ruim 50 jaar focust op het ontstoppen, reinigen, inspecteren en lokaliseren van onder andere (afvoer)leidingen. RRS is marktleider op het gebied van rioolwerkzaamheden en wordt zowel door particuliere alsmede door (publiekrechtelijke) rechtspersonen ingeschakeld. RRS is de preferred supplier van veel woningcorporaties, ziekenhuizen, verzorgingscentra en (semi-)overheden (zie de conclusie van antwoord van RRS onder 6). Het hof ziet niet in waarom een dusdanig gespecialiseerd bedrijf als RRS het risico van doordrukken van een verstopping in een keukenafvoerleiding naar een (oude ijzeren) standleiding als de onderhavige, in redelijkheid niet heeft kunnen voorzien. Integendeel, zoals de kantonrechter in rov. 4.5. van het vonnis heeft overwogen, heeft de (op 2 april 2023 ingezette) monteur van RRS zelf (op zijn werkbon) verklaard dat de verstopping door hem “waarschijnlijk” naar beneden was verplaatst. Dat duidt er onmiskenbaar op dat doordrukken van een verstopping een welbekend, althans niet onbekend, risico is bij werkzaamheden als de onderhavige, in elk geval voor (de monteur van) RRS. Dat RRS c.q. haar monteur bij de oorspronkelijke ontstoppingswerkzaamheden er (niettemin) voor heeft gekozen geen verdere nacontrole (door middel van het inbrengen van een camera in de leidingen of anderszins) te doen om de verwezenlijking van genoemd risico te voorkomen, kan in redelijkheid niet voor rekening en risico van [appellant] worden gebracht, zelfs indien, op zichzelf genomen, de werkzaamheden in [adres 3] voldoende zorgvuldig zouden zijn uitgevoerd. Immers, de oorspronkelijke werkzaamheden werden uitgevoerd in het voordeel van de (boven)buurman van [appellant] en hebben voor [appellant] zelf geen voordeel opgeleverd. De (aanmerkelijke) lekkageschade van [appellant] behoort bovendien, naar het oordeel van het hof, niet tot hetgeen door een derde in het maatschappelijk verkeer moet worden geduld bij ontstoppingswerkzaamheden ten bate van een ander, en het lag veeleer op de weg van RRS (als marktleider/preferred supplier op dit gebied) om zich tegen aansprakelijkheid voor het toebrengen van schade aan derden te verzekeren. Het uitvoeren van de oorspronkelijke ontstoppingswerkzaamheden (door haar monteur), met schade aan het appartement van [appellant] als gevolg, levert daarom een onrechtmatige daad op van RRS die verplicht tot het vergoeden van de schade die daarvan het gevolg is.

9. De in hoger beroep vervolgens te beantwoorden vraag is welke schade voor vergoeding in aanmerking komt en hoe die schade moet worden begroot. Hierop zien de grieven in principaal appel, alsmede grief 2 in incidenteel appel. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

10. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de schadevergoeding die

[appellant] toekomt € 550,- bedraagt. [appellant] kan zich hiermee niet verenigen en stelt daartoe het navolgende. De door [appellant] overgelegde offerte van de aannemer bevat een gespecificeerde begroting van de te verwachten kosten. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de kosten voor het sloopwerk en afvoer van de materialen, de kosten voor de reparatie en het sauswerk van de wanden, en de kosten voor de laminaatvloeren. Verder is van belang dat aan de offerte een visuele inspectie door de aannemer ten grondslag ligt. Van belang is ook dat de offerte van de aannemer in april 2023 is opgesteld. Sindsdien zijn de prijzen aanzienlijk gestegen. [appellant] meent daarom dat het in de offerte vermelde schadebedrag van € 10.675,00 met 15% dient te worden verhoogd tot € 12.276,25. Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat alleen de laminaatvloer in de keuken en de hal die aan de keuken grenst moet worden vervangen. Zoals uit de door [appellant] overgelegde rapportage van Belfor (prod. 2 bij MvG) en foto’s (prod 3 bij MvG) blijkt, moet het laminaat in de gehele woning worden vervangen, aldus [appellant] .

11. RRS heeft de voormelde stellingen van [appellant] bestreden en heeft daarnaast (door middel van grief 2 in incidenteel appel) het navolgende aangevoerd. In de onderhavige zaak is geen grond om af te wijken van de gewone bewijsregels, nu de schade nauwkeurig kan worden vastgesteld. [appellant] heeft echter onvoldoende bewijs aangedragen om tot toewijzing van enige schade te komen. De offerte van de aannemer behoort volgens RRS niet in aanmerking te worden genomen bij het vaststellen van de schade. Dit betreft namelijk geen onafhankelijk deskundigenrapport, opgesteld door een gespecialiseerd schadebedrijf, maar een offerte van een commerciële partij die enkel aangeeft wat zij allemaal kan en wenst uit te voeren in de woning van [appellant] . Uit die offerte volgt niet dat de werkzaamheden noodzakelijk zijn ter reparatie van de schade ontstaan door de lekkage. Uit de producties 3 en 4 bij de CvA blijkt dat [appellant] ook de VvE aansprakelijk heeft gesteld voor de waterschade aan zijn appartement. Gelet op de door [appellant] overgelegde productie 2 bij de MvG blijkt dat de opstalverzekeraar (niet duidelijk is of dit de opstalverzekeraar van de VvE is of van [appellant] zelf) een deskundige heeft laten langskomen. Onduidelijk is of, en zo ja hoeveel, de VvE aan schadevergoeding aan [appellant] heeft uitgekeerd. [appellant] dient op grond van artikel 21 Rv inzicht te verschaffen in de communicatie die tussen de VvE en [appellant] heeft plaatsgevonden en [appellant] dient toe te lichten of de gestelde waterschade (deels) door de VvE aan hem is uitbetaald. Bovendien is er volgens RRS sprake van eigen schuld van [appellant] . Uit productie 2 bij de MvG wordt duidelijk dat er ook op 19 april 2023 nog geen maatregelen waren genomen door [appellant] . Sterker nog, tijdens de mondelinge behandeling op 11 juni 2024 bleek dat [appellant] nog steeds geen maatregelen had genomen om de schade te herstellen. Indien er inderdaad sprake zou zijn van water onder het parket bij de keuken had [appellant] hiervoor direct maatregelen moeten nemen, om eventuele verdere schade te voorkomen. Dit heeft [appellant] nagelaten, aldus RRS.

12. Het hof oordeelt als volgt. [appellant] heeft zijn schade onderbouwd door een offerte voor herstel van waterschade aan vloeren en muren over te leggen. Deze offerte ziet op het verwijderen van het laminaat en de ondervloer in de gehele woning, reparatie van stucwerk, het sauzen van de wanden van de hal en keuken, en het leggen van een nieuwe laminaatvloer in de gehele woning. Daarbij is uitgegaan van een prijs van de laminaatvloer van € 63,- per vierkante meter. Daarbij gaat [appellant] uit van de noodzaak van het leggen van nieuw laminaat (inclusief ondervloer en plakplinten) over de gehele oppervlakte van het appartement. Het appartement heeft volgens de offerte een oppervlakte van in totaal 66 m2 (deze oppervlakte staat als zodanig niet ter discussie). [appellant] heeft echter in het geheel niet toegelicht waarom het vervangen van de laminaatvloeren in het gehele appartement noodzakelijk was om de waterschade, die in en vanuit de keuken is ontstaan, te verhelpen.

13. Uit de door [appellant] overgelegde rapportage van Belfor Nederland B.V., expert van verzekeraar Achmea (prod. 2 bij MvG), blijkt dat slechts droging van wanden nodig was in de keuken, de woonkamer, de gang en de cv-ruimte (dus niet in de twee slaapkamers). In die ruimtes moesten volgen dit rapport (eveneens) de vloeren worden verwijderd. Dat ook de vloeren in het resterende deel van het appartement, dat wil zeggen in de twee slaapkamers, moesten worden verwijderd blijkt niet uit dit rapport en is door [appellant] verder ook niet (genoegzaam) toegelicht of onderbouwd. De enkele offerte van de aannemer volstaat daartoe niet, omdat niet duidelijk is dat de aannemer (ook) lekkagesporen in de twee slaapkamers heeft aangetroffen. Dit alles betekent dat het hof ervan uit gaat dat het laminaat alleen moest worden vervangen in de hiervoor genoemde ruimtes (niet in de twee slaapkamers). Mede gelet op de foto’s die in appel zijn overgelegd (prod. 3 bij MvG) schat het hof de totale oppervlakte van die ruimtes (uitgezonderd de twee slaapkamers) op 40 m2, uitgaande van een totale oppervlakte van het appartement van 66 m2 als vermeld in rov.4.9 van het vonnis. De kantonrechter heeft voor het vervangen van de laminaatvloer een bedrag van € 25,- per vierkante meter gehanteerd, inclusief ondervloer en leggen. Tegen dat bedrag op zich zijn in appel geen deugdelijk onderbouwde bezwaren aangevoerd door partijen. Wel lijken de kosten van het slopen en afvoeren buiten beschouwing te zijn gelaten. In zoverre zijn de bezwaren gegrond. Al met al (her)begroot het hof de totale kosten voor het aanbrengen van nieuw laminaat naar redelijkheid en billijkheid op in totaal € 2.000,- inclusief BTW. Dat bedrag komt voor toewijzing in aanmerking.

14. Verder komen de kosten van het benodigde stucwerk en sauswerk in de hal en de keuken voor toewijzing in aanmerking. Het hof leidt dit af uit de offerte van de aannemer, het rapport van Belfor en de voornoemde foto’s, in onderlinge samenhang beschouwd. Deze kosten worden door het hof naar redelijkheid en billijkheid begroot op een bedrag van € 1.000,- inclusief BTW.

15. Op basis van het voorgaande komt aan schadevergoeding een bedrag van in totaal € 3.000,- voor toewijzing in aanmerking. Voor vergoeding van een hoger bedrag is geen grond aanwezig. [appellant] heeft (ook) in hoger beroep niet meer dan één offerte overgelegd, die bovendien niet adequaat is omdat deze uitgaat van het verwijderen/vervangen van de vloer van het hele appartement. Omdat niet wordt uitgegaan van de bedragen als genoemd in die offerte, kan het (overigens onvoldoende onderbouwde) betoog van [appellant] over prijsstijgingen in de periode na uitbrengen van die offerte, evenmin slagen.

16. Anders dan RRS meent, is van eigen schuld van [appellant] naar het oordeel van het hof geen sprake. De lekkage had al op 2 april 2023 kunnen worden verholpen als de monteur van RRS dit op zich had genomen toen hij bij [appellant] aan de deur kwam. Hij is echter weer vertrokken omdat [appellant] weigerde de kosten daarvan te betalen. [appellant] behoefde die kosten echter niet te betalen, omdat het ontstaan van de lekkage niet aan hem, maar aan RRS was toe te rekenen (zie hiervoor). Het was dus aan RRS, als aansprakelijke (professionele en gespecialiseerde) partij, om de lekkage onverwijld en op haar eigen kosten te verhelpen. Voor zover de omvang van de lekkageschade na 2 april 2023 zou zijn toegenomen, heeft RRS onvoldoende aangevoerd waarom die toename in dit geval niet geheel aan haar is toe te rekenen. De schade wegens het teweegbrengen van de lekkage en het niet tijdig verhelpen ervan komt geheel voor rekening van RRS. Ook indien dit anders zou zijn, eist de billijkheid dat de vergoedingsplicht van RRS geheel in stand blijft. Verder heeft RRS haar – door [appellant] uitdrukkelijk betwiste – stelling dat de hier bedoelde schade al aan [appellant] zou zijn vergoed door een ander (de VVE of een verzekeraar) niet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

17. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd stuit af op al het voorgaande en behoeft geen afzonderlijke bespreking. Dat geldt ook voor het bezwaar tegen de eiswijziging. Toegevoegd wordt dat die eiswijziging een verhoging van het door de aannemer geoffreerde bedrag oplevert. Dat bedrag is ook zonder verhoging niet toewijsbaar. Het hof verwijst naar hetgeen is overwogen in rov. 15. De bewijsaanbiedingen over en weer zijn onvoldoende concreet en specifiek en betreffen ook geen feiten en omstandigheden die, indien bewezen, het hof tot een ander oordeel zouden kunnen brengen.

Conclusie en proceskosten

18. De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] ten dele slaagt. Het hoger beroep van RRS slaagt niet. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen. RRS zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

Het hof, recht doende in hoger beroep:

– vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 25 juli 2024 en opnieuw recht doende:

– veroordeelt RRS om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de datum van dit arrest tot aan de dag van voldoening;

– veroordeelt RRS in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 213,48 aan verschotten (€ 135,48 voor explootkosten en € 78,- aan griffierecht) en € 408,- aan salaris advocaat (2 punten, tarief I, Liquidatietarief 2024);

– veroordeelt RRS in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 488,42 aan verschotten (€ 139,42 voor appelexploot en € 349,- aan griffierecht) en € 912,- aan salaris advocaat (1 punt, tarief I, Liquidatietarief 2026);

– veroordeelt RRS in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op nihil aan verschotten en € 456,- aan salaris advocaat (0,5 punten, tarief I, Liquidatietarief 2026);

– wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, J.M. van der Klooster en B.R. ter Haar, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Artikel delen