Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
ECLI:NL:GHSHE:2021:4422
text/xml
public
2026-07-24T17:35:48
2022-06-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
2021-12-28
20-001011-18
Uitspraak
Hoger beroep
Op tegenspraak
NL
Breda
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2021:4422
text/html
public
2026-07-24T17:34:58
2026-07-24
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2021:4422 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 28-12-2021 / 20-001011-18
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Uitspraak : 28 december 2021
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv; verdachte na aanhouding niet verschenen, raadsman niet langer gemachtigd)
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 16 maart 2018, in de strafzaak met parketnummer 02-144052-17 tegen:
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Bij vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve is deze vordering in hoger beroep niet meer aan het oordeel van het hof onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof:
de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het appel ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2;
het tenlastegelegde onder 1 verbeterd zal lezen door in de vierde regel na “voornoemde” in te voegen: [benadeelde 1] ;
het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd onder 1 bewezen zal verklaren en hem te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest;
het inbeslaggenomen valmes zal onttrekken aan het verkeer;
– de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen conform de beslissing in de civiele procedure van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 17 juli 2019 – welk vonnis ter terechtzitting in hoger beroep op 17 februari 2021 door de raadsman van de verdachte is overgelegd – te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van mishandeling zoals onder feit 2 aan hem bij inleidende dagvaarding ten laste is gelegd. Tegen het vonnis is bij appelakte van 22 maart 2018 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.
Ingevolge artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraakbeslissing door de politierechter van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorgesteld om de tenlastelegging verbeterd te lezen ten aanzien van de vierde regel en na “voornoemde” in te voegen “ [benadeelde 1] ”.
Het hof zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en na verbeterde lezing door het hof – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 juli 2017 te Breda [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,
immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk:
– voornoemde [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] dreigend de woorden toegevoegd: ”ik krijg jullie wel” en/of ”ik maak jullie af”, althans woorden van gelijke dreigende
aard of strekking, en/of
– door een ingeklapt mes uit zijn broekzak te halen en/of (vervolgens) dit
mes uit te klappen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 28 juli 2017 te Breda [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
immers heeft verdachte telkens opzettelijk:
– voornoemde [benadeelde 1] en [benadeelde 2] dreigend de woorden toegevoegd: ”ik krijg jullie wel” en ”ik maak jullie af”, althans woorden van gelijke dreigende
aard of strekking en
– door een ingeklapt mes uit zijn broekzak te halen en vervolgens dit
mes uit te klappen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat de navolgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 juli 2017 (pagina’s 5-6), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 2] :
(pagina 5)
Vandaag, vrijdag 28 juli 2017, was ik aan het werk als portier bij cafe [café]
aan [adres 2] .
(…)
Ik zag dat de man (het hof begrijpt telkens: verdachte), nadat we hem aanspraken, verbaal moeilijk deed.
Daarop hebben [benadeelde 1] (het hof begrijpt telkens: [benadeelde 1] ) en ik de man (…) naar buiten begeleid.
Eenmaal buiten deed de man verbaal moeilijk. Ook bedreigde hij mij en [benadeelde 1] . Ik
hoorde dat de man zei: “Ik krijg jullie wel, ik maak jullie af”.
Daarna verplaatsten we ons naar iets verder de straat in. Hier zag ik dat de man uit zijn rechterbroekzak een voorwerp haalde. Ik zag dat het een mes was, wat nog ingeklapt zat. Daarna zag ik dat de man het mes uitklapte. De man stond toen op ongeveer twee meter afstand van mij.
(…)
Daarna zag ik dat de man een paar keer een stap naar achteren en naar voren deed.
(…)
Ik zag dat hij het mes liet vallen.
(pagina 6)
(…)
Ik voelde mij bedreigd en ik was bang.
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 31 augustus 2017 (pagina’s 14-18), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 1] :
(pagina 16)
Ik hoorde collega [benadeelde 2] (het hof begrijpt telkens: [benadeelde 2] ) tegen de man (het hof begrijpt telkens: verdachte) zeggen dat hij de bar uit moest. Dat hij moest vertrekken.
(…)
Toen we richting de uitgangsdeur waren bij de trappen toen begon hij mij opnieuw uit te schelden voor ‘kanker neger’ en ‘ik maak jouw dood’. Dit zei hij letterlijk tegen mij. Hij stond stil bij de deur. Ik zei toen tegen hem alsjeblieft ga weg. Hij keek mij toen aan en ik hoorde hem tegen mij zeggen: ‘ik maak je dood’.(…)
Die man ging toen naar buiten richting de stoep. Collega [benadeelde 2] ging mee naar buiten en ik volgde hen. In het begin (…) zag ik dat die man zijn hand al in zijn zak had. (…) Dit was ook toen hij zei dat hij mij dood ging maken. Hij had toen zijn hand in zijn zak zitten en hij was iets aan het betasten.
(…)
Ik zag iets wat leek op aluminium.
(…)
Ik wist dus dat hij iets in zijn broekzak had wat op een mes leek.
(…)
Ik raakte toen zijn arm waardoor het mes op de grond viel. (…)
Het was een mes wat leek op een stiletto. Als je erop druk dan komt het mes eruit.
3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 28 juli 2017 (pagina’s 19-20), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
(pagina 19)
(…)
Toen zag ik ineens dat de kalende man (het hof begrijpt: verdachte) met zijn hand naar de zijkant van zijn broek ging. Ik schrok en had direct de gedachte dat hij een pistool zou pakken. Dit was geen pistool, maar dit bleek een mes te zijn.
(…)
Hij stond met dat mes in zijn
(pagina 20)
handen klaar om te steken. Hij stond echt steekklaar.
(…)
Vervolgens zag ik dat de man op de grond lag, zijn mes liet vallen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juli 2017 (pagina’s 38-39), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(pagina 38)
(…)
Op vrijdag 28 juli 2017 hoorde ik omstreeks 03:00 uur dat het Operationeel Centrum te Tilburg een melding over het noodhulpkanaal gaf, waarin er in het horecaconcentratiegebied van Breda Centrum een man met een mes zou lopen, welke portiers had bedreigd. Ik hoorde dat de portiers achter de man aan zaten. Het zou gaan om een incident op de [adres 2] bij café [café] .
(…)
Ik vroeg aan deze beveiliger of hij mij kon vertellen wat er was gebeurd. Ik hoorde dat hij zei dat de man, welke nu op de grond lag en werd aangehouden, de man was welke met een mes rondliep (…).
5. Het proces-verbaal aanhouding d.d. 28 juli 2017 (pagina’s 40-41), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
(pagina 40)
Op vrijdag 28 juli 2017 hielden wij op de locatie [adres 2] , als verdachte aan:
Achternaam [verdachte]
Voornamen [verdachte]
Geboren [geboortedag] 1987
Geboorteplaats [geboorteplaats] in Nederland
Geslacht Man
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het bewezenverklaarde feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ernstige verbale bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht door twee portiers van een café dreigende woorden toe te voegen als “Ik krijg jullie wel” en “Ik maak jullie af”. Verdachte heeft zijn woordelijke bedreigingen vervolgens kracht bijgezet door een uitgeklapt mes erbij te pakken.
Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:
de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
de omstandigheid dat de verdachte door het plegen van het onderhavige strafbare feit niet alleen voor angst en onveiligheid heeft gezorgd, maar ook voor overlast en ergernis;
de omstandigheid dat de verdachte het feit heeft gepleegd tijdens een uitgaansavond voor de deur van een uitgaansgelegenheid waardoor ook meerdere mensen ongewild getuige zijn geweest van zijn handelen waardoor in zijn algemeenheid kan worden aangenomen dat de gevoelens van veiligheid van deze mensen die een gezellige stapavond hadden, door toedoen van de verdachte zijn aangetast.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2021, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, en de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest naar de maatstaf van twee uren taakstraf per in verzekering doorgebrachte dag passend en geboden.
De gedingstukken geven het hof in het kader van de straftoemeting aanleiding ambtshalve te onderzoeken of het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling en afdoening van diens strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn in hoger beroep geschonden omdat het hof niet binnen 2 jaren nadat appel is ingesteld (te weten op 22 maart 2018) tot een einduitspraak komt, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen.
Gezien echter de duur van de op te leggen straf bestaat er geen aanleiding om daaraan enig rechtsgevolg te verbinden. Het hof zal daarom met deze constatering volstaan.
Beslag
Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten 1 STK Valmes, G1754220, met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.007,37 bestaande uit € 507,37 materiële schade (ziekenhuiskosten en kleding) en € 1.500,00 immateriële schade.
De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen conform de beslissing van de kantonrechter d.d. 17 juli 2019 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding (ziekenhuiskosten en kleding) is het hof van oordeel dat deze kosten geen materiële schade betreffen die voor vergoeding als rechtstreekse schade, geleden door het bewezenverklaarde strafbare feit, in aanmerking komt. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit. Het hof is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek valt, nu verdachte met de bedreiging het oogmerk had [benadeelde 2] zodanig nadeel toe te brengen. Het hof begroot de immateriële schade die het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde naar billijkheid op een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2017, zijnde de pleegdatum.
Voor het overige, nu de vordering ook ziet op gestelde schade die het gevolg zou zijn van een ander feit, te weten het feit 2 waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en derhalve thans niet aan het oordeel van het hof is onderworpen, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 750,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof
onderworpen – en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Valmes, G1754220.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2017 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Schiffers, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.M.M. Dielesen en mr. E.F.G. Truijen, griffiers,
en op 28 december 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. G.J. Schiffers, A.J. Henzen, L.J.M.M. Dielesen en E.F.G. Truijen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Aan de hand van het zich in het dossier bevindende ‘Formulier buitenpoort hof ’s-Hertogenbosch’ stelt het hof vast dat – ondanks het ontbreken van een uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 16 maart 2018 – de tenlastelegging in eerste aanleg is gewijzigd conform de zich eveneens in het dossier bevindende vordering tot wijziging van de tenlastelegging van de officier van justitie d.d. 16 maart 2018.
De vermelde pagina’s verwijzen naar de paginanummering van het dossier van de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, District De Baronie, DAP De Baronie, registratienummer PL2000-2017243310, sluitingsdatum 9 oktober 2017, doorgenummerde pagina’s 1-121.