Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHSHE:2022:1634

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHSHE:2022:1634
text/xml
public
2026-07-24T19:03:25
2022-05-23
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
2022-05-18
20-002906-19
Uitspraak
Hoger beroep
Op tegenspraak
NL
‘s-Hertogenbosch
Strafrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:1634
text/html
public
2026-07-24T19:02:12
2026-07-24
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2022:1634 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 18-05-2022 / 20-002906-19

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd.


Parketnummer : 20-002906-19

Uitspraak : 18 mei 2022

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)


‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 3 september 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-845340-18 en 01-860323-18, tegen:

<br /> [verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1976,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de rechtbank ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak (tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 01-845340-18), en opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd (tenlastegelegd in de zaak met parketnummer 01-860323-18), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] .

Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.577,94 aan materiële schade. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 1.384,65 en het overige gedeelte van de vordering afgewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet te kennen gegeven dat de vordering wordt gehandhaafd, waardoor de vordering van rechtswege, slechts voor zover deze is toegewezen, aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis van de rechtbank zal bevestigen met aanvulling van de bewijsmiddelen.

De verdediging heeft ten aanzien van het feit met parketnummer 01-845340-18 vrijspraak bepleit. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot een aantal onderdelen van de tenlastelegging tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

in de zaak met parketnummer 01-845340-18:

hij op of omstreeks 16 juni 2018 te Vught tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een hoeveelheid koper, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1] , en/of een of meer schroevendraaiers en/of een boormachine en/of een ijzerzaag en/of een of meer moersleutel(s), in elk geval gereedschap, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), te weten aan [aangever 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of inklimming;

in de zaak met parketnummer 01-860323-18 (gevoegd):
hij op of omstreeks 08 juli 2018 te ‘s-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk meerdere, althans een, ruit(en) en/of kozijn(en) en/of deur(en) en/of deurpost(en) en/of (bloem)pot(ten) en/of een vaas/ vazen en/of een kistje, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan woningbouwvereniging [benadeelde 2] en/of meerdere, althans een, medebewoner(s) van verdachte, toebehoorde(n), heeft vernield en/of beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-845340-18 en in de zaak met parketnummer 01-860323-18 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 01-845340-18:
hij op 16 juni 2018 te Vught tezamen en in vereniging met een ander een hoeveelheid koper dat toebehoorde aan [benadeelde 1] en schroevendraaiers en een boormachine en een ijzerzaag en een moersleutel die toebehoorden aan [aangever 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

in de zaak met parketnummer 01-860323-18 (gevoegd):

hij op 8 juli 2018 te ‘s-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk ruiten en een vaas en een kistje die aan woningbouwvereniging [benadeelde 2] en/of meerdere medebewoners van verdachte toebehoorden, heeft vernield of beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

In de zaak met parketnummer 01-845340-18.

In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, District ‘s-Hertogenbosch, Basisteam Meierij, registratienummer PL2100-2018118131, sluitingsdatum 17 juni 2018, pagina 1 tot en met 81, nader te noemen: het politiedossier. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.

1.

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 16 juni 2018 (pg. 64 t/m 68), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de verdachte:

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord verdachte

V: U was in het bezit van een aantal tassen. Van wie zijn deze tassen?

A: Allemaal van mij.

V: In de tassen trof de politie gereedschappen aan en koper waaronder kabels en leidingen. Hoe bent u hieraan gekomen?

A: Dat gaat jullie niks aan.

2.

Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, d.d. 17 september 2018, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [medeverdachte]:

Ik was op 16 juni 2018 bij [verdachte] . [verdachte] vertelde dat hij spullen in Vught moest ophalen. Ik had een tas bij me met spullen daarin. Die tas was van [verdachte] . Ik ben met hem meegegaan. Ik had inderdaad een zaklampje hij me voor op mijn hoofd. [verdachte] had mij verteld dat die spullen aldaar onder de vloer lagen. Ik ben onder de vloer gekropen en heb een tas met spullen aan [verdachte] gegeven. Die tas had hij bij zich toen de politie hem aanhield.

3.

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 17 juni 2018 (pg. 9 t/m 11), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever 1] :

Ik doe aangifte van de diefstal van gereedschap, gepleegd tussen 15 juni 2018 18:00 uur en 16 juni 2018 07:00 uur. Ik heb een eigen bedrijf “ [bedrijf] ”. Ik ben op dit moment werkzaam op het terrein van [benadeelde 1] , [adres 2] . Op 15 juni 2018 werd ik omstreeks 22:00 uur gebeld met de mededeling dat er was ingebroken. Ik kwam tot de ontdekking dat een deel van mijn gereedschap was weggenomen. Dit betreft:

– 10 schroevendraaiers (gemixt) merk onbekend. Deze lagen in een zwarte gereedschapskist, die op de begane grond stond;

– ijzerzaag, zwart/rood van kleur;

– verstelbare moersleutel;

– schroefmachine, merk Wesco blauw/ groen van kleur. Deze zat in een zilverkleurige metalen koffer;

Op 16 juni 2018, omstreeks 08.00 uur, kwam de politie aan met de mededeling dat er verdachten waren aangehouden. De politie toonde mij later enkele foto’s, waaronder een boormachine [foto 1], een tas met daarin onder andere een ijzerzaag en schroevendraaiers [foto 2], een verstelbare moersleutel [foto 4]. Ik herken dit gereedschap als zijnde mijn gereedschap.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

4.

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 juni 2018 (pg. 18 en 19), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever 2] namens de [benadeelde 1] :

Ik ben werkzaam voor [benadeelde 1] en in deze hoedanigheid bevoegd tot het doen van aangifte namens [benadeelde 1] . Ik doe aangifte van inbraak in het pand [adres 3] , gepleegd op zaterdag 16 juni 2018.

Op zaterdag 16 juni 201 8, omstreeks 02.42 uur, zag de beveiliger op de beveiligingscamera’s dat er twee mannen door het pand “ [adres 3] ” liepen. Dit klopt niet, want er hoort daar ‘s nachts niemand te zijn. De beveiliger, [getuige 1] , heeft direct de politie gebeld.

Op zaterdag 16 juni 2018, omstreeks 05.35 uur, heeft de politie zich weer gemeld bij [getuige 1] met de mededeling dat ze de twee personen hadden aangehouden. Er schijnen diverse koperen kabels, koperen leidingen en gereedschappen weggenomen te zijn.

5.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 juni 2018 (pg. 22 en 23), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 16 juni 2018 kregen wij de melding dat via beveiligingscamera’s was gezien dat een persoon via een gat in de grond onder het pand verdween. Ter plaatse bleek dat er een kruipruimte onder het pand zat dat uit meerdere ruimtes en gangen bestond.

Omstreeks 05.18 uur hoorden wij dat de beveiliging van [benadeelde 1] op de camerabeelden zag dat er twee personen uit het pand aan [adres 3] kwamen gelopen. Wij hoorden dat beide personen mannen waren en tassen met zich mee droegen. Wij hoorden dat een van de mannen een beetje kaal was en de andere man een petje op had. Wij hoorden dat beide mannen in de richting van de Boxtelseweg te Vught liepen.

Omstreeks 05.28 uur kwamen wij ter plaatse op de Boxtelseweg te Vught. Aldaar zagen wij ter hoogte van [adres 5] twee mannen. Wij zagen dat een van de mannen een beige jas droeg en op een zwarte fiets stapte. Wij zagen dat de andere man een petje droeg en zijn fiets onder de bosjes vandaan haalde. Hierop stopten wij ons voertuig en spraken wij de mannen aan. Wij zagen dat de man met het petje een Action tas voor op zijn fiets had zitten en dat hij handschoenen droeg. Wij zagen dat zijn fiets een zwarte fietstas had en dat er achter de fietsen, op de grond, een grote zwarte tas lag. Wij zagen dat de man met het petje de fiets met zijn lichaam tegen moest houden, wilde de fiets niet omvallen van het gewicht in cie iassen. Wij zagen dat die man met de beige jas kalig was en zwarte roet of teer aan zijn handen had. Hierop vroeg ik, verbalisant [verbalisant 1] , aan de man met de beige jas zijn legitimatiebewijs. Ik zag dat de man mij een geldig legitimatiebewijs overhandigde. Ik zag dat de man [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 1981, was. De andere man was [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1976. Wij hoorden dat [verdachte] zei dat hij uit Boxtel kwam gefietst. Hierop vroeg ik [verdachte] wat hij zoal in de tassen had zitten. Wij hoorden dat [verdachte] zei: “Hier zit wat koper en lood in van het struinen”.

Gezien het feit dat [verdachte] en [medeverdachte] in het bezit waren van koper en lood en dat zij voldeden aan liet signalement van de melder hielden wij hen aan op verdenking van diefstal.

Wij liepen hierop terug richting de fietsen. Wij pakten de Action tas en toen troffen wij een derde tas aan in de zadeltas van de fiets. Wij voelden dat alle tassen zwaar wogen en wij zagen dat er stukken koper en gereedschap uit de tassen stak.

Wij zagen dat er in de tassen een grote hoeveelheid koperen draden zat. Wij zagen dat er veel soorten gereedschap in de tassen lagen, zoals kniptangen, schroevendraaiers, een zaag en een boor.

6.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2018 (pg. 24), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Teneinde duidelijk te krijgen hoe de dader(s) op 16 juni 2018 het pand aan [adres 3] konden betreden, werd de buitenzijde van het gebouw bekeken. Bij de voordeur van het pand zag ik, verbalisant, dat de dagschoot van het slot vanaf de buitenzijde gedeeltelijk zichtbaar was. Bij nader onderzoek zag ik dat er op deze dagschoot prikpuntjes zichtbaar waren die kennelijk nog niet oud waren. Vervolgens heb ik, verbalisant de buitendeur gesloten en zag dat ook toen de beschadigingen nog zichtbaar waren op de koperen dagschoot, tussen de deur en het kozijn. Vervolgens kon ik met behulp van een scherp voorwerp (punt van een zakmes) de deur openen.

In de zaak met parketnummer 01-860323-18.

In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, District ‘s-Hertogenbosch, Basisteam ‘s-Hertogenbosch, registratienummer PL2100-2018134371, sluitingsdatum 13 juli 2018, pagina 1 tot en met 44, nader te noemen: het politiedossier. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

1.

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 juli 2018 (pg. 10 t/m 12), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Gisteren (het hof begrijpt: 8 juli 2018) was ik erg in de war. Ik woon op het adres [adres 4] . Ik heb de ramen van [getuige 2] en [getuige 3] vernield. Ik was met mijn arm door een kattenluikje gegaan. Dat was bij [getuige 3] . Ik wilde haar laten schrikken.

2.

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 8 juli 2018 (pg. 13 en 14), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever 3] namens [benadeelde 2] :

Ik doe aangifte van vernieling. Op 8 juli 2018 waren bij diverse woningen op [adres 4]

vernielingen gepleegd door de bewoner van [adres 4] .

3.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juli 2018 (pg. 15), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

Op 8 juli 2018 gingen wij naar [adres 4] . Wij zagen dat er twee ruiten aan de voorzijde van de woning [adres 4] vernield waren. Wij zagen dat er ook andere ruiten aan de linkerzijde van het pand vernield waren. Wij zagen een grote hoeveelheid glas en inboedel op de straat voor de woning liggen. Wij zagen dat een man, later genoemde [verdachte] , vanaf het pand [adres 4] naar buiten liep. Wij zagen dat hij met een voorwerp in zijn hand een ruit op de tweede verdieping van het pand ingooide. Wij hebben [verdachte] naar de grond gebracht en aangehouden.

4.

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 juli 2018 (pg. 32 en 33), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 4] :

Ik zag op 8 juli 2018 dat [verdachte] van [adres 4] een houten kratje pakte en deze tegen de ruiten van [adres 6] gooide. Ik hoorde glasgerinkel en zag dat de ruiten hierdoor kapot gingen. Hij liep met een houten blok van de woning van [getuige 3] , op [adres 7] . Ik zag dat [verdachte] dit blok hout tegen haar raam gooide en dat deze ruit ook kapot ging hierdoor. [verdachte] heeft zijn eigen ruiten ook allemaal vernield.

5.

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 juli 2018 (pg. 34 en 35), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :

Ik zag en hoorde dat een bloempot door de voorruit gegooid werd door [verdachte] en meteen daarna werd er nog een bloempot door de ruit gegooid. Ik zag dat er twee ruiten stuk gegooid waren.

6.

Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 juli 2018 (pg. 38 t/m 40), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] :

Ik zag dat [verdachte] een houten kistje oppakte en tegen het raam van de onderburen gooide. De ruiten zijn hierdoor meteen kapot gegaan. Even later hoorde ik dat het kattenluik in mijn voordeur openging en even later zag ik dat er scherven lagen in mijn gang, van een vaasje dat als decoratie naast mijn voordeur stond. Vanuit mijn raam zag ik dat [verdachte] buiten stond en dat hij een zware houten ‘boomring’ in zijn handen had. Ik zag dat [verdachte] dit stuk hout van buitenaf tegen mijn raam gooide. Het glas ging kapot.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 01-845340-18. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat getuige [medeverdachte] tegenstrijdig en onbetrouwbaar heeft verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [medeverdachte] te twijfelen, nu deze tevens steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging. Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-845340-18 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het in de zaak met parketnummer 01-860323-18 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – diefstal in vereniging door middel van braak (in de zaak met parketnummer 01-845340-18). De verdachte heeft met een mededader ingebroken in een pand van de [benadeelde 1] en daar heeft hij koper en gereedschap weggenomen. Dit is een kwalijk feit. Dergelijke diefstallen leveren vaak schade en hinder op voor de gedupeerden. Door zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. De verdachte heeft bij het plegen van dit feit gehandeld uit winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de benadeelden.

Daarnaast heeft de verdachte zich op en nabij zijn toenmalige verblijfadres schuldig gemaakt aan – kort gezegd – vernieling en beschadiging van ruiten en goederen van de woningbouwvereniging en medebewoners. Door het handelen van de verdachte is veel overlast ontstaan bij de medebewoners van het [adres 4] in ‘s-Hertogenbosch. Daarbij komt dat de verdachte ruiten heeft vernield van rijksmonumentale panden. Dit heeft aanzienlijke schade aan deze panden opgeleverd.

Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2022, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaande aan het bewezenverklaarde meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor diefstal. Bij de straftoemeting heeft het hof voorts gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarvan tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, en op de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

In beginsel is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest, bij dergelijke feiten passend en geboden is.

Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld.

Het hof stelt vast dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. Door de verdachte is op 17 september 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof bij arrest van heden, 18 mei 2022, arrest wijst. Derhalve is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van 8 maanden. Niet is gebleken dat deze overschrijding aan de verdediging is te wijten. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd dient te worden in de op te leggen straf.

Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.577,94. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.384,65, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft niet te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven. De voeging duurt ten aanzien van een bedrag van € 1.384,65 van rechtswege voort in hoger beroep, nu de vordering tot dit bedrag is toegewezen. Het overige gedeelte van de vordering, te weten € 193,29, is niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 01-860323-18 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.384,65. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2018, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 1.384,65. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-845340-18 en in de zaak met parketnummer 01-860323-18 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-845340-18 en in de zaak met parketnummer 01-860323-18 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.



Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-860323-18 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.384,65 (duizend driehonderdvierentachtig euro en vijfenzestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-860323-18 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.384,65 (duizend driehonderdvierentachtig euro en vijfenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 juli 2018.

Aldus gewezen door:

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Dibbits, griffier,

en op 18 mei 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

M.L.P. van Cruchten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Artikel delen