Vrijspraak van het tenlastegelegde schuldheling (feit 1) en de overtreding van artikel 41 lid 1, aanhef en onder d Wegenverkeerswet 1994 (feit 2). Veroordeling terzake wederspannigheid (feit 3), mishandeling (feit 4) en overtreding van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 (feit 5). Verontschuldigbare dwaling tav feit 5, verdachte niet strafbaar (OVAR). Geldboete en toewij...
ECLI:NL:GHSHE:2022:375
text/xml
public
2026-07-27T14:44:51
2022-02-11
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
2022-01-21
20-004072-18
Uitspraak
Hoger beroep
Op tegenspraak
NL
‘s-Hertogenbosch
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2022:375
text/html
public
2026-07-27T14:38:39
2026-07-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2022:375 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 21-01-2022 / 20-004072-18
Vrijspraak van het tenlastegelegde schuldheling (feit 1) en de overtreding van artikel 41 lid 1, aanhef en onder d Wegenverkeerswet 1994 (feit 2).
Veroordeling terzake wederspannigheid (feit 3), mishandeling (feit 4) en overtreding van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 (feit 5).
Verontschuldigbare dwaling tav feit 5, verdachte niet strafbaar (OVAR).
Geldboete en toewijzing vordering benadeelde partij.
Uitspraak : 21 januari 2022
TEGENSPRAAK
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 12 december 2018, in de strafzaak met parketnummer 01-167904-18 tegen:
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant op 12 december 2018 het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als:
‘schuldheling’ (feit 1),
‘overtreding van artikel 41 lid 1, aanhef en onder d Wegenverkeerswet 1994’ (feit 2),
‘wederspannigheid’ (feit 3),
‘mishandeling’ (feit 4),
‘overtreding van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994’ (feit 5),
en de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem met betrekking tot feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Met betrekking tot feit 5 heeft de politierechter verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week met aftrek van het voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] inzake feit 4, door de politierechter toegewezen tot een bedrag van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot datzelfde bedrag, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, subsidiair 5 dagen hechtenis. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Ten slotte is verdachte veroordeeld in de proceskosten.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Derhalve is de vordering tot schadevergoeding slechts aan het oordeel van het hof onderworpen, voor zover deze door de politierechter is toegewezen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en verdachte voor feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis. Met betrekking tot feit 5 is gevorderd dat het hof hechtenis voor de duur van 1 week met aftrek van het voorarrest zal opleggen. Ten slotte heeft de advocaat-generaal met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] geconcludeerd dat deze dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot datzelfde bedrag.
Door en namens verdachte is vrijspraak betoogd van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde. De raadsman heeft zich gerefereerd met betrekking tot alle onderdelen van het onder feit 4 tenlastegelegde, waaronder de vordering van de benadeelde partij. Met betrekking tot feit 5 heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd. Ten slotte is in zake feit 3 een voorwaardelijk verzoek tot het horen van twee verbalisanten gedaan.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 22 augustus 2018 te ‘s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een scooter (merk Piaggio), heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2.hij op of omstreeks 22 augustus 2018 te ‘s-Hertogenbosch, op de weg, de Zuid-Willemsvaart en/of de Oostwal en/of De Bossche Pad en/of de Graafseweg en/of de Anderlijnstraat , een motorrijtuig (motor(scooter)) heeft bestuurd, terwijl hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat op dat motorrijtuig of die aanhangwagen (een) teken(s), te weten een kentekenplaat met kenteken [kenteken] , was/waren aangebracht dat/die, niet zijnde het/een ingevolge artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen opgegeven kenteken, door kon(den) gaan voor een zodanig kenteken, of dat/die teken(s) te doen doorgaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken, of een met toepassing van artikel 37, derde lid, opgegeven (handelaars)kenteken;
3.hij op of omstreeks 22 augustus 2018 te ‘s-Hertogenbosch, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Brabant en/of [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Brabant, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten terwijl belast met algehele surveillance en/of die de verdachte had(den) staande gehouden en/of op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, door:
-zijn arm los te rukken/trekken en/of;
-te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden;
4.hij op of omstreeks 17 augustus 2018 te ‘s-Hertogenbosch [benadeelde] heeft mishandeld door in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan/stompen;
5.hij op of omstreeks 22 augustus 2018 te ‘s-Hertogenbosch als bestuurder van een motorrijtuig (motor(scooter)) heeft gereden op de weg, de Zuid-Willemsvaart en/of de Oostwal en/of De Bossche Pad en/of de Graafseweg en/of de Anderlijnstraat , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 1 en feit 2
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Feit 1
De verdediging heeft – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij de onder feit 1 tenlastegelegde heling van een scooter. Daartoe is aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat het contactslot van het voertuig gedeeltelijk is weggebroken. Er is niets vreemds te zien op de foto’s van het voertuig. Daarnaast staat niet vast dat de scooter op een ongebruikelijke manier gestart diende te worden. De scooter ziet er netjes uit. Het gegeven dat de sleutel door de politie niet is aangetroffen doet daar niet aan af. Voorts is het gereedschap dat is aangetroffen in de buddyseat niet redengevend voor heling. Ten slotte is gesteld dat het onduidelijk is wie de eigenaar is van het voertuig. Als verdachte kort een ritje maakt op een voertuig van een vriend is geen groot onderzoek vereist en is hij niet tekort geschoten in zijn onderzoeksplicht. Uit niets blijkt dat verdachte wist of hoefde te vermoeden dat het om een gestolen scooter ging, waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde.
Het hof leidt uit het dossier het volgende af.
Op 22 augustus 2018 is door verbalisanten waargenomen dat verdachte als bestuurder op een blauwkleurige motorscooter reed. Er is aangifte gedaan van diefstal van deze scooter op 2 augustus 2018. Door de politie is geverbaliseerd dat het contactslot gedeeltelijk zou zijn weggebroken. Daarnaast is vastgesteld dat het voertuig een motorblok van een motorscooter bevatte en dat de kentekenplaat slordig en schuin was bevestigd op de kentekenhouder. De blauwe plaat was bedoeld voor een bromscooter.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij wetenschap had van het feit dat de scooter een gestolen voertuig betrof. Hij reed even op de scooter van zijn vriend om die weg te zetten. Hij heeft niet naar de kentekenplaat gekeken.
Het hof heeft kennis genomen van de camerabeelden die ter terechtzitting in hoger beroep zijn getoond. Daarop is te zien dat verdachte, alvorens op te stappen, de sleutel van de scooter krijgt van medeverdachte [medeverdachte] en dat hij de scooter start met deze sleutel. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte heeft waargenomen dat de blauwe kentekenplaat niet passend was op de kentekenhouder, dat het motorblok bij een motorscooter hoort of dat het contactslot gedeeltelijk was weggebroken. Derhalve is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Gelet op het vorenstaande staat voor het hof niet buiten gerede twijfel vast dat verdachte wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Deze twijfel dient in het voordeel van verdachte te leiden tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde.
Feit 2
De verdediging heeft gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij het onder feit 2 tenlastegelegde besturen van een voertuig met een vals kenteken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet uit de omstandigheden kon afleiden dat het kenteken op de scooter een vals kenteken betrof, omdat hij slechts kortstondig op het voertuig heeft gezeten. Het gegeven dat de kentekenplaat scheef hing, doet daar niet aan af. De raadsman verzoekt derhalve om verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde vrij te spreken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het dossier blijkt dat de blauwe kentekenplaat die op de scooter is aangetroffen bedoeld is als kentekenplaat voor een bromscooter. Daarnaast was op de scooter een motorblok zichtbaar, dat door de verbalisanten werd herkend als een motorblok van een motorscooter.
Gelet op de kortstondige periode waarop verdachte op de scooter heeft gereden, alsmede de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, staat niet vast dat verdachte wist dat het om een motorscooter ging. Derhalve heeft het hof niet boven redelijke twijfel kunnen vaststellen dat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat het voertuig een motorscooter betrof waarop een valse kentekenplaat was aangebracht. Het feit dat de kentekenplaat slordig was opgehangen, doet daar niet aan af. Verdachte dient derhalve – wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs – te worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3,4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
3.hij op 22 augustus 2018 te ’s-Hertogenbosch zich met geweld heeft verzet tegen meerdere ambtenaren, [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Brabant en [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Brabant, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten terwijl die de verdachte op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, hadden aangehouden en vastgegrepen, door:
-te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;
4.hij op 17 augustus 2018 te ‘s-Hertogenbosch [benadeelde] heeft mishandeld door in het gezicht te slaan/stompen;
5.hij op 22 augustus 2018 te ‘s-Hertogenbosch als bestuurder van een motorscooter heeft gereden op de weg, de Zuid-Willemsvaart en de Oostwal en De Bossche Pad en de Graafseweg en de Anderlijnstraat , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 3 tenlastegelegde. Daartoe is – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat niet wordt geverbaliseerd over enig verzet door verdachte bij de aanhouding. Uit het proces-verbaal van de omschrijving van de camerabeelden volgt eveneens niets over verzet met geweld tegen de aanhouding. Verdachte heeft, voor wat betreft hetgeen te zien is op de camerabeelden, slechts zijn arm teruggetrokken toen een verbalisant deze wilde vastpakken en dit kan niet worden gekwalificeerd als wederspannigheid. Weliswaar is er een proces-verbaal op ambtseed opgemaakt met betrekking tot de wederspannigheid, op grond van de beelden kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte zich heeft verzet bij de aanhouding waardoor vrijspraak van het onder 3 feit tenlastegelegde dient te volgen, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op 22 augustus 2018 is door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] op ambtseed een proces-verbaal opgemaakt waaruit volgt dat verdachte bij zijn aanhouding, nadat verbalisant [verbalisant 2] de arm van verdachte naar zijn onderrug had gebracht, zijn rechterarm trachtte los te rukken en zich met kracht in een andere richting bewoog dan dat de verbalisanten verdachte wilde doen bewegen. Verdachte heeft hierbij flinke kracht uitgeoefend. Het hof ziet geen reden om aan het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de verbalisanten te twijfelen. Dat op de beelden het verzet van verdachte bij zijn aanhouding niet te zien is, doet daar niet aan af, nu de beelden gericht waren op het terras waar verdachte zat te eten en niet op het dienstvoertuig dat buiten het zicht van de camera stond en waar het verzet door verdachte tegen de aanhouding heeft plaatsgevonden.
Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Verzoek tot het horen van getuigen
De raadsman van verdachte heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van getuigen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] . Het hof ziet, evenals de advocaat-generaal, in hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht onvoldoende aanleiding om de verbalisanten te horen. Het hof wijst het verzoek tot het horen van de getuigen derhalve af.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
wederspannigheid.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdediging heeft – op gronden zoals verwoord in de pleitnota – met betrekking tot het onder feit 5 tenlastegelegde gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. Verdachte is in de veronderstelling geweest dat het een voertuig betrof waarvoor het bezitten van een regulier rijbewijs voldoende was. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat verdachte slechts kort heeft gereden op het voertuig dat bovendien toebehoorde aan een ander. Voorts lijkt het op de foto’s in het procesdossier alsof het een voertuig betreft waarvoor het bezitten van een regulier rijbewijs volstaat. Zelfs de verbalisanten hebben het in beginsel over een reguliere scooter. Verdachte wist derhalve niet dat een bijzonder rijbewijs noodzakelijk was, waardoor hem een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt omdat de verwijtbaarheid van de gedraging wegvalt, aldus de raadsman.
Het hof begrijpt dit verweer als een beroep op afwezigheid van alle schuld in de zin van dwaling omtrent de feiten.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft hiervoor, in de overwegingen met betrekking tot de vrijspraken, reeds te kennen gegeven dat op grond van de bevindingen uit het dossier niet blijkt dat verdachte heeft kunnen beseffen dat het een motorscooter betrof. Verdachte heeft slechts kort op de scooter van een ander heeft gereden. Het hof is derhalve van oordeel dat niet boven redelijke twijfel vast staat dat verdachte wist dat het een motorscooter betrof waarvoor het bezitten van een regulier rijbewijs onvoldoende is, en dat deze twijfel in het voordeel van verdachte dient uit te vallen. Hiervan uitgaande is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de feiten. Het hof acht verdachte dan ook niet strafbaar voor het onder feit 5 bewezenverklaarde.
Het hof zal verdachte ter zake van het onder feit 5 bewezenverklaarde ontslaan van alle rechtsvervolging.
Op te leggen sanctie
Door en namens verdachte is verzocht om te volstaan met een boete of een taakstraf eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe is aangevoerd dat gezien de feiten en omstandigheden die volgen uit het dossier, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats is. De laatste periode gaat het beter met verdachte, hij probeert een toekomst op te bouwen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid (feit 3) door zich met geweld te verzetten tegen zijn aanhouding. Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het openbaar gezag. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling (feit 4) van [benadeelde] . Hierdoor heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn ondervonden.
Het hof heeft bij de straftoemeting meegewogen dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 oktober 2021, geen relevante recidive heeft.
Tevens heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Verdachte heeft verklaard dat hij werk heeft en een woning verhuurt waar hij elke maand inkomsten uit geniet.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Bij het opleggen van de geldboete zal het hof op de voet van artikel 27, derde lid, Wetboek van Strafrecht, bevelen dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, te weten 1 dag, bij de uitvoering van de op te leggen geldboete daarop geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van vijftig euro per dag.
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Namens verdachte is op 24 december 2018 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op
21 januari 2022 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met 1 jaar en 1 maand overschreden, terwijl dit niet aan verdachte valt toe te rekenen. Nu wordt volstaan met het opleggen van een geldboete van € 500,-, zal het hof volstaan met een constatering van deze overschrijding en daaraan geen consequenties verbinden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 300,- ten aanzien van immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat de voeging voor zover de vordering is toegewezen van rechtswege voortduurt in hoger beroep en thans de vordering tot een bedrag van € 250,- aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes onder feit 4 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag van € 250,- Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier en de zich bij vordering bevindende onderbouwing voldoende is komen vast te staan dat sprake is van letsel dat een immateriële schadevergoeding rechtvaardigt. Het hof acht het gevorderde bedrag dan ook voldoende onderbouwd en acht daarnaast de hoogte van het gevorderde bedrag billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De wettelijke rente over dit bedrag zal het hof toewijzen vanaf de pleegdatum, zijnde 17 augustus 2018, tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op
te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f, 57, 63, 180 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
verklaart het onder 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2018 tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. P.J.D.J. Muijen en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Mobach en mr. E.F.G. Truijen, griffiers,
en op 21 januari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. P.J.D.J. Muijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.