In deze procedure wordt schadevergoeding gevorderd op grond van artikel 3:70 BW. De pseudo-gevolmachtigde voert als verweer dat hij geen schadevergoeding hoeft te betalen omdat zowel de wederpartij wist of behoorde te weten dat een toereikende volmacht aan zijn zijde ontbrak. Dit verweer slaagt.
ECLI:NL:GHSHE:2025:2896
text/xml
public
2026-08-05T08:49:27
2025-10-21
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
2025-10-21
200.344.794_01
Uitspraak
Hoger beroep
NL
‘s-Hertogenbosch
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Burgerlijk Wetboek Boek 3 70
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2896
text/html
public
2026-08-05T08:43:20
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2025:2896 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 21-10-2025 / 200.344.794_01
In deze procedure wordt schadevergoeding gevorderd op grond van artikel 3:70 BW. De pseudo-gevolmachtigde voert als verweer dat hij geen schadevergoeding hoeft te betalen omdat zowel de wederpartij wist of behoorde te weten dat een toereikende volmacht aan zijn zijde ontbrak. Dit verweer slaagt.
zaaknummer 200.344.794/01
arrest van 21 oktober 2025
in de zaak van
[xx] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [xx] ,
advocaat: mr. D.B. Dubach te ‘s-Hertogenbosch,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. F.E. Boonstra te ‘s-Gravenhage.
op het bij exploot van dagvaarding van 8 augustus 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 mei 2024, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, gewezen tussen [xx] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met producties;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord;
de mondelinge behandeling van 10 september 2025, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
de bij H3-formulier van 29 augustus 2025 door mr. Dubach toegezonden akte houdende wijziging nummering producties en overleggen producties 29-33, die bij de mondelinge behandeling in het geding is gebracht.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Kruger, een interim managementbureau, heeft een overeenkomst van opdracht gesloten met de besloten vennootschap Groot Stokkert. [geïntimeerde] heeft deze overeenkomst namens Groot Stokkert ondertekend. [xx] heeft werkzaamheden verricht op grond van deze overeenkomst. In een eerdere procedure tussen Groot Stokkert en [xx] is door de rechtbank Midden-Nederland beslist dat Groot Stokkert niet voor de werkzaamheden hoeft te betalen, omdat [geïntimeerde] niet gevolmachtigd was de overeenkomst aan te gaan, er ook geen schijn van volmacht was en Groot Stokkert de overeenkomst niet heeft bekrachtigd. In deze procedure vordert [xx] van [geïntimeerde] dat hij schadevergoeding betaalt op grond van artikel 3:70 BW. [geïntimeerde] voert als verweer dat hij geen schadevergoeding hoeft te betalen omdat zowel Kruger als [xx] wisten of behoorden te weten dat een toereikende volmacht aan de zijde van [geïntimeerde] ontbrak. Naar het oordeel van het hof slaagt dat verweer. Dat betekent dat de vorderingen van [xx] worden afgewezen.
4.1.
De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn niet bestreden. Deze vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt, met uitzondering van de genoemde contractspartijen gedurende de eerste opdracht (vgl. productie 15 van [xx] ). Het hof heeft de opsomming van de feiten daarmee in lijn gebracht. Daarnaast staan nog enige andere feiten vast.
4.1.1.
[xx] houdt zich bezig met advisering op het gebied van management, bedrijfsvoering, administratieve dienstverlening en interim management. Enig (indirect) bestuurder van [xx] is [persoon A] . [persoon A] is ook uitvoerder van voornoemde adviseringswerkzaamheden door [xx] .
4.1.2.
Tussen maart 2018 en juli 2018 heeft [geïntimeerde] als interim manager van European Care Residence Hotel and Resort ECR B.V. (hierna: ECR) gewerkt. [geïntimeerde] heeft in die hoedanigheid [persoon A] ingehuurd als financieel directeur voor ECR. De bijbehorende overeenkomsten zijn gesloten via tussenpersoon Kruger Interim Management B.V. (hierna: Kruger). ECR heeft een overeenkomst gesloten met Kruger voor het inschakelen van een financieel directeur. Vervolgens heeft Kruger een aparte overeenkomst gesloten met [xx] voor het inzetten van [persoon A] als financieel directeur bij ECR.
4.1.3.
Rond 23 juli 2018 hebben [geïntimeerde] , Kruger, [xx] en [persoon A] voornoemde werkzaamheden voor ECR beëindigd.
4.1.4.
In de periode daarna is [geïntimeerde] gaan onderzoeken of hij een dochtervennootschap van ECR, European Care Residence Hotel and Resort Groot Stokkert B.V. (hierna: Groot Stokkert), kon overnemen. Op 9 oktober 2018 heeft [geïntimeerde] een overeenkomst ondertekend als onderdeel van dat onderzoek (hierna: de Overeenkomst). Die Overeenkomst is gesloten met Kruger en houdt in dat Kruger een Interim Managementopdracht verricht die wordt uitgevoerd door opdrachtnemer [xx] en waarbij [persoon A] is aangewezen als uitvoerder (artikel 2.2 Overeenkomst). De opdracht is als volgt in de Overeenkomst beschreven:
“Health resort Groot Stokkert is een luxe vakantieverblijf gelegen in [A]. Zowel het terrein als de accommodaties zijn volledig toegankelijk voor mensen met en zonder een lichamelijke beperking.
Momenteel is Groot Stokkert nog in handen van ECR 2.0 onderdeel van BPG, maar daar wordt het op korte termijn uitgenomen. [persoon A] is in haar rol van Hoofd Bedrijfsvoering/Manager Operations Groot Stokkert intensief bij dit ontvlechtingstraject en de opbouw van de nieuwe organisatie betrokken en zal alle taken en verantwoordelijkheden op zich nemen die bij een dergelijk proces behoren.
[persoon A] communiceert rechtstreeks met [geïntimeerde] in zijn positie van DGA van de nieuwe onderneming. Tevens zal zij hem gevraagd en ongevraagd van advies dienen op terreinen die tot haar competentie veld behoren.”
[xx] en [persoon A] zijn geen partij bij deze Overeenkomst. Zij hebben ten behoeve van de uitvoering een losse overeenkomst met Kruger gesloten.
4.1.5.
Vanaf 15 september 2018 heeft [persoon A] werkzaamheden verricht met betrekking tot die mogelijke overname door [geïntimeerde] . In november 2018 heeft [persoon A] via haar besloten vennootschappen € 50.000,- uitgeleend aan een besloten vennootschap van [geïntimeerde] .
4.1.6.
De beoogde overname door [geïntimeerde] is niet doorgegaan.
4.1.7.
Na het afbreken van de overnameonderhandelingen heeft [xx] verzocht om betaling voor de werkzaamheden van [persoon A] . Kruger heeft geweigerd te betalen, omdat zij geen betaling van Groot Stokkert had ontvangen.
4.1.8.
Op 19 juli 2019 zijn [xx] en Kruger een akte van cessie overeengekomen, waarin Kruger de vordering op Groot Stokkert overdraagt aan [xx] . Daarop heeft [xx] aan Groot Stokkert om betaling verzocht.
4.1.9.
Vervolgens is [xx] een procedure bij de rechtbank Midden-Nederland gestart tegen Groot Stokkert. Daarin heeft zij – onder andere – betaling voor de werkzaamheden van [persoon A] gevorderd. [geïntimeerde] is geen partij geweest bij die procedure.
4.1.10.
Op 7 april 2021 heeft de rechtbank Midden-Nederland de vorderingen van [xx] afgewezen. In dat vonnis overweegt de rechtbank dat [geïntimeerde] geen (schijn van) volmacht heeft om Groot Stokkert te vertegenwoordigen (artikel 3:61 lid 2 en 3:66 BW). Hierdoor is Groot Stokkert niet gebonden aan de Overeenkomst met Kruger. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
4.1.11.
Op 9 februari 2022 heeft [xx] de (vermeende) vordering op [geïntimeerde] bij akte van cessie overgenomen van Kruger, voor zover deze vordering niet al bij de eerdere cessieakte is overgedragen.
De procedure bij de rechtbank
4.2.1.
In de onderhavige procedure vordert [xx] dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 100.000,- aan haar te betalen, alsmede de proceskosten.
4.2.2.
Aan deze vordering heeft [xx] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] heeft Groot Stokkert onbevoegd vertegenwoordigd ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen Kruger en Groot Stokkert. Op grond van artikel 3:70 BW is [geïntimeerde] aansprakelijk voor de schade die Kruger daardoor heeft geleden. Die schade bestaat uit het misgelopen positieve contractsbelang, namelijk de betaling voor de werkzaamheden die [persoon A] heeft uitgevoerd.
4.2.3.
Bij verstek gewezen vonnis van 10 augustus 2022 zijn de vorderingen van [xx] toegewezen.
4.2.4.
[geïntimeerde] is tijdig in verzet gekomen en heeft gevorderd dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [xx] alsnog worden afgewezen. Daartoe heeft [geïntimeerde] gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
4.2.5.
In het tussenvonnis van 18 januari 2023 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.
4.2.6.
In het eindvonnis van 8 mei 2024 heeft de rechtbank het verstekvonnis van 10 augustus 2022 vernietigd. De rechtbank heeft, opnieuw beslissend, de vorderingen van [xx] afgewezen en haar in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld. [geïntimeerde] is veroordeeld in de proceskosten die zijn veroorzaakt door het aanvankelijk niet verschijnen.
De procedure in hoger beroep
4.3.
[xx] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [xx] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
4.4.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en concludeert tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank van 8 mei 2024, met veroordeling van [xx] in de kosten van de procedure.
4.5.
Met haar grieven komt [xx] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [xx] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat Kruger bij het aangaan van de Overeenkomst wist dat [geïntimeerde] niet bevoegd is geweest om Groot Stokkert te binden voorafgaand aan de overname aan een betalingsverplichting. Voor zover door [xx] in de grieven 1, 2 en 3 aan de orde is gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat door [geïntimeerde] een (voldoende duidelijk) beroep is gedaan op de tenzij-bepaling van artikel 3:70 BW, behoeft hierop niet door het hof meer te worden beslist, omdat [geïntimeerde] , zoals door [xx] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is bevestigd, dat beroep in ieder geval in hoger beroep heeft gedaan.
Juridisch kader artikel 3:70 BW
4.6.
Artikel 3:70 BW bepaalt dat hij die als gevolmachtigde handelt, jegens de wederpartij instaat voor het bestaan en de omvang van de volmacht, tenzij de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbreekt of de gevolmachtigde de inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij heeft medegedeeld. Aldus bevat artikel 3:70 BW twee uitzonderingen. De pseudogevolmachtigde is niet gebonden door een garantieverbintenis en dus niet aansprakelijk, als (a) de wederpartij wist of moest begrijpen dat een toereikende volmacht ontbrak of (b) – in geval van ontoereikende volmacht – de gevolmachtigde de inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij heeft medegedeeld. In deze gevallen wordt ervan uitgegaan dat de wederpartij zijn schade aan zichzelf heeft te wijten. De stelplicht en het bewijsrisico ten aanzien van de uitzonderingen rusten op de pseudogevolmachtigde. Het is het hof niet gebleken dat de rechtbank dit juridisch kader heeft miskend, zodat grief 2 tevergeefs is voorgesteld.
4.7.
[geïntimeerde] (de pseudogevolmachtigde) heeft aangevoerd dat hij niet aansprakelijk is omdat hij stelt dat sprake is van de situatie als hiervoor vermeld als (a). Volgens [geïntimeerde] wist Kruger (de wederpartij), althans had zij behoren te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbrak. Ook [xx] en [persoon A] waren hiervan op de hoogte.
Ontbreken toereikende volmacht?
4.8.
[geïntimeerde] heeft daartoe het volgende aangevoerd. Na de verkoop van de aandelen ECR op 23 juli 2018 aan ECR 2.0, hetgeen tevens het einde betekende van [geïntimeerde] als ad interim bestuurder van ECR en van [xx] als financieel directeur van ECR, ging [geïntimeerde] onderzoeken of hij (de aandelen) Groot Stokkert van ECR 2.0 zou kunnen kopen. [geïntimeerde] kwam met [xx] / [persoon A] , via Kruger, tot een overeenkomst van opdracht, waarbij [persoon A] feitelijk voor Groot Stokkert zou gaan werken, als [geïntimeerde] Groot Stokkert zou hebben gekocht en alsdan enig bestuurder zou zijn geworden. De overname is niet doorgegaan en [persoon A] wist heel goed dat zij pas vergoeding van werkzaamheden zou kunnen claimen, als de overname was gerealiseerd. [geïntimeerde] sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank Midden-Nederland in het vonnis van 7 april 2020 dat [persoon A] / [xx] op het moment van het tekenen van de Overeenkomst wist dat [geïntimeerde] niet bevoegd was om de Overeenkomst namens Groot Stokkert aan te gaan. Volgens [geïntimeerde] wisten alle partijen (Kruger, [xx] en [persoon A] ) op het moment van het tot stand komen van de Overeenkomst dat [geïntimeerde] geen bestuurder of operationeel manager van Groot Stokkert was, doch dat hij doende was te onderzoeken of hij Groot Stokkert kon overnemen, zonder dat er zekerheid bestond dat die overname zou doorgaan. Volgens [geïntimeerde] heeft [persoon A] tegen hem in september 2018 gezegd dat zij hem wel wilde helpen met zijn overnameplannen omdat zij nog geen nieuwe opdracht had en nog bezig was met een opleiding. [geïntimeerde] heeft daarop direct verklaard dat hij haar daarvoor niet kon betalen zo lang er geen financiering was voor de overname. Omdat [xx] ( [persoon A] ) op grond van een relatiebeding vastzat aan Kruger is de Overeenkomst met Kruger gesloten. Voor alle partijen was echter duidelijk dat pas tot facturering en betaling zou kunnen worden overgegaan, als de overname eind 2018/begin 2019 zou doorgaan en [geïntimeerde] alsdan de nieuwe bestuurder zou worden van Groot Stokkert. De Overeenkomst was er alleen om te formaliseren dat er na overname door Groot Stokkert met terugwerkende kracht betaald ging worden, aldus [geïntimeerde] .
4.9.
Het hof oordeelt als volgt. Vast staat tussen partijen dat bij het aangaan van de eerdere gesloten overeenkomst van opdracht van 24 april 2018 tussen Kruger en ECR het als volgt is gegaan. [geïntimeerde] was als ad interim bestuurder en algemeen directeur medio maart 2018 aangesteld met als taak de ECR-organisatie richting rustiger vaarwater te loodsen. Dit zou moeten gebeuren door verkoop van de organisatie en het vastgoed, in zijn geheel of in delen. In dat kader is [persoon A] gevraagd om leiding te geven aan de financiële administratie, waarbij speciale aandacht diende te krijgen het aanstaande verkoopproces (productie 15 bij akte [xx] ). Op de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [geïntimeerde] verklaard dat voordat [persoon A] met haar werkzaamheden aanving een voorschot diende te worden betaald van € 25.000,- aan Kruger, zoals ook blijkt uit artikel 4.3 van de overeenkomst van 24 april 2018, en dat vervolgens per week door Kruger is gefactureerd, waarna telkens direct door ECR is betaald. Dit is door [persoon A] namens [xx] op de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd. [persoon A] is op 30 april 2018 met haar werkzaamheden aangevangen.
4.10.
Voorts staat vast dat [geïntimeerde] op 23 juli 2018 met de aandelenoverdracht van ECR naar ECR 2.0 geen bestuurder meer was van ECR. [persoon A] heeft, zo heeft zij op de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard, de nieuwe financieel directeur van ECR 2.0 nog ingewerkt en haar werkzaamheden met ingang van 15 september 2018 beëindigd. Zowel voor Kruger, [xx] als [persoon A] was duidelijk dat aan de overeenkomst van opdracht van 24 april 2018 een einde was gekomen en dat er een aandelentransactie had plaatsgevonden, waarna [geïntimeerde] geen bestuurder meer was van ECR en ook geen bestuurder was geworden van ECR 2.0 en/of Groot Stokkert.
4.11.
Ten slotte staat tussen partijen vast dat vanaf 19 september 2018 [persoon A] werkzaamheden in het kader van de beoogde overname van Groot Stokkert door [geïntimeerde] is gaan verrichten. [persoon A] wist dat [geïntimeerde] bezig was met een overname van Groot Stokkert en dat daarvoor de financiering nog diende rond te komen. Betaling van haar werkzaamheden zou plaatsvinden na overname door [geïntimeerde] eind december 2018/begin januari 2019, omdat [geïntimeerde] “dan pas eigenaar [zou] zijn geweest” (verklaring [persoon A] in het proces-verbaal van 1 februari 2024, pagina 3). Op 9 oktober 2018 is de Overeenkomst ondertekend door Kruger en [geïntimeerde] . De Overeenkomst is opgesteld door Kruger. In de bijlage bij de Overeenkomst is vermeld: “Momenteel is Groot Stokkert nog in handen van ECR 2.0, onderdeel van BPG, maar daar wordt het op korte termijn uitgenomen.” en “ [persoon A] [hof: [persoon A] ] communiceert rechtstreeks met [geïntimeerde] in zijn positie van DGA van de nieuwe onderneming.”. Door Kruger zijn geen facturen aan Groot Stokkert en/of [geïntimeerde] gestuurd naar aanleiding van de Overeenkomst. De door [xx] gewerkte uren zijn niet (wekelijks of maandelijks) afgetekend door Groot Stokkert en/of [geïntimeerde] .
4.12.
Namens [xx] is erkend dat [geïntimeerde] bij de ondertekening van de Overeenkomst geen (stilzwijgende) volmacht had van Groot Stokkert, dat daar ook geen schijn van was en dat Groot Stokkert de Overeenkomst niet heeft bekrachtigd. Aldus sluit ook [xx] zich aan bij het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland van 7 april 2021, zodat het hof de vraag of het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland al dan niet gezag van gewijsde heeft tussen partijen kan laten rusten.
4.13.
Ondanks de hiervoor onder rechtsoverweging 4.12 vermelde erkenning van [xx] , begrijpt het hof dat het standpunt van [xx] in deze procedure is dat het beroep van [geïntimeerde] op de tenzij-bepaling van artikel 3:70 BW niet opgaat. Daartoe voert [xx] , als betwisting van het bevrijdend verweer van [geïntimeerde] , aan dat (i) de omstandigheid dat bij [persoon A] (en Kruger) bekend was dat er pas later (uiterlijk in januari 2019) betaald zou worden, niet betekent dat [geïntimeerde] niet bevoegd was om Groot Stokkert te vertegenwoordigen, (ii) [geïntimeerde] zijn handtekening op de Overeenkomst namens Groot Stokkert heeft gezet, (iii) [geïntimeerde] tegenover [persoon A] (en alle medewerkers van Groot Stokkert) heeft verklaard dat hij al economisch eigenaar was en (iv) [geïntimeerde] diverse andere opdrachten uit naam van Groot Stokkert verstrekte. Belangrijker is, zo heeft [xx] betoogd, dat ook Kruger ervan uitging dat [geïntimeerde] bevoegd was om Groot Stokkert te vertegenwoordigen. Er was sprake van precies dezelfde constructie als bij de eerdere opdracht, aldus [xx] .
4.14.
Met deze betwisting gaat [xx] langs de kern van het verweer van [geïntimeerde] heen en gaat [xx] onvoldoende in op de in het kader van artikel 3:70 BW te beoordelen vraag of de wederpartij (Kruger) wist of had behoren begrijpen dat een toereikende volmacht van [geïntimeerde] ontbrak. [geïntimeerde] heeft dienaangaande immers aangevoerd dat alle partijen (Kruger, [xx] en [persoon A] ) op het moment van het tot stand komen van de Overeenkomst wisten dat [geïntimeerde] geen bestuurder of operationeel manager van Groot Stokkert was, doch dat hij doende was te onderzoeken of hij Groot Stokkert kon overnemen, zonder dat die overname vaststond. Betaling zou pas plaatsvinden indien de overname door [geïntimeerde] van Groot Stokkert, een B.V. die nog in handen was ECR 2.0 en onderdeel was van de BluePrintGroup, rond zou komen. Dit is niet, althans onvoldoende, gemotiveerd door [xx] betwist. Dat sprake was een zelfde constructie voor de nieuwe opdracht, zoals [xx] heeft betoogd, wordt gelogenstraft door de hiervoor in rechtsoverweging 4.9. vastgestelde feiten. Bij de totstandkoming van de Overeenkomst is geen voorschot betaald, werd niet per week (of maand) gefactureerd en is [persoon A] op 19 september 2018 (voor het tekenen van de Overeenkomst) gestart met haar werkzaamheden. Dat ook Kruger wist, althans behoorde te weten, dat [geïntimeerde] een ontoereikende volmacht had, volgt uit de door Kruger zelf opgenomen opmerkingen in de bijlage bij de Overeenkomst dat Groot Stokkert “momenteel”, en dus op het moment van ondertekenen, nog in handen was van ECR 2.0 en dat er wordt gerept van de positie van [geïntimeerde] in zijn positie van DGA van de nieuwe onderneming.”. Kruger heeft gedurende de maanden september tot en met december 2018 (en ook nadien) geen factuur gestuurd naar Groot Stokkert, waaruit naar het oordeel van het hof niet anders kan volgen, dan dat ook Kruger bekend was met de afspraak dat alleen in geval van overname van Groot Stokkert door de nieuwe onderneming van [geïntimeerde] voor de werkzaamheden van [persoon A] zou worden betaald.
4.15.
Waarom Kruger, in de persoon van [persoon B] (productie 14 bij akte), er ten tijde van de ondertekening toch vanuit is gegaan dat [geïntimeerde] Groot Stokkert vertegenwoordigde en daartoe ook bevoegd was, is, in het licht van de tekst van de bijlage bij de Overeenkomst en de feitelijke gang van zaken, onvoldoende door [xx] toegelicht. Daarbij betrekt het hof dat de totstandkoming en uitvoering van de Overeenkomst op een geheel andere wijze heeft plaatsgevonden dan de eerdere overeenkomst van opdracht en dat Kruger daarvan ook op de hoogte was. Dat [geïntimeerde] zijn handtekening heeft geplaatst op de Overeenkomst, waarbij hij tekende voor Groot Stokkert, is, in het licht van alle omstandigheden, onvoldoende om te oordelen dat Kruger dus niet wist of behoorde te weten van de ontoereikende volmacht. Kruger heeft zelf de Overeenkomst opgesteld en de tekst van de bijlage opgenomen, waaruit volgt dat bij Kruger bekend was dat Groot Stokkert nog onderdeel uitmaakte van ECR 2.0 en dat [geïntimeerde] de DGA van de nieuwe onderneming zou worden. Nu Kruger bekend was met deze informatie, Kruger degene was die de Overeenkomst had opgesteld, terwijl Kruger bekend was met de vorige opdracht, het verloop ervan en de positie van [geïntimeerde] na de aandelenoverdracht in juli 2018, kan het niet anders dan dat Kruger wist, dan wel behoorde deze te weten dat [geïntimeerde] geen toereikende volmacht had op het moment van ondertekenen van de Overeenkomst.
4.16.
[xx] heeft naar voren gebracht dat [geïntimeerde] zou hebben gezegd tegen [persoon A] (en alle medewerkers van Groot Stokkert) dat hij al economisch eigenaar was van Groot Stokkert. Dat [geïntimeerde] dit ook tegen Kruger zou hebben gezegd of dat [persoon A] Kruger hiervan op de hoogte heeft gesteld, is door [xx] niet aangevoerd. Los hiervan, [geïntimeerde] heeft betwist dat hij op enig moment zou hebben gezegd dat hij al economisch eigenaar zou zijn. Dit zou bovendien ook in tegenspraak zijn met het consistente verhaal van [geïntimeerde] dat hij bezig was met een overname maar dat daarvoor nog financiering benodigd was, welk verhaal door [xx] is bevestigd. [xx] heeft niet aangevoerd op welk moment dit door [geïntimeerde] zou zijn gezegd, terwijl indien [xx] (of Kruger) wel van die veronderstelling zou zijn uitgegaan niet te begrijpen valt waarom dit niet zou zijn opgenomen in de Overeenkomst of de bijlage bij de Overeenkomst en er in dat geval niet onmiddellijk door Kruger zou zijn gefactureerd. Het hof gaat hieraan dan ook voorbij. Dat [geïntimeerde] andere overeenkomsten heeft ondertekend namens Groot Stokkert, bijvoorbeeld voor een dakreparatie van het vastgoed, waarbij de rekening (achteraf) door Groot Stokkert is betaald, betekent niet dat [xx] , in weerwil van alle andere in deze procedure vastgestelde feiten en de positie van [xx] / [persoon A] waarbij zij zicht had op het financiële reilen en zeilen van Groot Stokkert, daaruit af heeft mogen leiden dat [geïntimeerde] wel bevoegd was om Groot Stokkert te vertegenwoordigen op het moment van het ondertekenen van de Overeenkomst.
Toezeggingen [geïntimeerde] ?
4.17.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [persoon A] op grond van bepaalde uitlatingen door [geïntimeerde] en/of door het vertrouwen dat [geïntimeerde] bij [persoon A] heeft opgewekt en de persoonlijke affectieve relatie die tussen hen bestond, van oordeel is dat sprake is van een afspraak tussen haar en [geïntimeerde] . Die afspraak zou inhouden dat [xx] / [persoon A] hoe dan ook betaald zou krijgen voor haar werkzaamheden. [persoon A] verwijst naar de door [xx] als producties 29-31 overgelegde What’s app-conversatie tussen [persoon A] en [geïntimeerde] . Wat hier verder ook van zij, het hof stelt vast dat [xx] de nakoming van een mondelinge overeenkomst of onrechtmatig handelen door [geïntimeerde] niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. [xx] heeft haar schadevergoedingsvordering nadrukkelijk gebaseerd op artikel 3:70 BW, terwijl het hof hiervoor heeft geoordeeld dat haar vordering niet op die grondslag kan worden toegewezen.
Bewijsaanbod
4.18.
Het bewijsaanbod van [xx] in de memorie van grieven ziet op haar stelling dat [xx] in de periode van september tot en met december 2018 504 uren aan werkzaamheden heeft verricht en is in zoverre niet ter zake dienend. In de akte houdende wijziging nummering producties en overlegging producties biedt [xx] aan [persoon A] en [persoon B] als getuigen te horen omdat zij kunnen verklaren dat aan hen niet is medegedeeld dat een toereikende volmacht aan de zijde van [geïntimeerde] ontbrak en zij niet op de hoogte waren van het ontbreken van een ontoereikende volmacht. Voor wat betreft de stelling dat aan [persoon A] en [persoon B] door [geïntimeerde] niet is medegedeeld dat een toereikende volmacht ontbrak, betreft dit de uitzondering (hiervoor aangeduid in rechtsoverweging 4.6 als b) waarop [geïntimeerde] geen beroep heeft gedaan. In zoverre is het bewijsaanbod dus ook niet ter zake dienend. Voor wat betreft de betwisting door [xx] dat zij (en Kruger) niet wisten (en ook niet behoorden te weten) van het ontbreken een toereikende volmacht heeft [xx] haar betwisting, mede gelet op de erkenning van [xx] zoals in rechtsoverweging 4.12 is overwogen, onvoldoende gemotiveerd. Aan bewijslevering komt het hof niet toe.
Slotsom
4.20.
De slotsom is dat de grieven 1 tot en met 4 falen. De ongenummerde grief, die het hof aanmerkt als grief 5, kan eveneens niet slagen. [xx] is door de rechtbank terecht in de proceskosten van eerste aanleg veroordeeld. Ook in hoger beroep geldt [xx] als de in het ongelijk gestelde partij en zal zij dus in de proceskosten van [geïntimeerde] worden veroordeeld. Het hof begroot de proceskosten op
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 7.144,- (2 punten x Tarief V)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
Totaal € 8.120,-
De proceskostenveroordeling zal het hof, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis van 8 mei 2024;
veroordeelt [xx] aan [geïntimeerde] de proceskosten van hoger beroep, tot op heden begroot op € 8.120,- te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [xx] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,- en de kosten van betekening;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, K.J.H. Hoofs en J.W.P.M. van der Velden en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 oktober 2025.
griffier rolraadsheer