Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHSHE:2026:1594

Belanghebbende maakt bezwaar tegen terugbetaling van toeslagen en betoogt daarmee ook bezwaar tegen de aanslag IB/PVV te hebben gemaakt en recht te hebben op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het hof oordeelt dat het bezwaarschrift niet als bezwaar tegen de aanslag IB/PVV kan worden aangemerkt. De inspecteur heeft het inkomen ambtshalve verminderd, waardoor geen rechtsingang openstaat. ...

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 6 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHSHE:2026:1594
text/xml
public
2026-08-06T08:34:25
2026-06-17
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
2026-06-17
25/25
Uitspraak
Hoger beroep
NL
‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:8352, Bekrachtiging/bevestiging

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1594
text/html
public
2026-08-06T08:34:13
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2026:1594 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 17-06-2026 / 25/25

Belanghebbende maakt bezwaar tegen terugbetaling van toeslagen en betoogt daarmee ook bezwaar tegen de aanslag IB/PVV te hebben gemaakt en recht te hebben op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het hof oordeelt dat het bezwaarschrift niet als bezwaar tegen de aanslag IB/PVV kan worden aangemerkt. De inspecteur heeft het inkomen ambtshalve verminderd, waardoor geen rechtsingang openstaat. Er heeft geen bezwaarprocedure plaatsgevonden die recht geeft op kostenvergoeding. Hoger beroep ongegrond. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat de hoofdzaak eerder is geëindigd. Het tijdsverloop rondom het verzoek om vergoeding van proceskosten en immateriële schade blijft buiten beschouwing bij de beoordeling van de redelijke termijn.

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 25/25

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] , met gekozen domicilie in [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 december 2024, nummer BRE 22/2759, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

<br /> 1Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 13 april 2021 de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2019 vastgesteld.

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 12 november 2021 de beschikking ‘Niet in Nederland belastbaar inkomen’ (hierna: NiNbi-beschikking) gegeven.

1.3.

Belanghebbende heeft met dagtekening 8 januari 2022 de definitieve berekening toeslagen 2019 ontvangen.

1.4.

Belanghebbende heeft met dagtekening 26 januari 2022 bezwaar gemaakt bij de dienst toeslagen van de Belastingdienst.

1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar is met een medewerker van de BelastingTelefoon gesproken over onder meer de aanslag IB/PVV 2019.

1.6.

De inspecteur heeft met dagtekening 25 februari 2022 een verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 gegeven.

1.7.

Belanghebbende heeft tegen deze verminderingsbeschikking beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft (bij prorogatie) het beroep ongegrond verklaard.

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

1.10.

De zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.11.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

<br /> 2Feiten

2.1.

Belanghebbende is op [geboortedatum] 1990 geboren. De gemachtigde van belanghebbende is zijn moeder.

2.2.

Volgens de Basisregistratie Personen woonde belanghebbende in de periode van 1 januari 2019 tot en met 10 november 2019 in Nederland en in de periode van 11 november 2019 tot en met 31 december 2019 in Duitsland.

2.3.

Belanghebbende ontving in 2019 uit Nederland € 965 aan inkomsten, waarover € 353 aan loonheffing is ingehouden.

2.4.

De aanslag IB/PVV 2019 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10 en een verzamelinkomen van € 975.

2.5.

De NiNbi-beschikking vermeldt een ‘Voordeel uit sparen en beleggen’ van € 0 en een ‘Toegepast in Nederland belastbaar inkomen’ van € 975.

2.6.

De ontvangstbevestiging van het in 1.4 bedoelde bezwaar van de dienst toeslagen van de Belastingdienst vermeldt voor zover hier relevant het volgende:

“Uw inkomen

U hebt ook bezwaar gemaakt tegen het inkomen dat wij hebben gebruikt voor de definitieve berekening. De inspecteur van de Belastingdienst behandelt dit deel van uw bezwaar. Als de inspecteur besluit dat het inkomen wordt aangepast of als uw inkomen inmiddels al is aangepast, dan krijgt u vanzelf een herziene definitieve berekening van uw toeslag(en).”

2.7.

De inspecteur heeft bij de in 1.6 bedoelde verminderingsbeschikking de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Het verzamelinkomen is daardoor bepaald op € 965. De wijziging heeft niet geleid tot teruggaaf van de voorheffingen omdat die reeds waren teruggegeven aan belanghebbende.

2.8.

Belanghebbende heeft bij brief van 10 november 2024 de rechtbank verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

<br /> 3Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft belanghebbende recht op een kostenvergoeding in bezwaar?

II. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en een vergoeding van immateriële schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en geen vergoeding van immateriële schade.

<br /> 4Gronden

Ten aanzien van het geschil

I. Kostenvergoeding in bezwaar?

4.1.

Belanghebbende betoogt dat de in 1.6 bedoelde verminderingsbeschikking moet worden aangemerkt als een uitspraak op het bezwaarschrift van 26 januari 2022 (1.4) en niet als een ambtshalve vermindering en hij daarom recht heeft op een bezwaarkostenvergoeding. Hij voert aan dat het bezwaar mede was gericht tegen de aanslag IB/PVV 2019 en de NiNbibeschikking. Volgens belanghebbende heeft hij, via zijn gemachtigde, telefonisch contact gehad met de inspecteur van de Belastingdienst/toeslagen over de huurtoeslag en met de inspecteur over zijn inkomen. Tijdens deze contacten is hem medegedeeld dat hij een bezwaarschrift moest indienen tegen de besluiten van de inspecteur van de Belastingdienst/toeslagen en van de inspecteur. Vervolgens heeft hij op 26 januari 2022 een bezwaarschrift ingediend. Belanghebbende kan zich niet vinden in de overweging van de rechtbank dat de inspecteur kennelijk naar aanleiding van overleg ambtshalve tot vermindering heeft besloten. Volgens hem volgde het besluit uit het telefonisch contact voor en na het ingediende bezwaarschrift, waarin hij duidelijk maakte het niet eens te zijn met de inkomensvaststelling. Hij wijst daartoe ook op de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift, waarin door de inspecteur van de Belastingdienst/toeslagen is vermeld dat het bezwaar ook betrekking heeft op het inkomen en dat de inspecteur dit deel behandelt.

4.2.

Het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Het bezwaarschrift moet onder andere ten minste een omschrijving bevatten van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en de gronden van het bezwaar. Een geschrift wordt als bezwaarschrift aangemerkt wanneer een belanghebbende laat blijken bezwaar te hebben tegen de betrokken aanslag en die in rechte te willen bestrijden.

4.3.

Het hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt dat uit de brief van 26 januari 2022 blijkt dat beoogd is bezwaar te maken tegen de aanslag van 13 april 2021 en de NiNbibeschikking van 12 november 2021. De brief is gericht aan de Belastingdienst/toeslagen, vermeldt expliciet dat het bezwaar is gericht tegen het besluit van 8 januari 2022 (zie 1.3), noemt het kenmerk van dat besluit en verzoekt om herziening daarvan en vaststelling van de huurtoeslag op het ontvangen voorschot. De verwijzing naar de NiNbibeschikking dient ter onderbouwing dat er in 2019 geen wereldinkomen uit aanmerkelijk belang of voordeel uit sparen en beleggen was, maar impliceert niet dat belanghebbende het oneens is met de daarin genoemde bedragen. Uit niets in de brief blijkt dat belanghebbende bezwaar maakt tegen de aanslag of NiNbi-beschikking. Het hof is dan ook van oordeel dat de brief van 26 januari 2022 niet als bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2019 of de NiNbi-beschikking kan worden aangemerkt. Dat de ontvangstbevestiging van de inspecteur van de Belastingdienst/toeslagen dit ten onrechte vermeldt, doet daaraan niet af. De inspecteur van de Belastingdienst/toeslagen is een ander bestuursorgaan dan de inspecteur van de Belastingdienst (inkomstenbelasting). Ook het telefonisch contact met de BelastingTelefoon leidt niet tot een ander oordeel.

Dit betekent dat de inspecteur, kennelijk naar aanleiding van dit telefonisch contact, ambtshalve de aanslag IB/PVV 2019 heeft verminderd. De vraag of deze ambtshalve vermindering als ambtshalve vermindering op verzoek als bedoeld in artikel 9.6, lid 5, Wet IB 2001 heeft te gelden hoeft niet beantwoord te worden omdat in beide gevallen geen aanspraak bestaat op een bezwaarkostenvergoeding. Daarvoor is namelijk op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vereist dat sprake is van een bezwaar als bedoeld in artikel 7:15 Awb en daar is in dit geval geen sprake van.

4.4.

Het voorgaande betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding in bezwaar.

II. Immateriële schadevergoeding?

4.5.

Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil. De rechtbank heeft (impliciet) dit verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen. Volgens belanghebbende heeft de rechtbank het verzoek ten onrechte afgewezen.

4.6.

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.

4.7.

De immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, is gelegen in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht. Daarmee is in overeenstemming dat de voor het toekennen van vergoeding van immateriële schade in aanmerking te nemen periode, na een uitspraak waarmee het geschil inzake de belastingheffing ten einde is gekomen, niet doorloopt in geval de rechter nog bij afzonderlijke uitspraak moet beslissen op een verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Het wachten op die afzonderlijke uitspraak kan niet worden geacht een voortzetting van de eerder door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie mee te brengen. Er is geen reden om anders te oordelen ten aanzien van andere verzoeken die niet de hoofdzaak betreffen, zoals verzoeken om vergoeding van proceskosten. Daaruit volgt dat ook in het geval de rechter na de beëindiging van het geschil inzake de belastingheffing nog moet beslissen op dergelijke, met het verloop van de procedure verband houdende, verzoeken, het daarmee gemoeide tijdsverloop niet van invloed is op de termijn waarbinnen het geschil over de belastingheffing is, of behoorde te zijn, beëindigd. Dit geldt ook indien het geschil inzake de belasting niet is beëindigd door een uitspraak van de rechter, maar door de kennisgeving van een beslissing van de inspecteur.

4.8.

Het hof is van oordeel dat de hoofdzaak in dit geval op 25 februari 2022 is geëindigd. Op die datum heeft de inspecteur bij de verminderingsbeschikking de aanslag IB/PVV 2019 verminderd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, waardoor het verzamelinkomen is bepaald op € 965. Het tijdsverloop na die datum moet buiten beschouwing blijven bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden, omdat het wachten op de afzonderlijke uitspraak op het verzoek om vergoeding van immateriële schade en proceskosten niet kan worden geacht een voortzetting van de eerder door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie mee te brengen. Omdat de termijn waarbinnen de hoofdzaak had moeten worden beslecht niet is overschreden, is het hof van oordeel dat de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht heeft afgewezen.

Tussenconclusie

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

<br /> 5Beslissing

Het hof:

verklaart het hoger beroep ongegrond;

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, A.J. Kromhout en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Deze uitspraak is ondertekend door de griffier en door A.J. Kromhout, omdat de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

De griffier, De voorzitter,

S.M.R. Moberts A.J. Kromhout

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Als bedoeld in artikel 8a Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Artikel 6:4, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Artikel 6:5, lid 1, Awb.

Hoge Raad 28 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5166.

Artikel 9.6, lid 2, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in samenhang met artikel 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

Hoge Raad 22 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.

Artikel delen