Hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen de toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het hof is van oordeel dat sprake is van een toereikende ‘doormachtiging’ in beroep en hoger beroep. Heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kosten voor de bezwaarprocedure niet op belanghebbende drukken. Hoger beroep ongegrond.
ECLI:NL:GHSHE:2026:1595
text/xml
public
2026-08-06T08:47:25
2026-06-17
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
2026-06-17
25/1394
Uitspraak
Hoger beroep
NL
‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1595
text/html
public
2026-08-06T08:47:16
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2026:1595 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 17-06-2026 / 25/1394
Hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen de toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het hof is van oordeel dat sprake is van een toereikende ‘doormachtiging’ in beroep en hoger beroep. Heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kosten voor de bezwaarprocedure niet op belanghebbende drukken. Hoger beroep ongegrond.
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/1394
Uitspraak op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW),
hierna: de heffingsambtenaar,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 29 juli 2025, nummer ROE 24/2000 in het geding tussen
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) per de waardepeildatum 1 januari 2022 (hierna: de waardepeildatum) vastgesteld op € 688.000. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2023 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2.1.
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning, een vrijstaande woning uit 1999.
2.2.
Belanghebbende heeft op 16 februari 2023 aan [A BV] (hierna: [A BV] ) de volgende machtiging verstrekt:
“Ik machtig de medewerkers van [A BV] en eventueel door haar ingeschakelde derden om mij te vertegenwoordigen, voor mijn belang op te komen en in rechte op te treden in alle aangelegenheden omtrent de WOZ-beschikking 2023 voor mijn pand, waaronder de bezwaar- en (hoger)beroepsprocedure voor deze beschikking.
Ook geef ik opdracht aan mijn gemeente [woonplaats] om de wettelijke vergoeding voor het inschakelen van juridische bijstand (proceskostenvergoeding) rechtstreeks op rekening van [A BV] over te maken zodat [A BV] haar dienst gratis aan mij kan verlenen (cessie).”
2.3.
De heffingsambtenaar heeft een printscreen van de website van [A BV] in het geding gebracht en die vermeldt, voor zover hier van belang, de volgende veelgestelde vragen:
“Zijn jullie altijd gratis?
Ja, onze dienstverlening is écht gratis. Iedereen heeft recht op een [A BV] . Daarom vinden wij het belangrijk dat iedereen de WOZ-waarde eenvoudig kan controleren en eventueel gratis bezwaar kan maken.
Wat is jullie verdienmodel?
Bij een succesvolle bezwaarprocedure krijgen we een proceskostenvergoeding van uw gemeente. Die vergoeding dekt onze kosten. Lukt het ons niet uw WOZ-waarde te corrigeren? Dan krijgen wij ook geen vergoeding. Goed om te weten: we brengen nooit kosten bij u in rekening. Lees hier meer over onze werkwijze. De proceskostenvergoeding is wettelijk vastgelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Zijn er kosten verbonden aan het intrekken van een bezwaar?
Nee, er zijn geen kosten verbonden aan het intrekken van een bezwaarprocedure. U kunt op elk moment afzien van het bezwaar en zit nergens aan vast.”
2.4.
Met dagtekening 16 februari 2023 heeft [A BV] namens belanghebbende bezwaar aangetekend tegen de WOZ-beschikking. Het bezwaar van belanghebbende is bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 29 december 2023 ongegrond verklaard en aan belanghebbende is geen proceskostenvergoeding toegekend.
2.5.
Met dagtekening 28 juni 2023 heeft [A BV] een volmacht ondertekend. Deze volmacht vermeldt het volgende (hierna: doormachtiging):
“Ondergetekende [persoon 1] , in dit verband handelend in hoedanigheid van rechtsgeldig vertegenwoordiger van [A BV] te [plaats] ,
verklaart bij deze volmacht te verlenen aan en te machtigen de heer [persoon 2] dan wel ieder andere medewerker werkzaam bij [B BV] , om op basis van de eerder door belastingplichtige afgegeven machtiging aan [A BV] , de (hoger)beroepsprocedure te voeren aangaande het door [A BV] behandelde bezwaar voor het belastingjaar 2023, onder welke werkzaamheden in ieder geval dienen te worden verstaan:
1. beroep en/of hoger beroep in te stellen, te verschijnen, ter zake het woord te voeren en alle processuele handelingen te verrichten, welke de lasthebber noodzakelijk, nuttig of wenselijk voorkomen;
2. al datgene te verrichten wat ondergetekenden, zelf tegenwoordig zijnde, zouden mogen, moeten of kunnen doen, behoudens de gevallen waarin ingevolge wettelijk voorschrift of bevel van de rechter de persoonlijke verschijning van de lastgevers wordt vereist dan wel overlegging van een bijzondere volmacht voorgeschreven is.
Hierbij wordt tevens de eerder door belastingplichtige bij voorbaat gecedeerde
vordering uit hoofde van eventueel te ontvangen proceskostenvergoedingen
overgedragen aan [B BV] “
2.6.
In een samenwerkingsovereenkomst tussen [B BV] en [A BV] van 21 oktober 2022 is, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:
“6 VERGOEDING [B BV] BEROEP WONINGEN
6.1
Hoogte vergoeding
Indien [A BV] aan [B BV] een lead doorstuurt van een zaak ter behandeling in (hoger)beroep en/of cassatie is [B BV] een vergoeding aan [A BV] verschuldigd wanneer de zaak geschikt is of gegrond is verklaard.
De vergoeding is in dat geval gelijk aan het deel dat op basis van het Besluit proceskosten
bestuursrecht toerekenbaar is aan de bezwaarfase.
6.2
Betaling
Betaling van deze vergoeding vindt jaarlijks plaats in november en mei voor alle geschikte en gegronde zaken sinds de laatste betaling. Dit gebeurt door middel van verrekening met hetgeen [B BV] in november en mei moet betalen/ontvangen van/aan [A BV] .
6.3
Overig
[B BV] behoudt altijd de mogelijkheid om beroepen wel of niet aan te nemen / in te trekken.
[A BV] behoudt in overleg met [B BV] de mogelijkheid om beroepen aan een andere partij dan [B BV] aan te bieden.”
2.7.
Met dagtekening 8 februari 2024 heeft [B BV] (hierna: [B BV] ) namens belanghebbende beroep ingesteld.
2.8.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 29 juli 2025 de WOZ-waarde van de woning verlaagd van € 688.000 naar € 673.000. Tevens heeft de rechtbank een vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51 en een proceskostenvergoeding toegekend van € 2.589,26 waarvan € 647 voor de verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase.
2.9.
Met dagtekening 31 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar pro-forma hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hof heeft het pro-forma hoger beroepschrift naar het woonadres van belanghebbende in [woonplaats] gezonden (hierna: de kennisgeving hoger beroep).
2.10.
[B BV] heeft namens belanghebbende een verweerschrift ingediend, waarin staat dat zij op de hoogte is gebracht van het door de heffingsambtenaar ingediende (pro forma) hoger beroep in deze zaak.
3.1.
In geschil is of de rechtbank terecht een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend.
3.2.
De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank maar alleen voor zover deze ziet op de proceskostenvergoeding. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en veroordeling van de heffingsambtenaar tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten.
Vooraf
4.0.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een schriftelijke machtiging heeft verstrekt aan [A BV] . De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende geen machtiging heeft verstrekt aan [B BV] om hem vervolgens te vertegenwoordigen in beroep en hoger beroep. De heffingsambtenaar heeft daarbij gewezen op het ontbreken van een machtiging waaruit dit volgt. Ook blijkt niet dat belanghebbende weet heeft van de samenwerkingsovereenkomst tussen [A BV] en [B BV] en het voortzetten van de procedure in beroep en hoger beroep door [B BV] dan wel daar expliciete toestemming voor heeft gegeven. De door het hof aan belanghebbende toegestuurde kennisgeving hoger beroep (zie 2.9) kan ook slechts ter informatie door belanghebbende naar [B BV] zijn gestuurd, aldus de heffingsambtenaar.
4.0.1.
Naar het oordeel van het hof volgt uit de door belanghebbende afgegeven machtiging aan [A BV] (zie 2.2) en de doormachtiging van [A BV] aan [B BV] (zie 2.5) dat [B BV] is gemachtigd om beroep en hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak op bezwaar en belanghebbende te vertegenwoordigen in beroep en hoger beroep. Belanghebbende heeft niet alleen [A BV] , maar ook eventueel door haar ingeschakelde derden gemachtigd om hem te vertegenwoordigen en [A BV] heeft op haar beurt een machtiging aan [B BV] verstrekt. [B BV] heeft namens belanghebbende beroep ingesteld en in hoger beroep een verweerschrift ingediend. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de kennisgeving van het hoger beroep aan belanghebbende zelf en niet aan [B BV] is toegestuurd (zie 2.9), waarna [B BV] namens belanghebbende verweer in hoger beroep heeft gevoerd (zie 2.10). Daarnaast heeft [B BV] ter zitting verklaard voorafgaand aan de zitting bij het hof telefonisch contact met belanghebbende over deze procedure te hebben gehad. Het hof ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Anders dan de heffingsambtenaar meent, is sprake van een toereikende machtiging voor het instellen van beroep en de vertegenwoordiging in hoger beroep door [B BV] namens belanghebbende.
Ten aanzien van het geschil
4.1.
In hoger beroep is enkel de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase in geschil. Niet in geschil is dat [A BV] het bezwaarschrift heeft ingediend, een taxatierapport heeft opgemaakt, gebruik heeft willen maken van het recht om te worden gehoord en in het bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts is niet in geschil dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het geschil beperkt zich tot de vraag of de aan belanghebbende verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase kosten verbonden zijn op basis van de ‘no-cure-no-pay’-afspraak die voortvloeit uit de door belanghebbende aan [A BV] verstrekte machtiging.
4.2.
Als sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, kan in beginsel worden aangenomen dat aan de verleende rechtsbijstand voor belanghebbende kosten zijn verbonden en de kosten daarom voor vergoeding in aanmerking komen. Daaraan doet niet af dat de rechtsbijstand wordt verleend op basis van no cure no pay. Het is aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat aan de bijstand in bezwaar voor belanghebbende geen kosten zijn verbonden.
4.3.
De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende geen proceskostenvergoeding toekomt voor de bezwaarfase, omdat destijds het bezwaar ongegrond is verklaard en belanghebbende niets aan [A BV] hoeft te betalen, gelet op de tussen hen geldende ‘no-cure-no-pay’-afspraak die volgens de heffingsambtenaar voortvloeit uit de door belanghebbende aan [A BV] verstrekte machtiging (zie 2.2). Daarnaast verwijst de heffingsambtenaar naar de website van [A BV] (zie 2.3), waarop wordt vermeld dat geen kosten in rekening worden gebracht bij een belanghebbende als [A BV] de WOZ-waarde niet kan laten corrigeren. De relatie tussen belanghebbende en [A BV] is met de uitspraak op bezwaar verbroken en, omdat het bezwaar ongegrond is verklaard, is geen betalingsverplichting ontstaan, aldus de heffingsambtenaar. Het hof volgt de heffingsambtenaar hierin niet.
4.4.
Belanghebbende heeft [A BV] en eventueel door haar ingeschakelde derden gemachtigd om hem te vertegenwoordigen in de bezwaarprocedure (zie 2.2). [A BV] en [B BV] hebben reeds op 21 oktober 2022 een samenwerkingsovereenkomst gesloten (zie 2.6). Partijen zijn overeengekomen dat [A BV] ‘leads’ doorstuurt, waarbij afspraken zijn gemaakt over de te betalen vergoedingen voor deze ‘leads’. Uit de door de gemachtigde ingebrachte doormachtiging (zie 2.5) blijkt dat [A BV] op 28 juni 2023 een doormachtiging voor de (hoger) beroepsprocedure van belanghebbende heeft verleend aan [B BV] en door belanghebbende bij voorbaat gecedeerde vordering uit hoofde van eventueel te ontvangen proceskostenvergoedingen aan haar heeft overgedragen (zie 2.5). Deze doormachtiging heeft plaatsgevonden voordat de bezwaarprocedure was afgerond (29 december 2023). Daarbij komt dat [B BV] , gelet op de samenwerkingsovereenkomst tussen haar en [A BV] , is gehouden om de proceskosten voor de bezwaarfase aan [A BV] te vergoeden wanneer de zaak gegrond is verklaard.
4.5.
Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten voor de bezwaarprocedure niet op belanghebbende drukken. De rechtbank heeft terecht een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.
Tussenconclusie
4.6.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.7.
De griffier heft van de heffingsambtenaar een griffierecht van € 579, omdat het hof de uitspraak van de rechtbank bevestigt.
Ten aanzien van de proceskosten
4.8.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep ongegrond is.
4.9.
Het hof stelt deze tegemoetkoming vast op 2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 934.
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 934.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
vgl. Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1653.
Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:335, onder 3.3.
1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht onder A1.
Zie gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onderdeel 1.3, letter c, van de Bijlage.