Dexia, huurkoop.
ECLI:NL:GHSHE:2026:382
text/xml
public
2026-07-24T14:52:48
2026-02-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
2026-02-17
200.350.084/01
Uitspraak
Hoger beroep
NL
‘s-Hertogenbosch
Civiel recht
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2024:6242
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:382
text/html
public
2026-07-20T09:19:26
2026-07-24
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHSHE:2026:382 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 17-02-2026 / 200.350.084/01
Dexia, huurkoop.
zaaknummer 200.350.084/01
arrest van 17 februari 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 november 2025 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, onder zaaknummer 10458709 EL 23-17 gewezen vonnis van 14 november 2024.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 11 november 2025;
de akte uitlating na tussenarrest van de afnemer;
de akte na tussenarrest van Dexia.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
2.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof overwogen op grond van het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1168) voorshands van oordeel te zijn dat grief 1 van Dexia, en meer in het bijzonder het onderdeel dat de kantonrechter bij de beoordeling van het beroep van Dexia op verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomst (het hof leest: overeenkomsten) is uitgegaan van een onjuiste maatstaf, terecht is voorgesteld. Het hof heeft de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van beide partijen opdat zij zich kunnen uitlaten over genoemd arrest van de Hoge Raad en de gevolgen daarvan voor deze zaak.
2.2.
Dexia heeft, samengevat, aangevoerd dat voormeld oordeel van het hof juist is en dat dit meebrengt dat het vonnis van de kantonrechter behoort te worden vernietigd. De afnemer heeft, samengevat, aangevoerd dat [persoon A] gezien de beslissing van de kantonrechter wel op de hoogte was van de overeenkomsten, maar gezien die beslissing van de kantonrechter ook dat [persoon A] daarmee nog niet ‘daadwerkelijk bekend was’ met de overeenkomsten, omdat zij niet kon concluderen dat het sluiten van de overeenkomst haar toestemming behoefde. De kantonrechter besliste ook niet dat [persoon A] vanaf een bepaald moment voldoende kennis had van feiten waardoor door haar kon worden geconcludeerd dat artikel 1:88 BW van toepassing is op de onderhavige overeenkomsten, aldus de afnemer.
2.3.
Het hof begrijpt uit de akte van de afnemer dat hij bepleit dat het oordeel van het gerechtshof Amsterdam in het arrest van 30 april 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1074), inhoudende dat voor het aanvangen van de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW vereist is dat de niet-handelende echtgenoot beschikte over de kennis en het inzicht dat het sluiten van de overeenkomst haar of zijn toestemming behoefde, anders dan de Hoge Raad in voormeld arrest besliste, wel dient te worden onderschreven. Daarover kan het hof kort zijn. Uit het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025 volgt dat het door de afnemer bepleite standpunt onjuist is. De afnemer heeft het hof geen aanknopingspunten geboden in dit geval anders te beslissen dan in overeenstemming is met de overwegingen van de Hoge Raad.
2.4.
Het voorgaande brengt mee dat grief 1 van Dexia slaagt. De vordering van de echtgenote van de afnemer tot vernietiging van de overeenkomsten op grond van artikel 1:89 lid 1 BW in verbinding met artikel 1:88 lid 1, onder d, BW is verjaard. Het hof overweegt in dit verband als volgt.
2.4.1.
Een rechtsvordering tot vernietiging van een leaseovereenkomst die aan de echtgenoot van degene die deze overeenkomst heeft gesloten toekomt op grond van het ontbreken van toestemming als bedoeld in artikel 1:88 lid 1, onder d, BW, verjaart drie jaren na het tijdstip waarop die echtgenoot daadwerkelijk met de overeenkomst bekend is geworden (artikel 1:89 lid 1 BW in verbinding met artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW). Niet kan worden aangenomen dat van daadwerkelijke bekendheid in voormelde zin pas sprake is zodra de zojuist bedoelde echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de overeenkomst te vernietigen. Het stellen van die eis zou niet in overeenstemming zijn met een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer. Voor het gaan lopen van de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW is bepalend welke feiten en omstandigheden bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan.
2.4.2.
Het hof heeft in rechtsoverweging 4.5. van voormeld tussenarrest vastgesteld dat de overeenkomsten II, III, IV, VI, VII, en VIII meer dan drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering (ingesteld op 13 maart 2003), zijn afgesloten.
De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 4.13. van het bestreden vonnis geoordeeld dat Maat onvoldoende heeft onderbouwd dat [persoon A] vóór 13 maart 2000 niet op de hoogte was van de overeenkomsten. Partijen zijn het erover eens dat in deze overweging van de kantonrechter ligt besloten dat [persoon A] vóór 13 maart 2000 op de hoogte was van de overeenkomsten. Tegen dit oordeel heeft de afnemer geen grief gericht, zodat dit ook in hoger beroep als vaststaand wordt aangenomen.
Nu vast staat dat [persoon A] vóór 13 maart 2000 op de hoogte was van de overeenkomsten, betekent dit, gezien voormeld arrest van de Hoge Raad, dat de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging dus vóór 13 maart 2000 is aangevangen.
De vernietiging van de overeenkomsten is door [persoon A] bij brief van 11 januari 2007 ingeroepen. De verjaringstermijn voor het inroepen van de bevoegdheid was op dat moment reeds voltooid, zodat deze buitengerechtelijke vernietiging geen effect heeft gesorteerd.
2.5.
Dexia heeft in randnummer 9 van haar inleidende dagvaarding gesteld dat zij voor de overeenkomsten IV en VII nog een bedrag aan schadevergoeding van € 1.445,16 aan de afnemer dient te betalen. De vordering van Dexia – de voorwaardelijke vordering is vanwege het slagen van de grieven niet aan de orde – voor zover in hoger beroep nog aan de orde luidt:
– te verklaren voor recht dat Dexia, na betaling aan de afnemer van een bedrag van € 1.445,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling van de betreffende restschulden tot aan de dag der algehele voldoening, met betrekking tot de tussen haar en de afnemer gesloten overeenkomsten van effectenlease (zoals in het bestreden vonnis en het tussenarrest van het hof aangeduid) met nummers II, II, IV, VI, VII en VIII aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan de afnemer verschuldigd is, met veroordeling van de afnemer in de kosten van het geding.
2.6.
De afnemer heeft in deze procedure uitsluitend een beroep op vernietiging van de overeenkomsten gedaan. De afnemer heeft niet, althans niet gemotiveerd, aangevoerd dat hij ook op andere gronden nog een vordering op Dexia heeft. De afnemer heeft evenmin het door Dexia genoemde bedrag van € 1.445,16 gemotiveerd weersproken. Uit al het voorgaande volgt daarom dat voormelde vordering van Dexia toewijsbaar is. Het bestreden vonnis waarbij deze vordering voorwaardelijk is toegewezen en Dexia in de proceskosten is veroordeeld zal worden vernietigd nu ook de grieven 2 en 3 slagen. Het hof zal opnieuw recht doen.
2.7.
Het hof zal de afnemer als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van Dexia in beide instanties veroordelen.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Dexia zullen worden vastgesteld op:
Explootkosten € 129,85
Griffierecht € 130,00
Salaris advocaat € 542,00
Totaal € 801,85
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Dexia zullen vastgesteld worden op:
Explootkosten € 144,47
Griffierechten € 827,00
Salaris advocaat € 1.935,00 (1,5 punt(en) x tarief € 1.290,00,00)
Nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.095,47
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis van 14 november 2024, voor zover aangevochten;
in zoverre opnieuw recht doende:
verklaart voor recht dat Dexia, na betaling aan de afnemer van een bedrag van € 1.445,16, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling van de betreffende restschulden tot aan de dag der algehele voldoening, met betrekking tot de tussen haar en de afnemer gesloten overeenkomsten van effectenlease (zoals in het bestreden vonnis en het tussenarrest van het hof aangeduid) met nummers II, II, IV, VI, VII en VIII aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan de afnemer verschuldigd is;
veroordeelt de afnemer in de proceskosten van de eerste aanleg van € 801,85 en van het hoger beroep van € 3.095,47, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als de afnemer niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, E.A.M. van Oorschot en F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 februari 2026.
griffier rolraadsheer