Art. 279 Sr. verlangt niet dat de dader zich bewust moet zijn geweest, dat zijn handeling een strafbaar feit was en het ontbreken van zodanige bewustheid levert ook geen strafuitsluitingsgrond op.
ECLI:NL:HR:1956:49
text/xml
public
2026-06-04T11:51:40
2018-07-13
Raad voor de Rechtspraak
nl
Hoge Raad
1956-06-19
58137
Uitspraak
Cassatie
NL
Den Haag
Strafrecht
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1956:3
Rechtspraak.nl
NJ 1956/515
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1956:49
text/html
public
2026-06-04T11:50:45
2026-06-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:HR:1956:49 Hoge Raad , 19-06-1956 / 58137
Art. 279 Sr. verlangt niet dat de dader zich bewust moet zijn geweest, dat zijn handeling een strafbaar feit was en het ontbreken van zodanige bewustheid levert ook geen strafuitsluitingsgrond op.
Bm
No 58137
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Op het beroep van [requirante], echtgenote van [echtgenoot] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1902, wonende te [woonplaats], requirante van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van den 22sten Maart 1956, waarbij in hoger beroep met vernietiging van een vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van den 24sten October 1955 de requirante wegens “opzettelijk een minderjarige onttrokken aan het wettig over hem gestelde gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaar oud os” onder aanhaling van de artikelen 63 en 279 van het Wetboek van Strafrecht werd veroordeeld tot gevangenisstraf voor den tijd van drie maanden;
Gehoord het verslag van den Raadsheer Westerouen van Meeteren ;
Gezien het gerechtelijk schrijven namens den Procureur-Generaal aan de requirante uitgereikt, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald ;
Gelet op het middel van cassatie, namens de requirante voorgesteld bij schriftuur en luidende :
“Schending en verkeerde toepassing van de artikelen 1, 279, 280 van het Wetboek van Strafrecht en van de artikelen 338, 339, 341, 344, 350, 351, 352, 358, 359, 415, 422 en 423 van het Wetboek van Strafvordering,
1. doordien het Gerechtshof zich mede baserende op de verklaring van de getuige [getuige] : “Verdachte bleef echter bezwaar maken, waarop ik – daartoe door gemelde Commissie gemachtigd – van verdachte uitdrukkelijk heb gevorderd om [minderjarige] in mijn gemelde hoedanigheid aan mij af te geven, hetgeen zij toen pertinent heeft geweigerd. Zij gaf bij het onderhoud nog te kennen, dat [minderjarige] op reis was, doch zeide niet waarheen”. een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het begrip “onttrekken” van een minderjarige aan het wettig over hem gestelde gezag, mede, nu niet gebleken is, dat requirante feitelijk bij machte was om het kind aan de vraagsteller af te geven. Immers het Hof beschouwt als “onttrekken” (pag. 6) : “door opzettelijk op tijd en plaats voormeld ….. aan deze vordering opzettelijk niet te voldoen”, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt, dat het meisje op reis was en derhalve niet beschikbaar was om afgegeven te worden, terwijl evenmin is gebleken, dat requirante in staat was om toen deze afgifte te bewerkstelligen. Veeleer had art 280 Sr. toepasselijk moeten zijn verklaard, aangenomen, dat requirante geweten had waar het meisje op dien dag was en haar zulks tevergeefs ware gevraagd.
2. doordien het Hof over het hoofd heeft gezien, dat het opzet van requirante nimmer gericht is geweest op een onttrekken aan het wettig over het kind gestelde gezag, noch op een verbergen of onttrekken aan de nasporingen van een aan het wettig gezag onttrokken kind, in den zin, welke op 22 December 1953 daaraan door de Hoge Raad is gegeven, hebbende requirante zich laten leiden door de op het moment van haar handelen bestaande constante rechtspraak omtrent het begrip “onttrekken” (H.R.2.11.1903 en 16.4.1928), waarbij zij uiteraard niet op de hoogte is geweest van het met een wetswijziging gelijk staand arrest van 22.12.1953″
Gehoord den Advocaat-Generaal s’Jacob namens den Procureur-Generaal in zijn conclusie, daar toe strekkende, dat de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren voorzover bij het arrest waarvan beroep in cassatie :
1e. de dagvaarding in eerste aanleg voor wat het daarbij sub II aan verdachte telastegelegde betreft is nietigverklaard, en
2e. requirante van het haar sub I meer of anders telastegelegde, dan werd bewezenverklaard, werd vrijgesproken, het beroep voor het overige zal verwerpen ;
Overwegende dat bij het bestreden arrest ten laste van requirante is bewezen verklaard : ” dat zij op of omstreeks 21 Juli 1947 te [plaats] opzettelijk de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] , [geboortedatum] 1940, krachtens artikel 3 van het Besluit Oorlogspleegkinderen sedert Augustus 1945 toevertrouwd aan de zorg van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen als bedoeld in artikel 2 van genoemd Besluit, heeft onttrokken aan gemeld wettig over haar gesteld gezag door opzettelijk op tijd en plaats voormeld, nadat door den Directeur van het Bureau der Commissie voor Oorlogspleegkinderen, tevens lid van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen en als zodanig gemachtigd en gerechtigd namens gemelde Commissie het meisje [minderjarige] voornoemd van verdachte op te vorderen, van verdachte uitdrukkelijk was gevorderd [minderjarige] voornoemd aan hem af te geven, aan deze vordering opzettelijk niet te voldoen ;”
Overwegende dat het Hof deze bewezenverklaring heeft doen steunen op de navolgende bewijsmiddelen :
A. het proces-verbaal der terechtzitting in eersten aanleg van 10 October 1955, voorzover inhoudende als opgave van de nemen dosverdachte : ” In 1943 is [minderjarige] ( [minderjarige] , geboren 21 November 1940) in huis gekomen bij mijn zusters [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ), [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ) en mij in het door deze zusters en mij geëxploiteerde rusthuis te [plaats] . Ik heb mij sindsdien met deze zusters voor haar opvoeding verantwoordelijk gevoeld. Wat de opvoeding van [minderjarige] betrof bestond er tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en mij een samenwerking, waarbij de rol van [betrokkene 1] het beste met die van een moeder en mijn rol het beste met die van een vader vergeleken kon worden. Na de oorlog nam [betrokkene 1] de feitelijke verzorging van [minderjarige] voor haar rekening, terwijl ik het naar buiten toe – onder meer tegenover de autoriteiten en instanties, die [minderjarige] aan ons wilden onttrekken voor haar opnam. Op 21 Juli 1947 is getuige [getuige] te [plaats] bij mij gekomen. Hij vorderde [minderjarige] toen van mij op. Ik weigerde echter aan deze vordering te voldoen.”
B. het ambtsedig proces-verbaal d.d. 13 October 1947 van [verbalisant] , Hoofdagent van Gemeentepolitie te [plaats] , tevens onbezoldigd Rijksveldwachter, voorzover zakelijk behelzende als verklaring van de verdachte : dat zij en haar zusters [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in onderling overleg in 1943 het joodse oorlogspleegkind [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1940, in huis hebben genomen in het door haar te [plaats] geëxploiteerde rusthuis ; dat zij in Juli of Augustus 1945 [minderjarige] als oorlogspleegkind bij de Commissie voor “oorlogspleegkinderen heeft aangemeld; dat zij in Juni 1947 maatregelen genomen heeft om [minderjarige] te onttrekken aan de door de Commissie voor Oorlogspleegkinderen voorgenomen plaatsing in het gezin van [gezin] te [plaats] ; dat zij haar zuster [betrokkene 1] verzocht heeft, of zij met [minderjarige] : wilde onderduiken totdat er door de Rechtbank een beslissing was genomen omtrent de verdere bestemming van [minderjarige] ; dat haar zuster [betrokkene 1] hierin toestemde en dat zij, verdachte, haar toen gezegd heeft tot bedoelde beslissing weg te blijven, al zou het ook een half jaar duren; dat zij weigert om aan verbalisant de verblijfplaats van [minderjarige] bekend te maken; dat zij voor dezengang van zaken persoonlijk verantwoordelijk is, omdat alles door haar, verdachte, is geregeld; dat zij er zich volkomen van bewust is, dat zij door deze handelingen [minderjarige] heeft onttrokken en onttrokken houdt aan het wettig over haar gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent en dat zij hierdoor [minderjarige] tevens onttrekt aan de nasporing van Justitie of Politie ;
C. de verklaring van den getuige [getuige] : “Sedert bij Koninklijk Besluit van 13 Augustus 1945 de Commissie voor Oorlogspleegkinderen werd ingesteld, ben ik lid van het dagelijks bestuur en directeur van het bureau dezer Commissie geweest tot per 1 September 1949 de werkzaamheden der Commissie een einde namen. Zodra [minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1940) bij gemelde Commissie als Oorlogspleegkind was aangemeld, is zij in het register van de aan haar zorg toevertrouwde minderjarigen ingeschreven, en was zij als zodanig overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van gemeld Besluit aan de zorg van de Commissie toevertrouwd; dit is zo gebleven, tot verdachte op 16 Juni 1948 door de Rechtbank te Amsterdam tot voogdes over [minderjarige] is benoemd. In de eerste helft van 1947 heeft de Commissie besloten [minderjarige] over te plaatsen naar een Joods gezin te [plaats] , waartegen van de zijde van verdachte en haar zuster [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ) verzet is gerezen. Nadat hierover vergeefs met verdachte was onderhandeld en nadat ook nog het lid onzer Commissie kapelaan […] , – naar hij mij destijds heeft medegedeeld -, verdachte bij een mondeling onderhoud er op had gewezen, dat zij verplicht was om [minderjarige] aan de Commissie af te geven, ben ik op 21 Juli 1947 te [plaats] bij verdachte op bezoek ge weest. Ik heb toen aldaar een onderhoud met verdachte gehad, waarbij ook getuige [verbalisant] aanwezig was; ik heb verdachte daarbij uiteengezet, dat [minderjarige] van overheidswege aan de Commissie was toevertrouwd, dat en waarom de Commissie besloten had [minderjarige] naar het gezin in [plaats] over te plaatsen en dat ik daartoe [minderjarige] kwam halen. Verdachte bleef echter bezwaar maken, waarop ik, – daartoe door gemelde Commissie gemachtigd – van verdachte uitdrukkelijk heb gevorderd om [minderjarige] in mijn gemelde hoedanigheid aan mij af te geven, hetgeen zij toen pertinent heeft geweigerd. Zij gaf bij het onderhoud nog te kennen, dat [minderjarige] op reis was, doch zeide niet waarheen; ”
D. een uittreksel uit het register van geboorten van den Burgerlijken Stand der gemeente Amsterdam, inhoudende, dat aldaar op 21 November 1940 is geboren [minderjarige] .
Overwegende ten aanzien van het middel :
dat het Hof het opzettelijk niet voldoen door requirante aan de vordering namens de Commissie voor Oorlogspleegkinderen, waarbij uitdrukkelijk de afgifte van [minderjarige] was gevorderd, aanmerkende als het opzettelijk onttrekken van dat meisje aan het wettig over haar gesteld gezag, kennelijk heeft geoordeeld, dat die niet-voldoening geenszins haar grond vond in de onmogelijkheid voor requirante om op het ogenblik der vordering de minderjarige aanstonds af te geven zulks in verband met derzelver afwezigheid op dat tijdstip, doch veeleer in de volstrekte weigerachtigheid van requirante om het kind ter beschikking van de meerbedoelde Commissie te stellen en in haar streven om het meisje buiten bereik van het wettig over haar gesteld gezag te houden ;
dat dit oordeel alleszins steun vindt in den inhoud der gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de door requirante zelve afgelegde verklaringen ;
dat overigens niet blijkt, dat het Hof daarbij het begrip “onttrekken van een minderjarige aan het wettig over hem gesteld gezag” – waarbij onder “onttrekken” mede “onttrokken houden” is te begrijpen – heeft miskend ;
dat het eerste onderdeel derhalve faalt ;
dat het tweede onderdeel evenmin kan slagen, omdat artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht niet verlangt, dat de dader zich bewust moet zijn geweest, dat zijn handeling een strafbaar feit was en het ontbreken van zodanige bewustheid ook geen strafuitsluitingsgrond oplevert, weshalve de door requirante ingeroepen omstandigheid van wijziging van jurisprudentie inzake hetgeen in de artikelen 279 en 280 onder onttrekken moet worden verstaan niet kan baten ;
dat het middel dus niet tot cassatie kan leiden ;
Verwerpt het beroep ;
Gewezen te ‘s-Gravenhage bij de Heren mrs Fick, Vice-President, Feber, Westerouen van Meeteren, Kazemier en Hulsmann, Raden, in bijzijn van den Griffier van Oordt, die dit arrest hebben ondertekend en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den negentienden Juni 1900 zes en vijftig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren, alsmede van den Advocaat -Generaal s’ Jacob , met uitzondering echter van den Raadsheer Westerouen van Meeteren, die verhinderd was geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn en dit arrest te ondertekenen.