Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:PHR:2005:AT8992

4 April 2013

Jurisprudentie – Uitspraken

Conclusie

Griffienr. 02754/04

Mr. Wortel

Zitting:28 juni 2005

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een mondeling arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker wegens “overtreding van artikel 20, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” is veroordeeld tot een geldboete van € 285,=, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. G. van der Wilt, advocaat te Rotterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. Er wordt één middel voorgesteld waarin wordt geklaagd over het achterwege blijven van een (nadrukkelijke en voldoende gemotiveerde) beslissing op een verweer, ertoe strekkende dat het feit wegens een onduidelijke situatie ter plekke niet strafbaar is, en dat voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel zou inhouden.

4. Het gaat om een snelheidsoverschrijding, begaan op een kruispunt te Nijmegen. Onmiddellijk achter dat kruispunt, waar het verkeer met stoplichten wordt geregeld, begint een autosnelweg. Verzoeker reed in de richting van die autosnelweg en moest twee stoplichten passeren. De kruisende weg is op het kruispunt namelijk verdeeld in afzonderlijke rijbanen voor het verkeer in beide richtingen, met een tussenruimte van enkele tientallen meters. Uit de door verzoeker afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat het eerste stoplicht dat hij moest passeren oranje was geworden, en dat verzoeker gas heeft gegeven om ook nog het erachter gelegen tweede stoplicht te halen. Tussen de beide stoplichten staat de flitspaal, die is verbonden met detectielussen. Daarmee werd vastgelegd dat verzoeker bij het passeren van het tweede stoplicht veel harder reed dan de ter plekke geldende limiet van vijftig kilometer per uur.

5. Ter terechtzitting van het Hof van 4 december 2003 heeft verzoeker verklaard dat de verkeerssituatie ter plekke niets (herkenbaars) met een bebouwde kom te maken heeft, en dat hij er van uit mocht gaan dat hij harder mocht gaan rijden omdat veertig meter na het laatste stoplicht de snelweg begint. Voorts legde verzoeker een krantenartikel over, waarvan de strekking is dat twee andere personen ter zake van een snelheidsoverschrijding op hetzelfde punt zijn vrijgesproken omdat naar het oordeel van de rechter niet duidelijk was hoe hard gereden mag worden.

6. Op voorstel van de advocaat-generaal is de behandeling aangehouden voor het inwinnen van nadere inlichtingen omtrent de situatie ter plekke.

Daarop is een aanvullend proces-verbaal met bijlagen bij de stukken gevoegd. De strekking daarvan is dat de wegbeheerder medio oktober 2003 “50 km-borden” voor het bewuste kruispunt heeft geplaatst, en dat er overigens geen wijzingen in de situatie ter plaatse zijn geweest.

7. Ter terechtzitting van 10 juni 2004 is dat aanvullend proces-verbaal ter sprake geweest. Verzoeker zijn de bijgevoegde foto’s voorgehouden. Hij heeft zijn op de eerdere terechtzitting ingenomen standpunten herhaald, en wederom gewezen op het krantenartikel.

8. In de bestreden uitspraak zijn geen nadere overwegingen gewijd aan de strafbaarheid van het feit of aan de verhouding tussen deze strafzaak en de in het krantenartikel bedoelde eerdere zaken.

9. Het bewezenverklaarde feit is begaan op 20 september 2001. De ter terechtzitting gebleken omstandigheid dat de wegbeheerder medio oktober 2003 “50 km-borden” heeft geplaatst wijst erop dat ook naar diens inzicht onvoldoende duidelijk was welke maximumsnelheid ter plaatse geldt.

10. Bij deze stand van zaken behoefde in ieder geval het verweer dat het feit niet strafbaar is omdat onduidelijk is aan welke maximumsnelheid bestuurders van motorvoertuigen zich ter plaatse dienen te houden een nadrukkelijke, gemotiveerde beslissing.

Daarbij dient nog het volgende te worden bedacht. Op de laatste terechtzitting van het Hof heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat bestuurders van motorvoertuigen er van uit moeten gaan dat zij binnen de bebouwde kom rijden zolang nog niet is aangegeven dat zij die bebouwde kom achter zich laten. Deze reactie op het verweer kan geenszins overtuigen, aangezien er vele wegen binnen de bebouwde kom zijn aan te wijzen waar een hogere maximumsnelheid dan 50 km/h geldt; met name wegen die naar doorgaande verbindingen (zoals autosnelwegen) voeren.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en verwijzing of terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Artikel delen