Conclusie AG. Ontuchtige handelingen met iemand beneden de zestien jaar (art. 247 (oud) Sr). Middel bevat slagende klacht over afwijzing aanhoudingsverzoek. Raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding ter verwezenlijking aanwezigheidsrecht omdat verdachte per vergissing naar Groningen in plaats van Leeuwarden was gereisd. Hof heeft aanhoudingsverzoek afgewezen aan de hand van belangenafweging, maar...
ECLI:NL:PHR:2026:766
text/xml
public
2026-08-27T17:31:56
2026-08-13
Raad voor de Rechtspraak
nl
Parket bij de Hoge Raad
2026-08-25
24/04820
Conclusie
NL
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2026:766
text/html
public
2026-08-27T17:29:41
2026-08-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:PHR:2026:766 Parket bij de Hoge Raad , 25-08-2026 / 24/04820
Conclusie AG. Ontuchtige handelingen met iemand beneden de zestien jaar (art. 247 (oud) Sr). Middel bevat slagende klacht over afwijzing aanhoudingsverzoek. Raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding ter verwezenlijking aanwezigheidsrecht omdat verdachte per vergissing naar Groningen in plaats van Leeuwarden was gereisd. Hof heeft aanhoudingsverzoek afgewezen aan de hand van belangenafweging, maar geeft er geen blijk van hoe het tot die belangenafweging is gekomen. Uit overwegingen blijkt niet dat het hof heeft stilgestaan bij omstandigheid dat verdachte onderweg was naar zitting en hof is niet ingegaan op andere factoren zoals procesverloop en gewicht zaak. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04820
Zitting 25 augustus 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
1.1
De verdachte is bij arrest van 23 december 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnr. 21-002241-23), wegens “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren en daarnaast tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij en de verdachte in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
1.3
In cassatie wordt geklaagd over de beslissing van het hof om het aanhoudingsverzoek af te wijzen en over de motivering van die beslissing.
2.1
De verdachte is in eerste aanleg aanwezig geweest op de terechtzitting van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 20 april 2023. Op 4 mei 2023 heeft hij tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Op 8 mei 2023 is namens de verdachte een appelschriftuur ingediend. De dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2024 te verschijnen is op 12 november 2024 in persoon aan de verdachte betekend.
2.2
Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2024 is de verdachte niet verschenen. Zijn gemachtigde raadsvrouw heeft ter verwezenlijking van het aanwezigheidsrecht een aanhoudingsverzoek gedaan en daartoe het volgende naar voren gebracht:
“Ik ben gemachtigd. Cliënt komt uit Amsterdam en is verkeerd gereisd. Hij staat nu in Groningen. Hij moet nu nog naar Leeuwarden reizen. Primair wil ik dat cliënt hier aanwezig is, maar ik weet ook dat de zittingsruimte van het gerechtshof schaars is. Ik verzoek aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Wellicht is wachten op de komst van cliënt nu een optie?”
2.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting staat dat het slachtoffer en diens moeder, bijgestaan door een advocaat en een tolk, wel zijn verschenen. Het proces-verbaal houdt verder – voor zover relevant – nog het volgende in:
“De advocaat-generaal reageert, zakelijk weergegeven:
Ik voel wel mee met mr. Veld, maar vorder dat het gerechtshof de behandeling van de zaak nu wél door zal laten gaan, gelet op het belang daarvan voor het slachtoffer dat vandaag aanwezig is ter zitting. Het is de verantwoordelijkheid van de verdachte om op tijd aanwezig te zijn ter terechtzitting.
Daarnaar gevraagd door de voorzitter delen [benadeelde] en diens moeder mee dat zij vinden dat de zitting nu doorgang moet vinden.”
2.4
Het hof heeft beslist tot afwijzing van het aanhoudingsverzoek en in dat verband overwogen:
“Het gerechtshof heeft een belangenafweging gemaakt en acht het belang van de minderjarige [benadeelde] en zijn moeder bij het doorgang laten vinden van de behandeling ter terechtzitting zwaarder wegen dan het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan. Het verzoek van de raadsvrouw van de verdachte tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting wordt daarom afgewezen. Mogelijk verschijnt de verdachte vandaag alsnog ter terechtzitting, maar we gaan dat nu niet afwachten.”
3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen terwijl het onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom het belang bij het onverwijld behandelen van de zaak in dit geval zwaarder zou moeten wegen dan het belang (en het recht) van de verdachte om bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig te kunnen zijn. Vanwege de betrekkelijk korte duur van de aanhouding waarom gevraagd werd, te weten ongeveer één uur, acht de steller van het middel het oordeel van het hof dat het belang van het slachtoffer en zijn moeder bij behandeling van de zaak zwaarder wegen dan het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan niet begrijpelijk en bovendien blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is de beslissing om niet aan te houden in strijd met het in art. 6 lid 3 onder c EVRM gegarandeerde aanwezigheidsrecht en het in art. 6 lid 1 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces, aldus de steller van het middel.
3.2
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan ter terechtzitting worden gedaan door de verdachte of diens op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord. De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot de hierna weer te geven belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is. Als zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid 3 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing.
3.3
De raadsvrouw van de verdachte heeft aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat – zo begrijp ik – de verdachte van plan was om op de zitting te verschijnen, maar vanuit Amsterdam bij vergissing naar Groningen in plaats van Leeuwarden is gegaan en dus nog naar Leeuwarden toe moest reizen. Ze heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak en gevraagd of het een optie was om te wachten op de komst van de verdachte. Het hof heeft de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid kennelijk aannemelijk geacht, maar geoordeeld dat het belang van het minderjarige slachtoffer en zijn moeder bij het doorgang laten vinden van de behandeling ter terechtzitting zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij aanhouding daarvan. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Het hof heeft weliswaar medegedeeld wat de uitkomst van de belangenafweging is, maar hoe het hof daartoe is gekomen blijkt niet. Uit de overwegingen van het hof blijkt niet dat het heeft stilgestaan bij de omstandigheid dat de verdachte onderweg was naar de zitting en het hof is niet ingegaan op andere factoren, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak. Als gevolg daarvan wordt niet duidelijk waarom het belang van het slachtoffer en zijn moeder in dit geval zwaarder weegt dan dat van de verdachte. Verder is ook nog van belang dat uit de motivering van het hof niet blijkt dat het hof de mogelijkheid tot schorsing van het onderzoek tot een later tijdstip op de dag onder ogen heeft gezien, terwijl de raadsvrouw daarom wel heeft verzocht. De belangenafweging die ten grondslag ligt aan de afwijzing van het aanhoudingsverzoek is om deze redenen ontoereikend gemotiveerd.
3.4
Het middel slaagt.
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
De verdachte is veroordeeld voor het “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen” zoals dat strafbaar was gesteld in art. 247 (oud) Sr. Dat betreft een feit dat werd bedreigd met een maximale gevangenisstraf van zes jaren. Bovendien heeft de verdachte, in de woorden van het hof, de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer in ernstige mate geschonden. Op grond van art. 22b lid 1 onder a Sr mag voor een dergelijk feit geen taakstraf worden opgelegd. Lid 3 van dat artikel bepaalt dat daarvan mag worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. De verdachte is – naast de taakstraf van 180 uren – een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd. Gelet op het voorgaande is de door opgelegde straf dus niet toegestaan.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2024 leid ik af dat naar aanleiding daarvan op 12 december 2023 een proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt.
Ook de niet-gemachtigde raadsman kan een dergelijk verzoek doen met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen.
HR 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1114, rov. 2.4. Zie ook HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737, NJ 2020/230 m.nt. P.A.M. Mevis.
Zie HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:840, rov. 2.4. In de zaak die ten grondslag ligt aan dit arrest had de raadsman van de verdachte aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat de verdachte van plan was om op de zitting te verschijnen, maar eerder die ochtend was weggestuurd bij het station en geen geld had voor een treinkaartje omdat hij dakloos is. Naar het oordeel van het hof woog het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting zwaarder dan het belang van de verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht. Het hof nam daarbij in aanmerking dat het verzoek laat werd gedaan, dat de verdachte het vervoersprobleem eerder had moeten signaleren en had kunnen oplossen en dat het onduidelijk was wanneer de verdachte wel geld zou hebben voor een treinkaartje. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel ontoereikend had gemotiveerd omdat de door het hof genoemde omstandigheden niet zonder meer met zich brachten dat de verdachte niet aanwezig wilde zijn of dat zijn belang om aanwezig te zijn ontbrak. Daarnaast had het hof uitsluitend het maatschappelijk belang om de zaak tijdig af te doen in aanmerking genomen, zonder dat belang aan de hand van factoren als het procesverloop, het gewicht van de zaak en de belangen van eventuele benadeelde partijen te concretiseren. Zie verder ook HR 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1114, rov. 2.4, waarin de Hoge Raad een belangenafweging van het hof ook niet toereikend gemotiveerd achtte, mede op de grond dat het hof bij zijn belangenafweging geen andere factoren, zoals het procesverloop en het gewicht van de zaak had betrokken.
Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:65, waarin de verdachte niet aanwezig was omdat hij zich had verslapen.
Vgl. HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:658 en HR 17 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1168, waarin de hoven de belangenafweging die ten grondslag lag aan de afwijzing van een aanhoudingsverzoek op niet onbegrijpelijke wijze hadden gemotiveerd.