artikel 240b Sr
ECLI:NL:RBAMS:2021:8391
text/xml
public
2026-07-31T14:41:19
2026-07-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2021-08-11
13-009899-21
Uitspraak
Eerste aanleg – meervoudig
Op tegenspraak
NL
Amsterdam
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:8391
text/html
public
2026-07-30T14:12:58
2026-07-31
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2021:8391 Rechtbank Amsterdam , 11-08-2021 / 13-009899-21
artikel 240b Sr
VONNIS
Parketnummer: 13/009899-21 (Promis)
Datum uitspraak: 11 augustus 2021
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juli 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.E. Woudman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. G.J. van Oosten naar voren hebben gebracht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
in de periode van 1 januari 2015 tot en met 24 februari 2020 te Amsterdam kinderporno heeft verspreid, aangeboden, openlijk tentoongesteld, vervaardigd, ingevoerd, verworden en in bezit gehad en daarvan een gewoonte heeft gemaakt
De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Op grond van de inhoud van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte kan worden bewezen dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het bezit van een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal in de tenlastegelegde periode.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Volgens de raadsman is er sprake van onrechtmatig verkregen bewijs dat tot bewijsuitsluiting moet leiden. Hiertoe is het volgende aangevoerd.
Verbalisanten zijn vanwege een verdenking gericht op artikel 247 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) (ontuchtige handelingen plegen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaar) naar de woning van verdachte gegaan. De machtiging tot binnentreding in de woning van verdachte is gestoeld op deze verdenking en niet op de verdenking van bezit van kinderpornografisch materiaal ex artikel 240b Sr. Uit het proces-verbaal van binnentreden van de woning volgt dat de verbalisanten vervolgens de uitlevering van voorwerpen vorderen op grond van artikel 551 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Echter blijkt uit het dossier niet dat er een redelijk vermoeden van schuld was dat verdachte in het bezit zou zijn van dergelijk materiaal. Gelet op het ontbreken van deze redelijke verdenking ten aanzien van het bezit van kinderporno was er geen grondslag om de uitlevering van voorwerpen te vorderen op grond van artikel 551 Sv. Evenmin was er een grondslag op grond van de daadwerkelijke verdenking ex artikel 247 Sr, nu artikel 551 Sv dat wetsartikel niet noemt.
Ook biedt artikel 96 Sv geen grondslag voor het binnentreden van de woning ter inbeslagname omdat is vereist dat dit redelijkerwijs moet kunnen bijdragen aan het aan de dag brengen van de waarheid ter zake van het strafbare feit waarvan de verdenking bestaat. Op basis van de verdenking die volgt uit het dossier – artikel 247 Sr – blijkt op geen enkele wijze waarom het in beslag nemen van gegevensdragers had kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding.
Aan de machtiging tot binnentreden kleven zodanige gebreken dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. Er is aldus sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet blijkt. Gezien het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, kan niet anders dan bewijsuitsluiting volgen op dit vormverzuim.
Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat met het bovenstaande in ieder geval in de strafmaatoverweging rekening dient te worden gehouden.
Voorts heeft de raadsman betoogd dat ten aanzien van de aangetroffen aantallen sprake is van een dubbeltelling. Het aangetroffen materiaal zou verschillende keren zijn gekopieerd en opgeslagen naar/op andere gegevensdragers.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
De beoordeling van het verweer met betrekking tot het onrechtmatig verkregen bewijs
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet blijkt. Blijkens het proces-verbaal van binnentreden is op grond van artikel 551 Sv door de verbalisanten de uitlevering van gegevensdragers van verdachte gevorderd. Artikel 551 Sv vereist dat sprake moet zijn van een verdenking van een strafbaar feit als omschreven in de genoemde artikelen. Dit is een limitatieve opsomming van strafbare feiten. Hieronder valt onder meer artikel 240b Sr (bezit van kinderpornografisch materiaal). In dit geval was echter sprake van een verdenking ex artikel 247 Sr en dit artikel wordt niet als grondslag genoemd in artikel 551 Sv. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor een verdenking van aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal op het moment dat de verbalisanten de woning binnentreden. Nu niet blijkt dat er een verdenking was van een delict genoemd in artikel 551 Sv, was de vordering tot uitlevering van de gegevensdragers onrechtmatig. Gelet hierop staat een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek vast.
3.3.2.
Rechtsgevolgen aan het vormverzuim ex artikel 359a Sv
Indien sprake is van een vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden, en zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren.
De eerste factor is “het belang dat het geschonden voorschrift dient”. De tweede factor is “de ernst van het verzuim”. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt”. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.
Het belang dat het geschonden voorschrift dient
Het belang dat artikel 551 Sv dient ziet volgens de rechtbank op de bescherming van de burger tegen een mogelijke inbreuk op zijn/haar persoonlijke levenssfeer. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) ligt aan deze gedachte ten grondslag. Geen inmenging van enig openbaar gezag op het privéleven van een burger is toegestaan dan voor zover bij wet in een democratische samenleving is voorzien en noodzakelijk wordt geacht ter voorkoming van bijvoorbeeld strafbare feiten. De bevoegdheden van artikel 551 Sv worden slechts verleend in geval van verdenking van een daar genoemd strafbaar feit. Er moet, anders gezegd, sprake zijn van een redelijk vermoeden – in de zin van artikel 27 lid 1 Sv – dat een van de genoemde feiten wordt of is begaan. Wordt de uitlevering op grond van artikel 551 Sv toch gevorderd zonder aan die eis te voldoen dan is mogelijk sprake van een inbreuk op het privéleven van de verdachte. In dit geval is er een inbreuk gemaakt op het privéleven van verdachte omdat er één computer, twee laptops, één externe harde schijf, een tablet en zes USB-sticks in beslag zijn genomen en er onderzoek is gedaan naar foto’s, filmbestanden en chatgesprekken die zagen op het privéleven van verdachte.
De ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het verzuim en het geleden nadeel in deze zaak van geringe aard is gelet op de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan. In het proces-verbaal van binnentreden is geverbaliseerd dat aan verdachte de reden van de doorzoeking bekend is gemaakt. Voorts stelt de rechtbank vast dat aan verdachte te kennen is gegeven dat er in zijn woning onderzoek zou worden ingesteld naar de aanwezigheid van voorwerpen die in verband met het onderzoek naar gepleegde strafbare feiten met betrekking tot kinderpornografie eventueel in beslag zouden worden genomen. Verdachte heeft hier blijkens het proces-verbaal van binnentreden zijn medewerking aan verleend en stemde er schriftelijk in toe dat zijn woning zou worden doorzocht.
Tot slot merkt de rechtbank op dat artikel 359a Sv een bevoegdheid formuleert en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Het biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Gelet op de aard en de ernst van het onderhavige vormverzuim en het geringe geleden nadeel van verdachte bepaalt de rechtbank dat zij hiermee in haar strafmaat rekening zal houden.
3.3.3.
Bewezenverklaring van het ten laste gelegde
Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier is de rechtbank van oordeel dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan in de periode van 1 januari 2015 tot en met 25 februari 2020. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte ook een gewoonte gemaakt van het bezit van kinderpornografisch materiaal. Verdachte heeft immers gedurende een periode van ongeveer vijf jaar kinderporno in zijn bezit gehad.
Anders dan door de verdediging is aangevoerd, blijkt uit het dossier niet dat sprake is van dubbeltellingen. Het verweer van de verdediging berust op de veronderstelling dat de afbeeldingen en films verschillende keren vanaf de ene gegevensdrager naar een andere gegevensdrager zijn gekopieerd. Ook als dat zou kloppen dan volgt nog steeds uit de bewijsmiddelen dat op de inbeslaggenomen gegevensdragers in totaal 23.472 foto’s en 17 films voorkwamen die volgens de geldende criteria kinderpornografisch zijn. De rechtbank gaat hierbij uit van hetgeen is geverbaliseerd en stelt op basis daarvan vast dat verdachte een groot aantal afbeeldingen en films in het bezit heeft gehad. De rechtbank verwerpt om die reden het verweer van de verdediging.
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen – waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat – bewezen dat verdachte
in de periode van 1 januari 2015 tot en met 25 februari 2020 te Amsterdam, een groot aantal afbeeldingen en een aantal films en gegevensdragers, te weten een LC pro harddisk en een HP Tpn-W121 en een Packard Bell New 95 en een Dell Dimention 5150, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit heeft gehad
welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – bestonden uit:
het met een penis en/of oraal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
FileName : [nummer] .jpg
en
het met de mond oraal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
FileName : [codenaam 1] en
FileName : [codenaam 2]
en
het met de mond aanraken van het geslachtsdeel van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en het met de hand en mond aanraken van het geslachtsdeel van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
FileName : [codenaam 1]
en
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon poseert in een omgeving en in een (erotisch getinte) houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd passen
en/ de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en billen en anus van die persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling
FileName : [codenaam 3]
FileName : [codenaam 4]
FileName : [codenaam 5]
en
het ejaculeren op het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (waarbij op het lichaam van een minderjarige sperma zichtbaar is) (waarbij) de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling
FileName : [codenaam 6]
en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Tevens vordert de officier van justitie een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Aan deze straf dient een proeftijd van twee jaren te worden verbonden.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het behoud van zijn baan, en om die reden geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft gedurende meerdere jaren het in de bewezenverklaring omschreven kinderpornografisch materiaal gedownload en in bezit gehad. Door het bezit van kinderporno is verdachte indirect betrokken bij het misbruiken van deze kinderen en het in stand houden van de vraag naar kinderpornografisch materiaal. Dit is bijzonder ernstig. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die hier het slachtoffer van zijn, psychologische schade oplopen die zij jaren later en soms zelfs hun hele leven nog met zich meedragen en dat beelden op internet niet zomaar verdwijnen zodat het misbruik in feite onbeperkt doorgaat. De verdachte heeft tot aan het moment van zijn aanhouding, naar eigen zeggen, weinig tot geen aandacht gehad voor de gevolgen voor deze kinderen. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het plegen van een ernstig strafbaar feit.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 21 juni 2021. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het psychologisch rapport van 20 april 2021 van P.C. Dalebout. Uit het rapport van de psycholoog en van zijn nadere toelichting ter zitting blijkt dat verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een pedofiele stoornis heeft. Verdachte heeft onder invloed van deze stoornis gehandeld door kinderporno te verzamelen, ook ten tijde van het tenlastegelegde feit. Om die reden adviseert de psycholoog het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Voorts wordt de kans op recidive op korte termijn gering geacht. Op langere termijn is het recidiverisico gering tot matig: de seksuele behoefte blijft ongewijzigd aanwezig en de behoefte kan meer prominent een rol gaan spelen in het leven van verdachte. Het inzicht van verdachte in zijn problematiek en risicofactoren is toegenomen door de behandeling bij [instelling] . Verdere behandeling wordt niet zinvol geacht omdat het niet een relevante bijdrage zal kunnen leveren aan het vergroten van het bewustzijn en inzicht in de ziekelijke stoornis. De rechtbank volgt deze conclusie.
Op 21 mei 2021 heeft de reclassering een rapport opgesteld waarin zij in beginsel hun zorgen uiten over het zelfinzicht van verdachte. Tegelijkertijd ziet de reclassering ook dat de behandeling bij [instelling] positief is afgerond en dat het recidiverisico door de voormalig behandelaar van verdachte als laag wordt ingeschat. Ook worden er in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen risicofactoren gezien: verdachte heeft een vaste baan en een goed sociaal netwerk. Om die reden staan er geen interventies meer ter beschikking. Een reclasseringstoezicht enkel gericht op controle is niet wenselijk omdat het naar verwachting niet leidt tot gedragsverandering. De inschatting is dat de strafrechtelijke gevolgen een afschrikwekkend effect op verdachte hebben. De rechtbank volgt ook deze conclusie.
Tot slot neemt de rechtbank in haar strafmaatoverweging het vastgestelde vormverzuim in het voorbereidend onderzoek mee in het voordeel van verdachte. De rechtbank legt om die reden twee maanden minder voorwaardelijke gevangenisstraf op dan zij anders zou hebben gedaan.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf, gecombineerd met een taakstraf passend en geboden is. De rechtbank vindt, anders dan de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen passende straf in deze zaak. Verdachte heeft er een groot belang bij om zijn baan te behouden en dit zou door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op het spel kunnen komen te staan. Om de ernst van het feit te benadrukken zal de rechtbank aan verdachte een maximale taakstraf opleggen voor de duur van 240 uren.. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek opleggen. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient als stevige stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan.
Er is aanleiding de proeftijd vast te stellen op drie jaar. De rechtbank neemt hierbij in overweging hetgeen getuigendeskundige P.C. Dalebout in het psychologisch rapport van 20 april 2021 en op zitting nader heeft verklaard over de risico’s van een pedofiele stoornis op de langere termijn.
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, en 240b van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
een groot aantal afbeeldingen, een aantal films en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in het bezit heeft gehad en daarvan een gewoonte heeft gemaakt
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jaar vast onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en A.F. Bazdidi Tehrani, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 augustus 2021.
[..]
[..]
[..]
Proces-verbaal van binnentreden d.d. 25 februari 2021, proces-verbaalnummer 2019260037, pagina 04001 t/m 04002
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533
Proces-verbaal van binnentreden d.d. 25 februari 2021, proces-verbaalnummer 2019260037, pagina 04001 t/m 04002