Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBAMS:2024:9028

Beroep ongegrond. Zoekslag voldoende duidelijk en inzichtelijk. Weigeringsgronden juist toegepast. Verweerder heeft terecht de documenten geheel en gedeeltelijk geweigerd.

Rechtbank Amsterdam 29 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2024:9028
text/xml
public
2026-05-29T14:49:13
2026-05-12
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2024-12-17
AMS 23/5439
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Amsterdam
Bestuursrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:9028
text/html
public
2026-05-18T11:32:47
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2024:9028 Rechtbank Amsterdam , 17-12-2024 / AMS 23/5439

Beroep ongegrond. Zoekslag voldoende duidelijk en inzichtelijk. Weigeringsgronden juist toegepast. Verweerder heeft terecht de documenten geheel en gedeeltelijk geweigerd.


RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 23/5439

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen

<br /> RLC 1 BV en RLC 2 BV, uit [vestigingsplaats] , eisers

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en



(gemachtigde: mr. T.P.M. Varenhorst en mr. J.A. Groenendijk).

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 17 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.

1.3.

De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst, zodat verweerder de gelegenheid kreeg een nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers te nemen. Verweerder heeft vervolgens op 28 februari 2024 een herziene beslissing op bezwaar genomen. Eisers hebben laten weten het ook niet eens te zijn met de herziene beslissing op bezwaar.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 26 juni 2024 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.

1.5.

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend, zodat verweerder de gelegenheid kreeg om met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stukken in te brengen en een reactie in te dienen. Verweerder heeft deze stukken en reactie ingebracht. Eisers hebben daarop gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2.1.

Eisers exploiteerden tot 2012 speelhallen op de adressen [adres 1] en [adres 2] . De gemachtigde van eisers is de middellijk bestuurder van eisers.

2.2.

Eisers hebben op 28 september 2021 een Wob-verzoek (verzoek 1) ingediend bij verweerder. In dat verzoek hebben zij verzocht om openbaarmaking van correspondentie en communicatie in de periode van 3 juli 2009 tot 28 september 2021 tussen onderdelen van het Openbaar Ministerie (het OM), alsmede tussen enerzijds het OM en anderzijds de gemeente Amsterdam, het Landelijk Bureau Bibob, de Kansspelautoriteit, dan wel het ministerie van Justitie en Veiligheid over – kort gezegd – vijf panden in Amsterdam waarvan [gemachtigde 2] indirect eigenaar is, over eisers die in twee van die panden zijn gevestigd, over de [gemachtigde 2] die eigenaar is van die panden, over RLU B.V., over de aanvrager van vergunningen [persoon 1] en over de vennootschappen Nedcoin 1 B.V. en Nedcoin 2 B.V.

2.3.

Op 8 april 2022 heeft verweerder een besluit genomen op verzoek 1. Verweerder heeft 73 documenten opgenomen in een inventarislijst en de informatie die eisers hadden verzocht in 16 van de geïnventariseerde documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Verweerder heeft in het besluit vermeld dat overige (passages in) documenten niet openbaar werden gemaakt, onder meer omdat het ging om stukken die tot een strafdossier behoren en vanwege opsporings- en vervolgingsbelangen, de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling, omdat sprake was van stukken met betrekking tot intern beraad en de geheimhoudingsplicht in het kader van de Wet Bibob. Eisers hebben geen (rechtstreeks) beroep ingesteld tegen het besluit van 8 april 2022.

2.4.

Eisers hebben vervolgens op 28 oktober 2022 een nieuw Woo-verzoek (verzoek 2) ingediend bij verweerder en verzocht om een afschrift van de (ongeveer) 427 aangetroffen documenten die naar aanleiding van het Wob-verzoek in de eerdere procedure wel zijn geïnventariseerd, maar geen deel uitmaken van het Wob-besluit van 8 april 2022. Dit deel van het Woo-verzoek wordt aangeduid als deel 1 van verzoek 2. Eisers hebben daarnaast verzocht om openbaarmaking van (eventuele) documenten over dezelfde onderwerpen als in de eerdere procedure in de periode vanaf het besluit van verweerder van 8 april 2022 tot en met de datum van verzoek 2, 28 oktober 2022. Dit deel van het Woo-verzoek wordt aangeduid als deel 2 van verzoek 2.

2.5.

Met het primaire besluit van 8 december 2022 heeft verweerder verzoek 2 afgewezen, omdat de documenten onder de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en daarmee buiten de reikwijdte van de Woo vallen. De gegevens komen voort uit een strafdossier, ofwel ze zijn anderszins langs geautomatiseerde weg in een gegevensbestand bij het OM verwerkt. Ook is sprake van informatie over geïdentificeerde dan wel identificeerbare rechtspersonen, te weten eisers.

2.6.

Met het bestreden besluit 1 van 24 juli 2023 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

2.7.

Op de zitting van 17 januari 2024 heeft verweerder verzocht om de gelegenheid te krijgen een herziene beslissing op het bezwaar te kunnen nemen. De rechtbank heeft het onderzoek daarom geschorst.

2.8.

Op 28 februari 2024 heeft verweerder de herziene beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit 2). Verweerder heeft gesteld dat in de vorige beslissing op bezwaar ten onrechte is gesteld dat op de aangetroffen informatie de Woo niet van toepassing is, omdat niet alle informatie waarom wordt verzocht een strafvorderlijk gegeven is. Verweerder heeft ten aanzien van deel 1 van verzoek 2 gesteld dat 399 documenten zijn aangetroffen. Volgens verweerder vallen 176 documenten onder toepassing van artikel 365, vierde en vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), 122 documenten onder de toepassing van titels 2 tot en met 3b van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en 77 documenten onder toepassing van artikel 20 en 28, tweede lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Deze documenten vallen daarmee niet onder de reikwijdte van de Woo. Verweerder heeft gesteld dat 24 documenten wel binnen de reikwijdte van de Woo vallen. Van deze documenten heeft verweerder 13 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en 11 documenten geheel geweigerd, met toepassing van weigeringsgronden uit de Woo. Ten aanzien van deel 2 van verzoek 2 heeft verweerder vastgesteld dat er bij de zoekslag 1 document is aangetroffen. Dit document valt aan te merken als een strafvorderlijk gegeven als bedoeld in de Wjsg, waardoor de Woo op dat document niet van toepassing is.

2.9.

Eisers hebben aangegeven in het bestreden besluit 2 geen aanleiding te zien om hun beroep in te trekken en hebben toegelicht waarom niet.

3.1.

De rechtbank beoordeelt of verweerder juist heeft beslist op verzoek 2, het Woo-verzoek van 28 oktober 2022. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

3.2.

Omdat verweerder hangende het beroep het bestreden besluit 2 heeft genomen, wordt het beroep van eisers geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. Het bestreden besluit 2 komt in de plaats van het bestreden besluit 1. Gesteld noch gebleken is dat eisers nog belang hebben bij een beoordeling van het bestreden besluit 1. Eisers zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dat beroep.

Heropening van het onderzoek

4.1.

Na de zitting is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het vooronderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft vastgesteld dat met de motivering van verweerder in het bestreden besluit 2 onvoldoende kon worden vastgesteld of de documenten terecht zijn geweigerd op grond van de bijzondere openbaarmakingsregelingen. De rechtbank heeft het onderzoek daarom heropend en verweerder verzocht om deze documenten aan de rechtbank te overleggen, zodat de rechtbank dit kan controleren. De rechtbank heeft verweerder daarnaast verzocht om de gedane zoekslag nader te motiveren. De rechtbank heeft verweerder ook verzocht om een (nader) standpunt in te nemen over een aantal punten die eisers voor het eerst in hun pleitnota hebben gesteld. Verweerder heeft op 30 september 2024 de gevraagde stukken ingebracht en een nadere reactie gegeven op de vragen van de rechtbank. Eisers hebben vervolgens op 22 oktober 2024 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

4.2.

Het voorgaande betekent dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit 2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit motiveringsgebrek na de heropening voldoende heeft hersteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank zal later in de uitspraak terugkomen op de gevolgen hiervan.

Inzichtelijkheid van de zoekslag

5.1.

Eisers voeren aan dat verweerder de gedane zoekslag niet inzichtelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft alleen gemeld dat de uitvraag is gedaan bij betrokken officieren van justitie en parketsecretarissen, dat het strafdossier is doorgenomen en dat de mailboxen uitvoerig zijn doorzocht.

5.2.

Na de heropening heeft verweerder in haar reactie van 30 september 2024 de zoekslag nader toegelicht. Ten aanzien van deel 1 van verzoek 2 heeft verweerder toegelicht dat dit een zeer eenvoudige zoekslag was. Alle documenten die bij verzoek 1 van 28 september 2021 zijn aangetroffen en die zijn aangemerkt als vallend buiten de reikwijdte van het verzoek, zijn door verweerder bij de behandeling van dat verzoek opgeslagen in een map op een locatie op de H-schijf. De zoekslag betrof dus niet meer dan het inventariseren van deze map. De zoekslag ten aanzien van deel 2 van verzoek 2 is uitgevoerd door een medewerker van het zaaksteam Terre bij het Landelijk Parket van het OM, die betrokken is geweest bij alle informatie-uitwisselingen over de panden en gokhallen. Deze medewerker is bij alle mailwisselingen betrokken en heeft in eigen e-mailberichten gezocht, waarin de medewerker ofwel opsteller was, ofwel ontvanger, ofwel werd meegenomen in de cc. De medewerker heeft gekeken in een locatie op de H-schijf waar alle communicatie met andere overheidsorganen over deze zaak is opgeslagen. Aan de hand van de datum van de documenten werd gekeken of deze vielen onder eisers’ verzoek.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat met voorgaande toelichting voldoende duidelijk en inzichtelijk is hoe verweerder de zoekslag voor zowel deel 1 als deel 2 van het verzoek heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Weigering op grond van artikel 365, vierde en vijfde lid, Sv

6.1.

Verweerder heeft 176 documenten geweigerd op grond van artikel 365, vierde en vijfde lid, van het Sv. Dit artikel is een bijzondere openbaarmakingsregeling die derogeert aan de werking van de Woo. Op grond van dit artikel vallen alle stukken die in een strafzaak aan de rechter zijn voorgelegd niet onder de toepassing van de Woo. Volgens verweerder zijn de 176 documenten in een strafgeding aan een rechter voorgelegd.

6.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de documenten en heeft gecontroleerd of verweerder de weigeringsgrond van artikel 365, vierde en vijfde lid, Sv juist heeft toegepast. De rechtbank heeft de 176 documenten doorgebladerd en heeft in de documenten gezien en gelezen dat het gaat om documenten die in het kader van een strafgeding aan een rechter zijn voorgelegd. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd de betreffende stukken openbaar te maken op grond van artikel 365, vierde en vijfde lid, van het Sv. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat dit stukken zijn die eisers tot hun beschikking zouden moeten hebben in het kader van het strafgeding, dan wel dat dit stukken zijn die zij kunnen opvragen bij de voorzitter van de rechtbank, op grond van het artikel.

Weigering op grond van titels 2 tot en met 3b Wjsg

7.1.

Verweerder heeft 122 documenten geweigerd op grond van titels 2 tot en met 3b Wjsg. Deze titels zien op de verwerking van justitiële en strafvorderlijke gegevens, en op de verwerking van tenuitvoerleggingsgegevens en van gerechtelijke strafgegevens. Strafvorderlijke gegevens zijn persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon, die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek en die het OM in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg in een gegevensbestand verwerkt. De titels zijn aan te merken als een bijzondere openbaarmakingsregeling die derogeert aan de Woo. Volgens verweerder bevatten 122 van de aangetroffen documenten strafvorderlijke gegevens. Door de wijze van de insteek van het aanvankelijke verzoek 1 en het daaropvolgende verzoek 2 is steeds duidelijk over welke personen of rechtspersonen het verzoek gaat, daarom bevatten de gegevens in de 122 documenten persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon. De informatie is verder verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek naar deze (rechts-)personen en de informatie zit ook in een strafdossier, dan wel wordt die anderszins langs geautomatiseerde weg in een gegevensbestand verwerkt. De gegevens zijn daarmee niet naar hun aard te kwalificeren als strafvorderlijk gegeven, maar wel naar hun inhoud.

7.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de documenten en heeft gecontroleerd of verweerder de weigeringsgrond van titels 2 tot en met 3b van de Wjsg juist heeft toegepast. De rechtbank heeft gebruik gemaakt van een steekproef, door 25 willekeurige documenten te bekijken. De rechtbank stelt vast dat in de documenten strafvorderlijke gegevens staan. Door het feit dat de namen van de rechtspersonen en van de natuurlijke persoon zijn opgenomen in het Woo-verzoek, is alle informatie die als reactie op elk verzoek openbaar wordt gemaakt automatisch te herleiden naar die personen. Ook als alleen een algemeen stuk openbaar zou worden gemaakt als reactie op een van de Woo-verzoeken, dan wordt daarmee duidelijk dat bij het OM een procedure of onderzoek gestart is met betrekking tot die persoon.

7.3.

Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de herleidbaarheid van de persoonsgegevens eenvoudig is te voorkomen door de naam van eisers of de gemachtigde van eisers niet te noemen of te volstaan met een algemene formulering, zoals ‘twee bedrijven in Amsterdam’, volgt de rechtbank hen niet. Bij de vraag of gegevens herleidbaar zijn, kan de informatie in de documenten niet worden losgekoppeld van (de indiener) van het Woo-verzoek. Ook niet achteraf. Bovendien is het zo dat, als een willekeurige derde een Woo-verzoek indient ten aanzien van een ander natuurlijk persoon of rechtspersoon en deze informatie strafvorderlijke gegevens bevatten in de zin van de Wjsg, deze informatie ook niet zomaar openbaar dient te worden gemaakt met als motivering dat de informatie losgekoppeld kan worden van het Woo verzoek.

7.4.

De documenten waarvan om openbaarmaking is verzocht met het Woo-verzoek betreffen dus strafvorderlijke gegevens. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd de betreffende stukken openbaar te maken op grond van titels 2 tot en met 3b Wjsg.

Weigering op grond van artikelen 20 en 28, tweede lid, Wet Bibob

8.1.

Verweerder heeft 77 documenten geweigerd op grond van artikel 20 en 28, tweede lid, van de Wet Bibob. Deze artikelen zijn aan te merken als een bijzondere openbaarmakingsregeling die derogeert aan de Woo. Op grond van deze artikelen is eenieder die op grond van deze wet beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, verplicht is tot geheimhouding van deze gegevens. Volgens verweerder is alle informatie uit de 77 documenten informatie die in het kader van een Bibob-onderzoek is verkregen én direct of indirect te herleiden is tot personen of bedrijven.

8.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de documenten en heeft gecontroleerd of verweerder de weigeringsgrond van artikel 20 en 28, tweede lid, van de Wet Bibob juist heeft toegepast. De rechtbank heeft gebruik gemaakt van een steekproef, door 25 willekeurige documenten te bekijken. De rechtbank stelt vast dat alle documenten informatie bevatten die is verkregen in het kader van de Wet Bibob. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd de betreffende stukken openbaar te maken op grond van artikel 20 en 28, tweede lid, van de Wet Bibob.

Weigering op grond van de Woo

9.1.

Verweerder heeft gesteld dat er, ten aanzien van deel 1 van verzoek 2,

24 documenten overblijven die op grond van de Woo beoordeeld dienen te worden. Deze 24 documenten zijn opgenomen in een inventarislijst, en per document zijn de weigeringsgronden of de bijzondere openbaarmakingsregelingen vermeld. Verweerder heeft 13 documenten gedeeltelijk geweigerd en 11 documenten geheel geweigerd. Verweerder heeft toepassing gegeven aan artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo, artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo, en artikel 5.2, eerste lid van de Woo.

9.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de inventarislijst per document heeft genoemd welke weigeringsgrond is of welke weigeringsgronden zijn gebruikt. In documenten waar meerdere weigeringsgronden zijn toegepast, heeft verweerder in de gelakte passages echter niet expliciet genoemd welke weigeringsgrond op welke passage is toegepast. In slechts enkele passages heeft verweerder dit gedaan. Hierdoor was het voor de rechtbank moeilijk(er) om na te gaan welke weigeringsgrond op welke passage van toepassing is. Omdat in veel passages artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo is toegepast en daarmee persoonsgegevens of namen zijn gelakt, heeft de rechtbank de toegepaste weigeringsgronden zelf kunnen invullen. De rechtbank wil verweerder voor toekomstige procedures meegeven om hiermee rekening te houden en de documenten, naast in de inventarislijst, ook op het document zelf van een duidelijke nummering te voorzien.

Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo

9.3.

In de documenten 1, 3, 5, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 17, 22 en 24 zijn passages gedeeltelijk geweigerd met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo. Op grond van dit artikel blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. De rechtbank heeft kennisgenomen van deze documenten en is van oordeel dat verweerder passages in deze documenten terecht heeft gelakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo.

Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo

9.4.1.

In de documenten 3, 10, 12 heeft verweerder verder passages gelakt met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo. Op grond van dit artikel blijft het verstrekken van informatie achterwege als dit het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen in het geding brengt en niet opweegt tegen het belang van openbaarmaking. Tegen deze weigering voert eiser aan dat sprake is van een relatieve weigeringsgrond, waarbij het belang van het goed functioneren van de Staat moet worden afgewogen tegen het belang van openbaarmaking anderzijds. Volgens eiser blijkt nergens uit dat deze belangen op zorgvuldige wijze tegen elkaar zijn afgewogen. Eiser vindt de motivering ondeugdelijk en ontoereikend.

9.4.2.

De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit wel een belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder heeft overwogen dat in de documenten correspondentie met burgers dan wel advocaten is opgenomen. Openbaarmaking van deze documenten zou afbreuk doen aan het vertrouwen om vrijelijk met een bestuursorgaan te communiceren en zou ertoe kunnen leiden dat partijen in de toekomst zich minder vrijelijk zullen uiten, dan wel terughoudender zullen zijn in het zich wenden tot een overheid.

9.4.3.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de gelakte passages. In de documenten is inderdaad correspondentie met burgers dan wel advocaten opgenomen. De rechtbank kan de door verweerder gedane belangenafweging volgen. Verweerder heeft de passages in deze documenten terecht gelakt op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo.

9.4.4.

Verweerder heeft verder documenten 2, 4, 8, 9 en 23 geheel geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i van de Woo. De rechtbank heeft kennisgenomen van deze documenten en kan volgen waarom verweerder deze documenten geheel heeft geweigerd met toepassing van dit artikel.

Artikel 5.2, eerste lid van de Woo

9.5.

In de documenten 10 en 14 heeft verweerder verder passages gelakt met toepassing van artikel 5.2, eerste lid van de Woo. Op grond van dit artikel worden persoonlijke beleidsopvattingen in documenten die bestemd zijn voor intern beraad niet openbaar gemaakt. De rechtbank heeft kennisgenomen van deze documenten en is van oordeel dat verweerder passages in deze documenten terecht heeft gelakt op grond van artikel 5.2, eerste lid van de Woo.

Wjsg en Wet Bibob

9.6.

Verweerder heeft verder in de documenten 3, 12, 17 en 24 de weigeringsgrond van de Wjsg toegepast. In de documenten 11 en 14 heeft verweerder de weigeringsgrond van de Wet Bibob toegepast. Volgens verweerder is op deze specifieke passages een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing, op grond waarvan de informatie niet onder de Woo openbaar gemaakt kan worden. De rechtbank heeft kennisgenomen van deze passages en kan volgen waarom verweerder de passages heeft gelakt op grond van die bijzondere openbaarmakingsregelingen.

Dubbele documenten

9.7.

Bij de documenten 15, 16, 18, 19, 20 en 21 staat in de inventarislijst ‘dubbel, zie document nummer (…)’. De rechtbank ziet dat deze ‘dubbele’ documenten eerder gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. De rechtbank ziet geen reden om deze weigering onrechtmatig te achten.

Ontbrekende correspondentie

10.1.

Eisers voeren aan dat het vreemd is dat bepaalde (data van) correspondentie niet worden vermeld in de geïnventariseerde documenten. Eisers wijzen op de briefwisseling van de gemachtigde van eiser met de officier van justitie van 27 november 2017, 8 januari 2018 en 11 januari 2018, interne correspondentie over de mail van eiser van 8 september 2017 en de overdracht van het dossier aan de officier van justitie en correspondentie van dhr. [persoon 2] in 2017 en 2018 over de speelhallen en panden van eiser met ambtenaren van de gemeente Amsterdam.

10.2.

De rechtbank overweegt dat de correspondentie en briefwisselingen die eisers noemen gaan over 2017 en 2018. Deel 2 van verzoek 2 heeft betrekking op de periode van 8 april 2022 tot 28 oktober 2022. De documenten kunnen dus niet vallen onder die periode. De documenten zouden wel kunnen vallen onder deel 1 van verzoek 2, dat ziet op de ‘bijvangst’ van het eerste Woo-verzoek van eisers van 28 september 2021. Verweerder heeft toegelicht dat het niet mogelijk is om nader te motiveren waarom deze correspondentie en briefwisselingen niet bij de zoekslag zijn aangetroffen, nu eisers niet specifiek om deze documenten hebben gevraagd. Eisers hebben namelijk verzocht om openbaarmaking van de ‘bijvangst’. Verweerder heeft ook toegelicht dat op verzoek 1 op 8 april 2022 een besluit op grond van de Wob is genomen. Tegen dat beluit heeft eiser geen rechtsmiddel aangewend, waardoor dit besluit onherroepelijk is geworden. De rechtbank kan deze toelichting van verweerder volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

11.1.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht de documenten geheel en gedeeltelijk heeft geweigerd. Eisers krijgen geen gelijk.

11.2.

Gelet op het in overweging 4.2 geconstateerde motiveringsgebrek, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 365,- vergoedt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eisers hebben verzocht om een vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde. Eisers hebben namelijk een advocaat geraadpleegd voorafgaand aan de zitting op 17 januari 2024 en de zitting van 26 juni 2024. Van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is echter alleen sprake als de proceshandelingen worden uitgevoerd door een rechtshulpverlener. De kosten van het enkel inwinnen van een advies van een advocaat, zonder dat deze als gemachtigde optreedt, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk

verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

17 december 2024.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht

Dit volgt uit artikel 1, aanhef en onder i van de Wjsg.

Artikel delen