Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:5036

Eindvonnis na tussenvonnis. Geen oneerlijke bedingen. Vorderingen worden toegewezen.

Rechtbank Amsterdam 29 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:5036
text/xml
public
2026-05-29T14:45:25
2026-05-22
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-05-15
11994140 CV EXPL 25-16775
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Verstek
NL
Amsterdam
Civiel recht; Verbintenissenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5036
text/html
public
2026-05-29T10:45:58
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:5036 Rechtbank Amsterdam , 15-05-2026 / 11994140 CV EXPL 25-16775

Eindvonnis na tussenvonnis. Geen oneerlijke bedingen. Vorderingen worden toegewezen.


RECHTBANK
AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11994140 CV EXPL 25-16775

Vonnis van 15 mei 2026

in de zaak van

STICHTING DE BERGSCHE MAASVEREN,

gevestigd te Heusden,

eisende partij,

gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders (Groningen),

tegen

[gedaagde]
,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

niet verschenen.

<br /> 1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het tussenvonnis van 27 februari 2026- de akte van eisende partij van 11 maart 2026, met producties

– hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld heeft gedaagde partij niet gereageerd

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

<br /> 2De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 27 februari 2026 is eisende partij in de gelegenheid gesteld de van toepassing zijnde algemene voorwaarden in het geding te brengen, om toe te lichten over het moment en de wijze waarop zij aan gedaagde partij de mogelijkheid heeft geboden van deze algemene voorwaarden kennis te nemen en om zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van bedingen in de algemene voorwaarden waarop een beroep is of kan worden gedaan. Eisende partij heeft bij akte van 11 maart 2026 een en ander nader toegelicht en de algemene voorwaarden overgelegd.

2.2.

Eisende partij vordert betaling van een bedrag van € 2,70 aan veertarief, € 95,00 aan boete en € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.

2.3.

Volgens eisende partij dient een gebruiker van de veerpont vlak voor de overtocht of uiterlijk bij het betreden van de veerpont te betalen voor de overtocht. Wanneer een gebruiker niet betaalt, moet deze, naast het veertarief, ook een boete van € 175,00 betalen. Volgens eisende partij wordt de verschuldigdheid van de boete, alsmede de hoogte ervan, kenbaar gemaakt op de website van eisende partij, in haar algemene voorwaarden, op borden langs de veren en op de boot zelf. Het boetebeding beoogt te voorkomen dat mensen overvaren zonder daarvoor te betalen en voor een voldoende preventieve werking is het vereist dat het verschuldigde bedrag hoog genoeg is. De boete is gebaseerd op de schade die eisende partij lijdt wanneer een gebruiker overvaart zonder te betalen, onder andere vanwege omzetderving, gemaakte kosten, uitgevoerde werkzaamheden en gedane investeringen, aldus steeds eisende partij.

2.4.

Eisende partij heeft toegelicht dat op alle borden langs de weg naar veren, waar een gebruiker verplicht langs moet rijden om de veerpont te kunnen betreden, verwezen wordt naar de website van eisende partij, alwaar de algemene voorwaarden eenvoudig online te raadplegen zijn. De kantonrechter oordeelt dat eisende partij hiermee gedaagde partij de mogelijkheid heeft geboden van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Dat er een exemplaar van de algemene voorwaarden bij de schipper op de veerpont ligt kan daarvoor niet redengevend zijn, omdat volgens diezelfde algemene voorwaarden er al een overeenkomst al tot stand komt zodra de passagier met één voet de boot betreedt en er op dat moment dus nog geen mogelijkheid is geweest de bij de schipper aanwezige voorwaarden te raadplegen.

2.5.

Op het bord langs de veerpont staat:

‘Bij niet betalen voor de overtocht door niet-geregistreerde passagier: u betaalt € 175,00 boete.’

2.6.

In artikel 6.1 van de in deze zaak overgelegde versie van de algemene voorwaarden staat:

‘Als Niet-geregistreerde Passagier zonder betaling van de veerpont gebruik maakt is de houder van het kenteken van het voertuig het veergeld en een boete verschuldigd van € 175,00. De hoogte van de boete heeft te maken met een afschrikwekkende prikkel tot nakoming van de betaling. Bij iedere ingang van de veerpont staat deze boete vermeld. De houder van het kenteken ontvangt van een advocaat een schriftelijk verzoek tot betaling van dit veergeld en de boete.’

2.7.

Gelet op de gemotiveerde onderbouwing van eisende partij van de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding wordt deze als niet oneerlijk beoordeeld. Van andere bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, is niet gebleken.

2.8.

Uitgangspunt is dat de vordering in verstek wordt toegewezen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het veertarief en de boete voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij zijn meegedeeld. Het gevorderde parkeergeld en de gevorderde schadevergoeding komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de bedragen van € 2,70 en € 95,00 toewijsbaar zijn.

2.9.

Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat gedaagde partij een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde partij een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 40,00 worden toegewezen.

2.10.

Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:

– kosten van de dagvaarding

120,78

– griffierecht

135,00

– salaris gemachtigde

43,00

(1 punt × € 43,00)

– nakosten

21,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

320,28

<br /> 3De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 137,70,

3.2.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 320,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.

57327

Artikel delen