consumentenrecht, art 6:230m, 6:230o en 6:230p BW / geven juridisch advies / overeenkomst gesloten op afstand / schending informatieplicht / Niet gewezen op herroepingsrecht, dus termijn verlengd tot 1 jaar. Beroep op heroeping te laat gedaan / Geen wanprestatie / Betalingsverplichting -20% conform Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten.
ECLI:NL:RBAMS:2026:5078
text/xml
public
2026-06-02T18:00:12
2026-05-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-05-28
11925611 CV EXPL 25-14297
Uitspraak
Bodemzaak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Op tegenspraak
NL
Amsterdam
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5078
text/html
public
2026-05-26T11:24:48
2026-06-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:5078 Rechtbank Amsterdam , 28-05-2026 / 11925611 CV EXPL 25-14297
consumentenrecht, art 6:230m, 6:230o en 6:230p BW / geven juridisch advies / overeenkomst gesloten op afstand / schending informatieplicht / Niet gewezen op herroepingsrecht, dus termijn verlengd tot 1 jaar. Beroep op heroeping te laat gedaan / Geen wanprestatie / Betalingsverplichting -20% conform Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten.
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11925611 CV EXPL 25-14297
Vonnis van 28 mei 2026
in de zaak van
[eiser] (H.O.D.N. [bedrijf] ),
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 6 oktober 2025 met producties 1 tot en met 11,
– de conclusie van antwoord,
– het tussenvonnis van 6 november 2025,
– de akte van [eiser] van 14 april 2026 met aanvullende producties 12 tot en met 17,
– de producties 1 tot en met 8 van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Partijen zijn in persoon verschenen. Partijen hebben hun standpunt nader toegelicht, [eiser] aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2.1.
[eiser] voert een eenmanszaak tot juridische dienstverlening en VvE-beheer.
2.2.
Op 19 februari 2025 (om 03:01 uur) heeft [gedaagde] een e-mail gestuurd aan [eiser] met, voor zover relevant, de volgende inhoud:
Betreft:
Intro en Documenten behorend bij VvE [gedaagde] tegenover [naam] : verzoekschrift bij Rb Haarlem, rubricering, uitbreiding, daarnaast dakterras beëindiging gebruik, en a.s. VvE vergadering
Vandaag hadden wij een telefoongesprek betreffende het probleem dat ik een verzoekschrift indiende, waarvoor juridische support van groot belang kan zijn. Het behelst een sterk punt dat beslist in mijn voordeel kan uitpakken.
2.3.
In zijn reactie, verzonden op 19 februari 2025 om 10:41 uur, schrijft [eiser] , voor zover relevant, het volgende:
Dank voor het toezenden van de documenten. U vraagt of ik uw verzoekschrift kan aanvullen en verbeteren, zodat het meer kans van slagen heeft. Ik kan het volgende aanbieden aan u.
Stap 1. Procesadvies, waarin ik aangeef of het verzoek voldoende kans van slagen heeft en op welke punten het verzoekschrift aangepast kan/moet worden, en/of welke documenten en stukken u als productie nog moet bijvoegen. Hiervoor breng ik € 242,- incl. BTW in rekening.
Stap 2. Als stap 1 positief is zal ik aanwijzingen geven over een aanvullend verzoekschrift en een akte houdende producties, waarmee u zelf de juiste stappen kan ondernemen om het een en ander beter te onderbouwen. Hiervoor breng ik tussen de € 605,00 en € 726,00 incl. BTW in rekening. Deze stap 2 zal ik pas zetten als u mij daartoe na het advies van stap 1 opdracht geeft.
2.4.
Op 19 februari 2026, om 15:27 uur, schrijft [gedaagde] vervolgens, voor zover relevant, het volgende:
2. U stelt twee stappen voor:
Ik ben akkoord dat u mij adviseert. Ik ben bereid een voorschot te betalen. Wat de invulling van uw voorstel en de tarieven aan de stappen gehecht betreft, kan ik dit voluit niet beoordelen, en ben ik er niet ronduit gelukkig mee. Het is plezierig als u me wilt adviseren. Er liggen nog een aantal punten hierna, zoals de VvE-vergadering en het dakterras. Is het niet beter dat ik bij u een aantal uur afneem, waarbinnen de werkzaamheden passen
NB: Bv. of dit kans van slagen heeft. Dat is niet heel belangrijk, nu het al is gestart, en ik daar met een beslist sterk punt sta.
Als u zegt: Op die “andere” weg heb je kans van slagen, dat stel ik uw constructieve advies beslist op prijs. Ik dien te weten wat me te doen staat, met de kwestie/s.
2.5.
In zijn reactie, verzonden op 19 februari 2025 om 15:55 uur, schrijft [eiser] , voor zover relevant, het volgende:
U vraagt mij in de laatste e-mail om een gedegen stappenplan om de kwesties die u heeft aangedragen op te lossen. Dat kan ik voor u verzorgen. Ik wijzig mijn prijsstelling, ook omdat u daarom vraagt, als volgt.
Ik zal u aangeven welke stappen u moet ondernemen, met onderbouwing, om de kwesties aan te pakken. Daarbij hou ik rekening met het ingediende verzoekschrift. Als de kwesties aangepakt kunnen worden met het verzoekschrift, danwel met aanvulling een aanpassing daarvan, dan heeft dat de voorkeur, omdat deze weg nu eenmaal al is ingeslagen.
Ik zal u adviseren, met toepassing van mijn uurtarief en het maximeren op 7 uur. Dan is de maximale vergoeding (7*121=) € 847,00 incl. BTW. Daar komen geen andere kosten bij.
2.6.
In haar reactie, verzonden op 19 februari 2025 om 16:35 uur, schrijft [gedaagde] , voor zover relevant, het volgende:
Bedankt voor uw reactie.
Plezierig dat u een stappenplan wilt aanbieden om de kwesties aan te vatten en van een route richting beste “oplossing” te voorzien.
Wellicht kunt u daarna nog van dienst zijn om een en ander verder invulling te geven.
Als u zegt hiervoor 7 uur nodig te hebben, is dat wat mij betreft akkoord.
2.7.
[eiser] heeft op 24 februari 2025 een advies uitgebracht aan [gedaagde] .
2.8.
Op 25 februari 2025 heeft [eiser] een factuur ter hoogte van € 847,00 inclusief BTW aan [gedaagde] gestuurd, te betalen binnen veertien dagen.
2.9.
[gedaagde] weigert om de factuur te betalen, omdat zij het niet eens is met de inhoud daarvan.
2.10.
Bij brief van 4 juni 2025 heeft de incassogemachtigde van [eiser] [gedaagde] verzocht om het openstaande bedrag binnen vijftien dagen na bezorging van de brief te betalen, bij gebreke waarvan het openstaande bedrag wordt verhoogd met € 127,05 incassokosten.
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 847,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] de factuur niet op de aangegeven vervaldatum heeft betaald en niet heeft gereageerd op herinneringen en aanmaningen. Om die reden schiet zij jegens [eiser] tekort in de nakoming van haar verplichting tot betaling van de factuur.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat [eiser] de opdracht niet naar behoren heeft uitgevoerd. Volgens [gedaagde] bevat het advies een groot aantal onjuistheden en worden daarin niet de vragen vanuit de opdracht geadresseerd, noch van een stappenplan richting oplossingen voorzien. Om die reden is [gedaagde] niet gehouden om de factuur te betalen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Overeenkomst van opdracht
4.1.
[eiser] stelt dat [gedaagde] hem opdracht heeft gegeven om haar juridisch advies te verlenen. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing verklaard. [eiser] heeft een kopie van de algemene voorwaarden bij de dagvaarding gevoegd.
4.2.
De overeenkomst tussen partijen is neergelegd in de e-mails tussen partijen van 19 februari 2025. Hieruit volgt dat partijen op 19 februari 2025 een telefoongesprek hebben gevoerd en dat [gedaagde] haar verzoek om juridisch advies daarna per e-mail heeft toegelicht. [eiser] heeft voorgesteld om eerst een procesadvies te geven en om vervolgens aanwijzingen te geven over een aanvullend verzoekschrift en een akte houdende producties, waarmee [gedaagde] zelf de juiste stappen kan ondernemen om een en ander beter te onderbouwen. Naar aanleiding van de reactie van [gedaagde] heeft [eiser] , rekening houdend met het ingediende verzoekschrift, zijn aanbod aangepast en de adviesverlening gemaximeerd op zeven uur, zodat de maximale vergoeding (7 x € 121,00 =) € 847,00 inclusief BTW bedraagt. Dit aanbod heeft [gedaagde] met de e-mail van 19 februari 2025 om 16:35 uur geaccepteerd, zodat daarmee de overeenkomst tegen deze prijs tot stand is gekomen.
Ambtshalve toetsing informatieplichten
4.3.
[gedaagde] heeft de overeenkomst gesloten als consument. De overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] wordt daarom aangemerkt als een consumentenovereenkomst, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of [eiser] heeft voldaan aan zijn informatieplichten en of in de overeenkomst die tussen partijen is gesloten en in de algemene voorwaarden die daarop van toepassing zijn verklaard, oneerlijke bedingen zijn opgenomen in de zin van Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen). Als niet is voldaan aan de informatieplichten, past de kantonrechter ambtshalve een sanctie toe.
4.4.
Op basis van de e-mails tussen partijen van 19 februari 2025 is de kantonrechter van oordeel dat partijen een vast bedrag voor de werkzaamheden hebben afgesproken, dat voldoende transparant wordt geacht en daarom niet hoeft te worden getoetst op oneerlijkheid (artikel 4 lid 2 van de richtlijn). [gedaagde] wist immers met de door [eiser] gevraagde maximale vergoeding waar zij aan toe was en welke financiële gevolgen zij op zich nam bij het aangaan van de overeenkomst.
4.5.
[eiser] heeft de informatie over het ontbindingsrecht – de voorwaarden waaronder en de wijze waarop [gedaagde] daarvan gebruik kon maken – niet, althans niet voldoende duidelijk en begrijpelijk verstrekt. Het staat niet in de algemene voorwaarden en evenmin volgt dit uit de e-mails van 19 februari 2025 (zie de artikelen 6:230m, 6:230o en 6:230p BW). In dat geval wordt de termijn van veertien dagen – kort gezegd – verlengd met twaalf maanden (zie artikel 6:230o lid 2 BW). Deze wettelijke sanctie geldt ongeacht of [gedaagde] de overeenkomst binnen die veertien dagen heeft willen ontbinden.
4.6.
Het beroep van [gedaagde] op het recht om de overeenkomst te herroepen, slaagt niet omdat zij het te laat doet. Hiervoor is geoordeeld dat de termijn waarop [gedaagde] de overeenkomst mag ontbinden, verlengd is tot één jaar. De datum waarop [gedaagde] uiteindelijk een beroep heeft gedaan op het herroepingsrecht, te weten bij akte van 14 april 2026, valt buiten die verlengde ontbindingstermijn. Dat betekent dat [gedaagde] de overeenkomst op dat moment niet meer kosteloos, zonder reden en vormvrij kon ontbinden op grond van artikel 6:230o BW. Anders dan [gedaagde] ter zitting betoogt, leest de kantonrechter in de conclusie van antwoord geen beroep van [gedaagde] op ontbinding van de overeenkomst met [eiser] .
Beroep op wanprestatie
4.7.
Voor zover [gedaagde] beroep op het herroepingsrecht opgevat moet worden als een ontbindingsverklaring vanwege tekortkomingen in het gegeven advies, slaagt dit ook niet.
4.8.
[gedaagde] heeft na ontvangst van het advies in een e-mail aan [eiser] van 26 februari 2026 (om 15:54 uur) meegedeeld dat zij niet bereid is om te betalen voor dat advies omdat het volgens haar onjuistheden bevat. Zij heeft in de e-mail gevraagd bij welke “vereniging/kwaliteits toeziend instituut” [eiser] is aangesloten, omdat ze over het advies een klacht wil indienen. [eiser] heeft vervolgens [gedaagde] in een e-mail (om 16:13 uur) meegedeeld dat hij niet is aangesloten bij een vereniging of een kwaliteitstoeziend instituut en [gedaagde] uitgenodigd om onderbouwd aan te geven bij welke onderdelen hij de informatie uit het dossier onjuist heeft weergegeven of onjuiste informatie heeft verstrekt. [gedaagde] heeft hier (om 17:11 uur) summier op gereageerd en aangegeven het daarbij te willen laten. [eiser] heeft om 18:10 uur een uitgebreide reactie gestuurd op de summiere genoemde punten in de laatste e-mail van [gedaagde] en haar nogmaals in de gelegenheid gesteld om onderbouwd aan te geven waar zijn advies niet juist is. [gedaagde] heeft daar niet meer op gereageerd.
4.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] bij het opstellen van het advies de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen. [eiser] is in zijn advies op alle in de opdracht van [gedaagde] genoemde punten ingegaan en heeft de consequenties beschreven. Dat de inhoud van het advies niet voldoet aan wat [gedaagde] ervan had verwacht, maakt nog niet dat de inhoud van het advies niet deugt. Verder zijn de bezwaren van [gedaagde] in algemene bewoordingen gesteld als: “het staat vol van de onjuiste informatie, en onjuiste weergave van de informatie die u van mij uit ontving”. Wat de onjuistheden zijn, heeft zij niet beschreven of uitgelegd. Ook niet na herhaaldelijke verzoeken van [eiser] om te onderbouwen wat dan onjuist zou zijn. Daarmee heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld dat [eiser] tekort is geschoten in het gegeven advies, zodat [gedaagde] ook op deze grond niet bevoegd is de overeenkomst te ontbinden.
4.10.
Dit betekent dat [gedaagde] voor het advies moet betalen.
De hoogte van de betaling
4.11.
De kantonrechter heeft hiervoor overwogen dat [eiser] een belangrijke informatieverplichting aan een consument heeft geschonden, namelijk dat hij de consument niet heeft geïnformeerd over het (al dan niet bestaan van een) ontbindingsrecht. Op grond van deze schending van de informatieplichten zal de kantonrechter de overeenkomst met toepassing van de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van [gedaagde] ten aanzien van de gevorderde hoofdsom wordt verminderd met 20%. Dat betekent dat aan hoofdsom een bedrag van € 677,60 (80% van € 847,00) toewijsbaar is. Dit bedrag zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter ook hier ambtshalve controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De algemene voorwaarden van [eiser] bevatten een incassokostenbeding. Dit beding wijkt niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van incassokosten in de weg.
4.13.
[eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 101,64 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding.
Wettelijke rente
4.14.
De gevorderde reeds verschenen wettelijke rente van € 28,13 zal worden afgewezen, omdat dit bedrag is gebaseerd op een hoger bedrag dan de toewijsbare hoofdsom. De (verder) gevorderde en niet bestreden wettelijke rente zal worden toegewezen over het bedrag van € 677,60 vanaf de dag van de dagvaarding.
Proceskosten
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
– kosten van de dagvaarding
€
146,14
– griffierecht
€
226,00
– salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
– nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
732,14
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 677,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 101,64 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 732,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Otten en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
33806
Zie www.rechtspraak.nl onder kanton, ambtshalve toetsing consumentenzaken