Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBAMS:2026:7793

Aanneming van werk restaurant zonder schriftelijke uitwerking overeenkomst. Uitleg overeenkomst. Aannemer beëindigt overeenkomst zonder rechtsgrond; opdrachtgever mocht ontbinden. Afrekening aan de hand van werkelijke waarde uitgevoerde werkzaamheden (6:272 lid 2 BW). Waarde gelijk aan betaald bedrag. Geen terugbetaling aan opdrachtgever en geen betaling resterende factuur aan aannemer. Vorderi...

Rechtbank Amsterdam 4 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBAMS:2026:7793
text/xml
public
2026-08-04T17:31:11
2026-07-31
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-07-22
C/13/776122
Uitspraak
Bodemzaak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Op tegenspraak
NL
Amsterdam
Civiel recht; Verbintenissenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7793
text/html
public
2026-08-04T17:29:54
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:7793 Rechtbank Amsterdam , 22-07-2026 / C/13/776122

Aanneming van werk restaurant zonder schriftelijke uitwerking overeenkomst. Uitleg overeenkomst. Aannemer beëindigt overeenkomst zonder rechtsgrond; opdrachtgever mocht ontbinden. Afrekening aan de hand van werkelijke waarde uitgevoerde werkzaamheden (6:272 lid 2 BW). Waarde gelijk aan betaald bedrag. Geen terugbetaling aan opdrachtgever en geen betaling resterende factuur aan aannemer. Vordering winstderving opdrachtgever afgewezen.

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/776122 / HA ZA 25-1521

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

KIM’S SO C AMSTERDAM B.V.,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: Kim’s So,

advocaat: mr. M.S. Benistant,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. B. Altena.

<br /> 1De zaak in het kort

1.1.

[gedaagde] heeft in opdracht van Kim’s So sloop- en renovatiewerkzaamheden uitgevoerd aan een restaurant van Kim’s So in Amsterdam. [gedaagde] heeft de werkzaamheden stilgelegd, omdat Kim’s So zich volgens haar niet aan het betaalschema hield. Vervolgens heeft Kim’s So de overeenkomst ontbonden. Kim’s So vordert terugbetaling van het door haar betaalde bedrag. Volgens [gedaagde] mocht zij de werkzaamheden opschorten en mocht Kim’s So niet ontbinden. Daarom vindt [gedaagde] dat zij Kim’s So niets verschuldigd is. In reconventie vordert [gedaagde] betaling van een onbetaalde factuur.

1.2.

De rechtbank oordeelt dat Kim’s So de overeenkomst mocht ontbinden, maar dat zij geen recht heeft op terugbetaling. Partijen moeten namelijk afrekenen aan de hand van werkelijke waarde van het door [gedaagde] uitgevoerde werk. De rechtbank stelt deze waarde gelijk aan het door Kim’s So betaalde bedrag. Daarom wordt ook de vordering in reconventie van [gedaagde] afgewezen. Hierna worden deze beslissingen uitgelegd.

<br /> 2De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding van 5 september 2025 met producties,

– de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 19 november 2025 met producties,

– de conclusie van antwoord in reconventie van 31 december 2025 met producties,

– het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarin mondelinge behandeling is bepaald,

– het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 juni 2026 en de daarin genoemde stukken. De zittingsaantekeningen van de griffier zijn in het dossier gevoegd.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

<br /> 3De feiten

3.1.

Kim’s So exploiteert diverse restaurants in Amsterdam. [gedaagde] is een aannemingsbedrijf. Kim’s So heeft [gedaagde] ingeschakeld voor de sloop en renovatie van een restaurant aan de [locatie] in Amsterdam.

3.2.

Op 29 mei 2024 heeft [gedaagde] een offerte aan Kim’s So verstuurd voor de sloopwerkzaamheden voor een totaalbedrag van € 11.858,00 inclusief btw. Kim’s So heeft dit bedrag op 3 juni 2024 betaald. Op diezelfde dag zijn de werkzaamheden begonnen.

3.3.

Partijen hebben voor het bouwproject een WeChat-groepschat aangemaakt met als leden de directeurs van Kim’s So en [gedaagde] en de architect van het project. Op 4 juli 2024 heeft de architect de Werkomschrijving Restaurant Go Beef Hotpot (de Werkomschrijving) in de groepschat gedeeld en op 5 juli 2024 het Go Beef Ruimteboek met tekeningnummer [nummer 1] (het Ruimteboek).

3.4.

Op 4 augustus 2024 heeft [gedaagde] een offerte met nummer [nummer 2] voor de verbouwingswerkzaamheden verstuurd, ter hoogte van € 173.998,00 inclusief btw. Op de offerte staat onder meer het volgende vermeld:

“Betreft verbouwing volgens het ruimteboek [nummer 1] ”

(…)

Betalingen bij Akkoord:

50% Aanbetaling, 25% Start werkzaamheden, 15% Halverwege werkzaamheden en bij oplevering 10% (in overleg)”

3.5.

Op 7 augustus 2024 heeft [gedaagde] een factuur voor € 60.500,00 inclusief btw verzonden met beschrijving “Aanbetaling werkzaamheden volgens Offerte [nummer 2]”. Kim’s So heeft deze factuur in twee delen betaald: € 30.000,00 op 9 augustus 2024 en € 30.500,00 op 25 augustus 2025.

3.6.

Op 20 september 2025 heeft [gedaagde] een factuur gestuurd voor € 60.500,00 inclusief btw verzonden met beschrijving “2e Aanbetaling werkzaamheden volgens Offerte [nummer 2] ”. Kim’s So heeft vervolgens op 30 september 2024 € 20.000,00 betaald.

3.7.

In november 2024 heeft [gedaagde] de werkzaamheden neergelegd. In januari tot en met maart 2025 heeft [gedaagde] diverse betalingsherinneringen voor € 40.500,00 aan Kim’s So verzonden.

3.8.

Op 7 maart 2025 heeft Kim’s So per e-mail het volgende aan [gedaagde] bericht:

“We have not received responses to our reminders to initiate work as per the agreed schedule. Due to these unaddressed delays, we contest the current invoice and urgently request a meeting to discuss and revise the project timelines”

3.9.

Op 25 maart 2025 heeft de administratief dienstverlener van [gedaagde] per brief het volgende aan Kim’s So meegedeeld:

“Met datum 20 september 2024 ontving u voor die werkzaamheden een 2e aanbetalingsfactuur (factuurnummer [nummer 3] ), welke tot op heden niet volledig betaald werd. Meermaals is u verzocht om de resterende betaling te verzorgen.

Nu daarop geen enkele reactie volgde, heeft onze klant het besluit moeten nemen om de werkzaamheden niet langer bij u uit te voeren. De werkzaamheden zijn wat hem betreft dus nu beëindigd.

In verband daarmee ontvangt u een creditering van het openstaande factuurbedrag. (…)”

3.10.

Kim’s So heeft door Bouwkundig Adviesbureau Zwanenburg (hierna: Zwanenburg) een onderzoek naar de uitgevoerde werkzaamheden laten verrichten. Op 30 april 2025 heeft Zwanenburg in een rapport onder meer geconcludeerd dat er nog niets helemaal klaar was en dat de werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd. Volgens Zwanenburg bedraagt de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden € 51.551,52 inclusief btw. Zwanenburg rapporteert ook over herstelkosten.

3.11.

Op 13 mei 2025 heeft (de advocaat van) Kim’s So de overeenkomst tussen Kim’s So en [gedaagde] ontbonden en [gedaagde] gesommeerd om € 92.358,00 terug te betalen.

3.12.

Op 24 juni 2025 heeft [gedaagde] de uitgevoerde werkzaamheden door Expertise Bureau Noord (hierna: EBN) laten beoordelen. EBN concludeert dat er geen sprake is van gebreken, maar vooral van onvoltooid werk. Volgens het definitieve rapport van EBN van 5 augustus 2025 bedraagt de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden € 134.600,00 inclusief btw.

3.13.

In augustus 2025 heeft Kim’s So derdenbeslag gelegd op de bankrekeningen van [gedaagde].

3.14.

Kim’s So heeft de verbouwing door een andere aannemer af laten ronden.

<br /> 4Het geschil

In conventie

4.1.

Kim’s So vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de overeenkomsten van aanneming van werk op 13 mei 2025 buitengerechtelijk zijn ontbonden, dan wel deze overeenkomsten bij vonnis ontbindt;

en [gedaagde] veroordeelt tot (terug)betaling van (telkens te vermeerderen met wettelijke rente)

II. € 92.358,00;

III. € 97.105,40 ter zake van winstderving;

IV. € 2.678,68 aan incassokosten;

V. € 5.804,00 ter zake van vaststellingskosten;

VI. € 2.579,65 ter zake van beslagkosten; en

VII. voorwaardelijk, indien een of meerdere schadevergoedingen nader begroot dienen te worden, [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van alle schades van Kim’s So, nader op te maken bij staat;

VII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

4.2.

Kim’s So baseert haar vorderingen op het volgende. Kim’s So en [gedaagde] hebben aannemingsovereenkomsten gesloten waarop volgens Kim’s So de Werkomschrijving van toepassing is. In de Werkomschrijving zijn een fatale opleverdatum van 1 oktober 2024 en diverse kwaliteitseisen overeengekomen. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen doordat zij de opleverdatum niet heeft gehaald, gebrekkig werk heeft geleverd en onrechtmatig heeft opgezegd. [gedaagde] is in verzuim geraakt, waardoor Kim’s So de aannemingsovereenkomsten mocht ontbinden. Als gevolg hiervan zijn ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan en moet [gedaagde] de betaalde € 92.358,00 terugbetalen. Kim’s So heeft herstelwerkzaamheden moeten laten uitvoeren, waardoor de waarde van het door [gedaagde] uitgevoerde werk nihil is en zij niets meer aan [gedaagde] is verschuldigd. [gedaagde] moet als schadevergoeding de gederfde winst van Kim’s So betalen, aldus Kim’s So.

4.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat Kim’s So de overeenkomst niet rechtsgeldig kon ontbinden, waardoor geen (terug)betalingsverplichting bestaat en zij geen schadevergoeding verschuldigd is. De vorderingen van Kim’s So moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Kim’s So in de kosten van deze procedure.

In reconventie

4.4.

[gedaagde] vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:

I. Kim’s So veroordeelt tot betaling van € 40.500,00, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;

II. Kim’s So voorwaardelijk (als de vorderingen van Kim’s So in conventie worden afgewezen) veroordeelt om de door haar gelegde beslagen op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag;

III. voorwaardelijk (als de vorderingen van Kim’s So in conventie worden afgewezen) voor recht verklaart dat Kim’s So onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld en te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat;

IV. Kim’s So veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.5.

[gedaagde] baseert haar vorderingen op het volgende. Kim’s So heeft zich niet gehouden aan het overeengekomen betaalschema. [gedaagde] heeft vervolgens haar werkzaamheden opgeschort. De overeenkomst is niet rechtsgeldig door Kim’s So ontbonden en bestaat dus nog steeds. [gedaagde] vordert nakoming van de overeenkomst en betaling van € 40.500,00 (het restant van de tweede factuur). Kim’s So heeft onrechtmatig beslag gelegd, waardoor de beslagen moeten worden opgeheven en Kim’s So schadevergoeding verschuldigd is, aldus [gedaagde].

4.6.

Kim’s So voert verweer. Kim’s So betwist dat er een betaalschema zou zijn afgesproken. [gedaagde] kon het werk niet rechtsgeldig opschorten en Kim’s So heeft de overeenkomst terecht ontbonden. Kim’s So is [gedaagde] niets meer verschuldigd. Daarom moeten de vorderingen worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

<br /> 5De beoordeling

5.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

Werkomschrijving niet overeengekomen

5.2.

Tussen partijen staat vast dat er twee aannemingsovereenkomsten zijn gesloten op basis van twee offertes: een voor sloopwerk voor een totaalbedrag van € 11.858,00 inclusief btw en een voor verbouwingswerkzaamheden voor een totaalbedrag van € 173.998,00 inclusief btw. Partijen verschillen van mening over de inhoud van de overeenkomst met betrekking tot de verbouwing. Schriftelijke vastlegging daarvan ontbreekt. Volgens Kim’s So maakt de Werkomschrijving deel uit van de overeenkomst. Volgens [gedaagde] is alleen het Ruimteboek overeengekomen.

5.3.

De rechtbank zal eerst moeten vaststellen wat partijen nu precies met elkaar hebben afgesproken. De vraag wat partijen precies zijn overeengekomen en dus over en weer aan elkaar verplicht zijn moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Daarbij komt het aan op wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.

5.4.

De architect die door Kim’s So is ingeschakeld heeft de Werkomschrijving gedeeld in de WeChat-groepschat. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat Kim’s So uitvoering van de daarin genoemde werkzaamheden voor ogen had, maar daaruit blijkt niet dat dit document integraal onderdeel is geworden van de overeenkomst. Het enkele delen van de Werkomschrijving is daarvoor onvoldoende. Dat de architect daarbij vermeld heeft dat de Werkbeschrijving gebruikt kon worden voor een ‘cross-check’ van de offerte maakt ook niet dat de Werkbeschrijving deel werd van de afspraken tussen partijen.

5.5.

Nergens blijkt uit dat [gedaagde] met de Werkomschrijving heeft ingestemd. De verbouwingsofferte die [gedaagde] uitbracht verwijst wel expliciet naar het Ruimteboek, maar de Werkomschrijving wordt daarin niet genoemd en de geoffreerde werkzaamheden zijn ook niet gelijk aan die van de Werkomschrijving. Kim’s So heeft ter zitting bevestigd dat zij de offerte van [gedaagde] in feite ook als basis voor de werkzaamheden heeft opgevat. Hierdoor moet uitgegaan worden van een overeenkomst tussen partijen voor een verbouwing volgens in de offerte beschreven werkzaamheden.

Geen oplevertermijn overeengekomen

5.6.

De door Kim’s So gestelde oplevertermijn van 1 oktober 2024 is uitsluitend gedeeld in de Werkomschrijving waarover hiervoor is overwogen dat deze niet van toepassing is. Verder is uit niets op te maken dat deze opleverdatum toch zou zijn afgesproken. De feiten wijzen juist op het tegendeel. Zo heeft een andere vennootschap van de bestuurder van Kim’s So in de periode rond de beweerdelijke opleverdatum aan [gedaagde] nog opdracht gegeven andere werkzaamheden aan een loods te verrichten. Deze opdracht is uitgevoerd en betaald. Dit terwijl de verbouwing aan de [locatie] nog niet klaar was en voorzienbaar was dat een andere klus gevolgen zou kunnen hebben voor de voortgang van het werk aan de [locatie] . Daarnaast heeft Kim’s So op 30 september 2024, twee dagen vóór de gestelde opleverdatum, nog een betaling verricht. Uit het dossier valt niet op te maken dat toen of op enig ander moment door Kim’s So melding is gemaakt van de gestelde opleverdatum. Deze omstandigheden laten zich moeilijk verenigen met het bestaan daarvan. Hierdoor is niet komen vast te staan dat partijen een opleverdatum van 1 oktober 2024 zijn overeengekomen.

Geen betaaltermijnen overeengekomen

5.7.

Partijen zijn het verder oneens of zij betaaltermijnen zijn overeengekomen zoals opgenomen in de offerte van [gedaagde] (zie 3.4). Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet geval. Er is niet schriftelijk gereageerd op de offertes. Kim’s So heeft op zitting wel bevestigd dat de offertes (mondeling) akkoord zijn bevonden, maar daaraan toegevoegd dat dit zich niet uitstrekte over de daarin genoemde betaaltermijnen. Aan de gestelde termijnen is in ieder geval geen uitvoering gegeven. De door [gedaagde] verzonden facturen sluiten niet aan bij die betaaltermijnen. Bovendien hebben beide partijen bevestigd dat over de gefactureerde bedragen en momenten van betaling telkens overleg is geweest. Uit deze omstandigheden blijkt dat beide partijen de termijnen die genoemd stonden op de offerte niet (meer) als bindend hebben beschouwd. De rechtbank concludeert daarom dat deze niet tussen partijen gelden.

Geen opschorting, Kim’s So kon ontbinden

5.8.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij in november gerechtigd was de werkzaamheden op te schorten, omdat de factuur ter hoogte van € 40.500,00 opeisbaar was en niet werd betaald. Kim’s So stelt dat zij slechts tot betaling hoefde over te gaan nadat eerst overleg had plaatsgevonden over de stand en kwaliteit van het werk, hetgeen [gedaagde] weigerde.

5.9.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de door haar verzonden factuur ten tijde van het neerleggen van de werkzaamheden opeisbaar was. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de in de offerte opgenomen betaaltermijnen niet van toepassing. Partijen hebben beiden verklaard dat de betalingen in onderling overleg plaatsvonden. [gedaagde] heeft niet weersproken dat daarbij de stand van het werk leidend was. Dat ook [gedaagde] rekende op betaling naar de stand van het werk wordt ondersteund door een WeChat-bericht van 4 februari 2025 van [gedaagde], waarin zij het volgende aan Kim’s So heeft geschreven:“I’ve already competed more than half of the work, and you’ve only paid me 1/3 of the agreed amount”.

5.10.

In de werkwijze dat er betaling plaatsvindt aan de hand van de stand van het werk, ligt besloten dat partijen de stand van het werk moeten kunnen (laten) vaststellen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het verzoek van Kim’s So om hierover te overleggen niet onredelijk. Kim’s So heeft aangevoerd dat meerdere keren contact is gezocht voor overleg. [gedaagde] heeft geweigerd om in overleg te treden. Zij heeft het werk neergelegd en om betaling gevraagd. Tot er betaald werd, wilde zij geen gesprek. Zonder dit gesprek was de factuur echter niet opeisbaar. Dit betekent dat [gedaagde] de uitvoering van het werk niet rechtsgeldig kon opschorten wegens het uitblijven van betaling.

5.11.

Bij brief van 25 maart 2025 heeft [gedaagde] de overeenkomst beëindigd (zie 3.7). Gezien het definitieve karakter van deze brief wordt [gedaagde] niet gevolgd in haar stelling dat deze brief begrepen moet worden als een opschorting. [gedaagde] schrijft het werk niet langer te willen uitvoeren, het werk is volgens dit schrijven beëindigd en er zou een creditfactuur volgen, waarmee kennelijk werd aangestuurd op de financiële (eind)afwikkeling na beëindiging van de samenwerking.

5.12.

Er was geen grond voor deze beëindiging. Kim’s So hoefde immers niet te betalen zonder dat er een overleg plaatsvond over de stand van het werk. Dit betekent dat [gedaagde] door de onrechtmatige beëindiging van de uitvoering van het afgesproken werk tekortschoot in de nakoming van de overeenkomst. Uit de brief van 25 maart 2025 kon Kim’s So afleiden dat [gedaagde] niet meer na zou komen, zodat [gedaagde] volgens 6:81 jo. 6:83 sub c BW zonder ingebrekestelling in verzuim verkeerde. Kim’s So was daardoor gerechtigd om de overeenkomst op 13 mei 2025 te ontbinden.

Afrekenen aan de hand van werkelijke waarde

5.13.

Op grond van artikel 6:271 BW ontstaan na ontbinding van een overeenkomst over en weer verplichtingen om ontvangen prestaties ongedaan te maken. Ongedaanmaking van de door [gedaagde] verrichte verbouwingswerkzaamheden is echter naar de aard van die prestatie onmogelijk. Daardoor ontstaat voor Kim’s So op grond van artikel 6:272 lid 2 BW een verbintenis tot vergoeding van de waarde van die prestatie, beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor Kim’s So werkelijk heeft gehad. [gedaagde] is op haar beurt uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis verplicht om het door Kim’s So betaalde bedrag terug te betalen. Partijen zijn het er ook over eens dat de rechtbank in het geval van ontbinding dient vast te stellen wat na uitvoering van de ongedaanmakingsverbintenissen over en weer nog resteert.

Betaald bedrag is werkelijke waarde; geen van de partijen moet betalen

5.14.

Voor de bepaling van de werkelijke waarde van het uitgevoerde werk sluiten partijen aan bij de rapporten van de door hun ingeschakelde deskundigen. Volgens Zwanenburg, ingeschakeld door Kim’s So, is 26% van het werk gereed en vertegenwoordigt het uitgevoerde werk in totaal een waarde van € 51.551,52 (inclusief meerwerk). Volgens EBN, ingeschakeld door [gedaagde], is 67% van het werk gereed en vertegenwoordigt het uitgevoerde werk in totaal een waarde van € 134.605,95 (inclusief meerwerk).

5.15.

De rechtbank volgt geen van beide deskundigen onverkort in hun conclusies. Ten aanzien van het rapport van Zwanenburg geldt dat hij zijn beoordeling heeft gebaseerd op een overeenkomst waarop de Werkomschrijving, inclusief de aanvullende eisen en normen en het daarin beschreven werk, van toepassing is. Zwanenburg kent aan bepaalde delen van het uitgevoerde werk geen of amper waarde toe, omdat het niet zou voldoen aan die (afgesproken) eisen. Hiervan is reeds geoordeeld dat dit niet is wat tussen partijen gold. Ten aanzien van het rapport van EBN geldt dat sommige onderdelen relatief hoog in waarde worden geschat omdat niet duidelijk zou zijn welke vlakheidseisen en kwaliteitseisen zijn afgesproken. Hoewel dat juist is, was [gedaagde] nog altijd gehouden goed en deugdelijk werk te leveren. Op onderdelen (zoals het tegelwerk) is onvoldoende weersproken dat dit ondermaats is uitgevoerd. Daarom lijkt de inschatting van de waarde door EBN op onderdelen aan de hoge kant.

5.16.

Inmiddels is het werk uitgevoerd door een ander. Het inwinnen van nadere expertise over de waarde van het werk op het moment van ontbinding is niet aangewezen.

5.17.

De rechtbank ziet in al het voorgaande, waaronder de inhoud van de beide rapportages en hetgeen daartegen is aangevoerd aanleiding om voor het bepalen van de werkelijke waarde van het werk aan te sluiten bij het door Kim’s So reeds betaalde bedrag van € 92.358,00. Het gemiddelde van de door de beide deskundigen ingeschatte waarden komt uit op een bedrag van € 93.078,74. Het verschil met hetgeen daadwerkelijke betaald is, is zeer gering en zoals eerder overwogen, gingen beide partijen er in feite van uit dat er werd betaald naar de stand van het werk. Kim’s So heeft een gedeelte (€ 20.000) van de tweede factuur betaald, kennelijk tot het bedrag dat zij op dat moment redelijk vond gelet op de stand van het werk. [gedaagde] heeft bij de (onterechte) beëindiging vervolgens aangegeven een creditfactuur te zullen sturen voor het onbetaalde restant van de factuur. Kennelijk wilde [gedaagde] toen hij stopte, gelet op de stand van het werk op dat moment, op die manier tot financiële eindafwikkeling komen. Dan zou over en weer geen (terug)betalingsverplichting meer resteren. De rechtbank acht dit juist.

5.18.

De rechtbank ziet geen aanleiding om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich bij akte nader uit te laten over de laatst ingebrachte producties van Kim’s So. Deze stukken zijn niet redengevend voor de gehanteerde percentages en de beslissing van de rechtbank. Daarbij komt dat de stukken tijdig zijn ingediend en [gedaagde] ter zitting in de gelegenheid is geweest hierop te reageren.

5.19.

Gelet op het voorgaande wordt de vordering in conventie die ziet op terugbetaling van € 92.358,00 afgewezen. Omdat niet is gebleken dat [gedaagde] nog recht heeft op meer dan het door Kim’s So betaalde bedrag, wordt ook de vordering in reconventie tot betaling van € 40.500,00 afgewezen.

Geen verklaring voor recht

5.20.

Kim’s So vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomsten van aanneming van werk zijn ontbonden.

5.21.

Artikel 3:303 BW bepaalt dat een vordering slechts toewijsbaar is indien diegene die de vordering instelt daarbij voldoende belang heeft. Hiervoor is reeds geoordeeld dat Kim’s So de overeenkomst(en) rechtsgeldig heeft ontbonden, reden om tot beoordeling van de ongedaanmakingsverbintenissen over te gaan. Kim’s So heeft (desgevraagd) niet toegelicht waarom zij in dat geval nog belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. Daardoor wordt deze vordering wegens gebrek aan belang afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering om de overeenkomst in dit vonnis (alsnog) te ontbinden.

Vorderingen Kim’s So ter vergoeding van winstderving afgewezen

5.22.

Kim’s So voert aan dat zij door de tekortkoming van [gedaagde] schade heeft geleden in de vorm van winstderving. Volgens Kim’s So heeft de wanprestatie van [gedaagde] (de onterechte beëindiging van het werk) ervoor gezorgd dat het restaurant niet open kon op 1 november 2024 zoals gepland. Kim’s So vordert op grond van artikel 6:277 BW een vergoeding van € 9.710,54 per maand van november 2024 tot en met augustus 2025. Voor de berekening van deze winstderving heeft Kim’s So aansluiting gezocht bij de cijfers van een ander restaurant van Kim’s So. Volgens [gedaagde] is zij niet schadeplichtig en gaat de vergelijking met het andere restaurant niet op.

5.23.

De rechtbank wijst de vordering af. Hoewel [gedaagde] niet bevoegd was haar verplichtingen op te schorten of te beëindigen, is de door Kim’s So gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Hiervoor is reeds geoordeeld dat de door Kim’s So gestelde opleverdatum niet overeengekomen is. Uit geen van de stukken blijkt dat [gedaagde] rekening moest houden met een gewenste opening per 1 november 2024. Het werk was op 20 september 2024, toen [gedaagde] zijn laatste factuur stuurde, nog voor minder dan de helft af. Het restaurant is uiteindelijk pas in februari 2026 geopend. Welke stappen na het vertrek van [gedaagde] concreet door Kim’s So zijn ondernomen (en op welk moment) om het werk te laten afronden en welke keuzes zij hierin heeft gemaakt, is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Kim’s So heeft onvoldoende onderbouwd op grond waarvan (en voor welk deel) de latere opening van het restaurant is veroorzaakt doordat [gedaagde] het werk beëindigde. Daarom kan niet worden vastgesteld dat (en voor welk deel) de vertraging voor rekening en risico van [gedaagde] moet komen.

5.24.

Daarbij merkt de rechtbank nog op dat [gedaagde] de hoogte van de door Kim’s So gestelde winstderving gemotiveerd heeft betwist. Gelet op die betwisting had het op de weg van Kim’s So gelegen haar schade nader te concretiseren, bijvoorbeeld door de gestelde winstderving te onderbouwen aan de hand van de daadwerkelijk gerealiseerde omzet en winst na de opening van het restaurant aan de [locatie] . Dat heeft zij nagelaten. Daarbij wordt opgemerkt dat ter zitting is gebleken dat het restaurant aan de [locatie] enkele maanden na de opening alweer is gesloten.

5.25.

De conclusie is dat de gestelde schade wegens winstderving onvoldoende is onderbouwd. De vordering tot betaling daarvan wordt afgewezen. Aangezien Kim’s So ook de mogelijkheid van schade ook onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt wijst de rechtbank de vordering tot verwijzing naar schadestaat ook af.

Expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten afgewezen

5.26.

Ook de vordering van Kim’s So met betrekking tot vergoeding van de kosten van deskundige Zwanenburg wordt afgewezen, nu aansprakelijkheid van [gedaagde] niet vast is komen te staan. Kim’s So maakt om die reden ook geen aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter verhaal van de gestelde vordering.

Opheffing beslag, geen verwijzing schadestaat

5.27.

[gedaagde] heeft in reconventie voor het geval de hiervoor besproken vorderingen van Kim’s So worden afgewezen (en dat is het geval) opheffing van het beslag gevorderd.

5.28.

Kim’s So heeft conservatoir beslag laten leggen ten laste van [gedaagde] ter zekerheid van de hiervoor besproken vorderingen in conventie. Deze vorderingen zijn afgewezen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat daarom het gelegde beslag onrechtmatig is jegens de beslagene, [gedaagde]. De vordering die strekt tot het doen opheffen van de beslagen wordt daarom toegewezen. Kim’s So heeft (onweersproken) aangevoerd dat de gevorderde termijn van twee dagen voor het doen opheffen van de beslagen onredelijk kort is. Daarom zal hiervoor een termijn van vijf dagen worden gehanteerd. De vordering om aan deze verplichting een dwangsom te koppelen wordt afgewezen, aangezien Kim’s So ter zitting heeft bevestigd dat zij, indien daartoe veroordeeld, de beslagen zal laten opheffen.

5.29.

De door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen, omdat [gedaagde] niet heeft toegelicht waarom zij hier een voldoende belang bij heeft.

5.30.

De door [gedaagde] gevorderde verwijzing naar de schadestaat wordt afgewezen. Indien het conservatoir beslag onrechtmatig geoordeeld is kan de beslaglegger gehouden zijn kosten en schade te vergoeden indien daartoe gronden zijn. [gedaagde] heeft haar schade echter enkel onderbouwd met een (summier) aantal blote stellingen. Kim’s So heeft gemotiveerd betwist dat van enig nadeel sprake is. Kim’s So heeft daarbij ook gewezen op het relatief kleine bedrag waarvoor het beslag doel getroffen heeft. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om, gelet op al hetgeen Kim’s So hiertegen heeft aangevoerd, het bestaan van schade (nader) te onderbouwen. [gedaagde] heeft op de stellingen van Kim’s So echter in het geheel niet gereageerd. De drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is daarmee niet gehaald.

Proceskosten

5.31.

Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie, waarbij zowel Kim’s So als [gedaagde] op onderdelen in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat beide partijen in conventie de eigen proceskosten dragen en dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt. Ook in reconventie, waar het debat in overwegende mate samenhing met de beoordeling in conventie, zijn partijen over en weer in het (on)gelijk gesteld en zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

<br /> 6De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen van Kim’s So af,

6.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

6.3.

veroordeelt Kim’s So om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de door haar bij exploten van 4 augustus 2025 en 13 augustus 2025 gelegde conservatoire beslagen uit hoofde van de beschikking met kenmerk C/13/773307 op te heffen,

6.4.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

wijst het meer of anders door [gedaagde] gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming, rechter, bijgestaan door mr. N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).

Artikel delen