Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Benoeming bijzondere curator.
ECLI:NL:RBAMS:2026:7892
text/xml
public
2026-08-06T16:35:03
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Amsterdam
2026-07-08
C/13/788565 / JE RK 26-442
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Rekestprocedure
Beschikking
NL
Amsterdam
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:7892
text/html
public
2026-08-06T16:26:29
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBAMS:2026:7892 Rechtbank Amsterdam , 08-07-2026 / C/13/788565 / JE RK 26-442
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Benoeming bijzondere curator.
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/788565 / JE RK 26-442
Datum uitspraak: 8 en 17 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en benoeming bijzondere curator
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te [locatie] ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
mevr. [de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. drs. F.R.G. Drenth uit Amersfoort.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 mei 2026;
de van de GI op 3 juli 2026 ontvangen producties;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de moeder, ingekomen op 3 juli 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
– de moeder met haar advocaat;
– mevrouw [persoon 1] namens de GI.
1.3.
[minderjarige] heeft op 3 juli 2026 een gesprek gehad met de kinderrechter. Zij heeft na de mondelinge behandeling via de GI laten weten dat zij wil worden bijgestaan door een bijzondere curator.
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag.
2.2.
[minderjarige] verblijft op een groep van Levvel.
2.3.
Bij beschikking van 17 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 11 juli 2026 evenals de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag] 2027. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan haar volwassenheid. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Namens de moeder is verzocht een bijzondere curator te benoemen voor [minderjarige] en is verzocht om een contra-expertise op grond van artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.1.
De GI
Bij de mondelinge behandeling is het verzoek gehandhaafd. De moeder staat niet open voor een huisbezoek of voor hulpverlening. Ook therapie voor [minderjarige] , die zegt in therapie te willen, komt niet op gang, ook al kan [minderjarige] therapie krijgen in de groep waar zij zit. [minderjarige] kan zich ook aanmelden voor begeleid wonen, maar dat is voor haar nog ingewikkeld omdat zij weet dat de moeder heel graag wil dat zij weer thuis komt wonen. Vakantie met de moeder in december is geen probleem, als dat via de groep wordt geregeld. De moeder werkt eigenlijk nergens aan mee, dus de GI verwacht niet dat zij dan wel zal meewerken aan de namens haar verzochte contra-expertise. [minderjarige] heeft meermalen laten weten dat als zij weer geheel bij de moeder zou gaan wonen, er dan weer escalaties zullen zijn. Duidelijkheid voor [minderjarige] is nu ook belangrijk.
4.2.
De moeder
Namens de moeder is aangevoerd dat de verzoeken afgewezen moeten worden. Er is op dit moment geen sprake van een situatie waarin voortduring van de uithuisplaatsing noodzakelijk is. Er zijn geen actuele ontwikkelingsbedreigingen en concrete veiligheidsrisico’s. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] is verbeterd en zij willen onderdeel van elkaars leven blijven. Daarnaast verblijft [minderjarige] reeds geruime tijd, sinds begin 2026, regelmatig en gedurende meerdere dagen per week bij de moeder en dit gaat goed. De afgesproken omgangsregeling wordt grotendeels nagekomen en er hebben geen escalaties of veiligheidsincidenten plaatsgevonden. De GI blijft met de risicotaxatie hangen in het verleden en met name in de opvatting dat de moeder hulpverlening gericht op emotieregulatie dient te volgen, alvorens kan worden toegewerkt naar terugplaatsing. Daar komt nog bij dat de moeder zich zorgen maakt over het verblijf van [minderjarige] op de leefgroep. [minderjarige] heeft daar weinig regels en structuur. Bij de moeder thuis gelden wel regels. Dit leidt ertoe dat [minderjarige] soms laks is met eten en met naar school gaan, waardoor de moeder moet ingrijpen. Dit acht de moeder niet in haar belang.
De stem van [minderjarige] wordt naar de mening van de moeder onvoldoende gehoord. Zij durft niet altijd vrijuit te spreken. Daarom verzoekt zij een bijzondere curator te benoemen zodat [minderjarige] een stem krijgt. [minderjarige] heeft volgens de moeder niet de behoefte aan een toekomstperspectief waarin zij zelfstandiger kan worden, zoals door de GI wordt gesteld. Omdat [minderjarige] zich wisselend lijkt te uiten over haar eigen wensen over de toekomst, voelt zij de vrijheid kennelijk niet altijd om zich te uiten.
Bij de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij het heftig vindt als niet meer aan thuisplaatsing van [minderjarige] wordt gewerkt. Volgens de moeder krijgt [minderjarige] thuis bij haar wat zij nodig heeft. De moeder heeft het heel druk, probeert het huishouden draaiende te houden, heeft heel veel zorgen over zichzelf maar ook om [minderjarige] . De moeder heeft inderdaad nog geen hulp voor zichzelf gezocht maar als zij haar diploma heeft behaald heeft zij daar tijd voor. Het is ook niet juist dat zij niemand van de hulpverlening in haar huis heeft toegelaten. [persoon 2] van Levvel is twee jaar geleden op bezoek geweest. Dat systeemtherapie aan huis mogelijk zou zijn, is haar nooit duidelijk gemaakt.
Namens de moeder heeft de advocaat bij de mondelinge behandeling aangevoerd dat de moeder een andere kijk heeft op het verhaal over de hond (het verhaal waarin de moeder zou hebben gedreig met het verkopen van de hond als [minderjarige] niet de hond iedere dag zou komen uitlaten). De moeder heeft niet tegen [minderjarige] gezegd dat zij de hond zou verkopen als [minderjarige] niet vaker thuis zou komen om de hond uit te laten. Er is geen noodzaak voor de uithuisplaatsing, omdat [minderjarige] nu al feitelijk de halve week bij de moeder verblijft en van de GI ook met de moeder op vakantie mag. De onderlinge band is super goed. De moeder biedt [minderjarige] structuur. Op de groep is dat minder. Daarom is er nog wat frictie met de moeder. Er is geen deugdelijk onderzoek naar het perspectief gedaan. Er is een nieuwe afweging nodig, hoewel negen maanden inderdaad kort is voor nader onderzoek. De eis van de GI dat de moeder in therapie moest is gedaan binnen een andere context. Als het perspectiefbesluit wordt doorgezet, moet wel worden nagedacht over de situatie dat [minderjarige] na haar 18-jaar weer bij de moeder wil wonen.
Ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn niet behaald. Gelet op het dossier en de eerdere uitspraken ziet de kinderrechter een meisje dat zelf aan de bel heeft getrokken, dat is mishandeld en verwaarloosd, maar met wie het nu, sinds de uithuisplaatsing, ook beter gaat, ook wat betreft het contact met moeder. Er is dus vooruitgang in haar ontwikkeling, maar de zorgen zijn nog niet weggenomen. Zij is zelfbepalend. Dat zij iedere dag blowt en veel van school verzuimt zijn daarvan (zorgelijke) voorbeelden. De kinderrechter acht het ook zorgelijk dat hoewel zij zelf aangeeft graag in therapie te willen, dit niet op gang komt. De moeder erkent volgens de advocaat inmiddels dat de gebeurtenissen in het verleden meer zijn geweest dan een incident en dat zij daarin ook een aandeel heeft, maar dit neemt niet weg dat noodzakelijke hulpverlening niet op gang is gekomen omdat de moeder daar niet voor openstaat. De kinderrechter heeft op grond van de mondelinge behandeling niet de verwachting dat daarin voor het 18e jaar van [minderjarige] verandering komt.
5.2.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot aan haar meerderjarigheid.
Ook al is het perspectief van [minderjarige] nog niet definitief bepaald, naar het oordeel van de kinderrechter kan van de GI niet worden verwacht nog langer met de moeder actief te werken aan de thuisplaatsing van [minderjarige] , gelet op het verloop van de hulpverlening tot nu toe.
De doelen waaraan moet worden gewerkt zijn:
het is duidelijk waar en bij wie [minderjarige] langdurig kan wonen, ook na haar 18e jaar;
[minderjarige] heeft opvoeders die haar bieden wat zij nodig heeft, waaronder structuur;
[minderjarige] krijgt, indien zij dat wenst, therapie;
[minderjarige] heeft op een positieve manier contact met de moeder. Zij wordt niet blootgesteld aan fysiek geweld, psychologische druk en verwijten van de moeder;
het wordt duidelijk of en op welke manier het netwerk een rol in het leven van [minderjarige] kan spelen.
Uithuisplaatsing
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk. [minderjarige] krijgt in de groep de structuur en, als zij daar voor openstaat, de hulp die zij nodig heeft. De relatie tussen haar en haar moeder is daar ook bij gebaat. Daar komt bij dat de moeder heeft verklaard dat zij het nu erg druk heeft, onder andere met haar studie, en dat zij eerst aan zichzelf moet werken. Zij kan [minderjarige] onvoldoende bieden wat [minderjarige] nodig heeft. De kinderrechter is nog steeds van oordeel dat de moeder eerst aan zichzelf moet werken alvorens zij [minderjarige] volledig kan bieden wat [minderjarige] nodig heeft. De kinderrechter heeft niet de verwachting dat dit voor [minderjarige] ’s achttiende levensjaar zal zijn gelukt. Niettemin zal de kinderrechter de machtiging korter verlengen dan verzocht, en wel tot 3 december 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek om rekening te kunnen houden met de ontwikkelingen waaronder het verslag van de hierna (onder 5.6.) te nomen bijzondere curator.
Bijzonder curator
5.5.
De kinderrechter is met de raadsman van de moeder van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] dat op grond van artikel 1:250 BW een bijzondere curator wordt benoemd. Dat is ook de wens van [minderjarige] . Deze bijzondere curator kan fungeren als vertrouwenspersoon en kan nagaan wat daadwerkelijk haar wensen zijn en kan haar belangen behartigen.
5.6.
De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling mevrouw mr. O. Asscher, advocaat te Amsterdam, benaderd en bereid gevonden als bijzondere curator op te treden.
5.7.
De rechtbank acht het vooral nodig dat antwoord komt op de vraag over de wensen van [minderjarige] ten aanzien van haar (toekomstige) woonsituatie, ook na haar 18e levensjaar. Het staat de bijzondere curator vrij opmerkingen te maken of advies te geven over andere onderwerpen die [minderjarige] aangaan als het onderzoek haar daartoe aanleiding geeft.
5.8.
De rechtbank gaat ervan uit dat de bijzondere curator voor 1 november 2026 haar verslag zou moeten kunnen hebben afgerond. Indien de bijzondere curator verwacht dat zij niet tijdig klaar zal zijn met het uitoefenen van haar taak dient zij dit tijdig, doch uiterlijk tien dagen voor de pro forma datum aan de rechtbank kenbaar te maken onder mededeling van de verwachte benodigde termijn.
Contra-expertise
5.9.
De kinderrechter wijst het verzoek om een contra-expertise af. Niet alleen omdat niet kan worden verwacht dat een dergelijk onderzoek voor het 18e levensjaar van [minderjarige] kan worden verricht, maar ook omdat naar het oordeel van de kinderrechter een nieuw onderzoek niet in het belang is van [minderjarige] . De moeder heeft tot nu toe niet of nauwelijks meegewerkt aan de aangeboden noodzakelijke hulpverlening en de kinderrechter wil teleurstellingen bij [minderjarige] voorkomen. De kinderrechter acht het veel meer in het belang van [minderjarige] dat zij via de bijzondere curator haar mening geeft over haar toekomst.
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot [geboortedag] 2027, uit te voeren door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te [locatie] ;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 december 2026;
6.3.
benoemt met ingang van heden voor de duur van 6 maanden tot bijzondere curator over [minderjarige] :
mr. O. Asscher, [adres] ,
telefoon: [telefoonnummer] ,
e-mail: [e-mailadres]
om [minderjarige] te vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 1:250, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;
6.4.
verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op 1 november 2026 of zoveel eerder als mogelijk is schriftelijk verslag te doen aan de rechtbank (onder gelijktijdige verstrekking aan partijen) van de bevindingen en daarbij een standpunt over de in rechtsoverweging 5.7. geformuleerde vraag;
6.5.
gelast de griffie van deze rechtbank om een afschrift van deze beschikking en de processtukken van het dossier met zaaknummer C/13/788565 / JE RK 26-442 aan de bijzondere curator ter beschikking te stellen;
6.6.
wijst af het verzoek om een contra-expertise;
6.7.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
houdt het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing pro forma aan tot 17 november 2026. Van de GI wordt tijdig een update over de stand van zaken verwacht met inachtneming van de bevindingen van de bijzondere curator.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. M.J.M. Marseille, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026, behoudens wat betreft de benoeming van de bijzondere curator, welke beslissing op 17 juli 2026 is genomen, in aanwezigheid van mr. W.C. van Lavieren als griffier.
De (schriftelijke uitwerking van deze) beschikking is vastgesteld op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.