WAMCA. Eerste fase en ontvankelijkheid bij de burgerlijke rechter. Ontvankelijkheid van individuele eisers naast de WAMCA-vordering van Amnesty. Algeheel demonstratieverbod in Amsterdam op grond van de “Noodverordening Ongeregeldheden 7 en 8 november” en de “Noodverordening Ongeregeldheden 10 november”. De eisende partijen vorderen een verklaring voor recht dat de gemeente Amsterdam onrechtmati...
WAMCA. Eerste fase en ontvankelijkheid bij de burgerlijke rechter. Ontvankelijkheid van individuele eisers naast de WAMCA-vordering van Amnesty. Algeheel demonstratieverbod in Amsterdam op grond van de “Noodverordening Ongeregeldheden 7 en 8 november” en de “Noodverordening Ongeregeldheden 10 november”. De eisende partijen vorderen een verklaring voor recht dat de gemeente Amsterdam onrechtmatig heeft gehandeld en een verbod om voor meerdere dagen een algeheel demonstratieverbod uit te vaardigen voor alle demonstraties in de gehele stad, behalve in een algemene noodtoestand en binnen de strikte vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit. De rechtbank verklaart de eisende partijen ontvankelijk in hun vorderingen bij de burgerlijke rechter. Het demonstratieverbod in de noodverordeningen gold rechtstreeks voor iedereen in Amsterdam en kwam niet eerst tot toepassing door een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar was. Bij de bestuursrechter staat geen beroep open tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. Het is niet nodig dat Amnesty de belangen en groep van personen waarvoor zij opkomt nader concretiseert, want het demonstratierecht komt een ieder toe. Amnesty heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen. De individuele eisers hebben gelijkluidende, maar eigen vorderingen ingesteld. Zij zijn géén partij in de collectieve procedure van Amnesty en beogen dat ook niet. Zij hebben een eigen belang, dat mede bestaat uit de mogelijkheid desgewenst hun eigen processtrategie te bepalen. Zij treden naast elkaar op en de rechtsvorderingen behouden hun materiële en processuele zelfstandigheid. Het procesrecht verbiedt dat niet, ook niet in een procedure waarin een collectieve vordering wordt ingesteld. De rechtbank geeft geen toepassing aan de voorschriften om te beoordelen wat de collectieve vordering inhoudt, voor welke nauw omschreven groep personen deze is ingesteld en de zogenoemde opt-out-mogelijkheid. Deze voorschriften zijn niet toegesneden op een collectieve procedure die beoogt de onrechtmatigheid van een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen. Evenmin wijst de rechtbank een exclusieve belangenbehartiger aan. Wel stelt zij een termijn voor het beproeven van een overeenkomst.
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij op de voet van artikel 3:305a BW,
hierna te noemen: Amnesty,
advocaten: mr. J. Klaas en mr. M.B. Hendrickx,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaten: mr. R. Verduijn en mr. Liauw-A-Joe,
wonende te [woonplaats 2],3.
wonende te [woonplaats 3],4.
wonende te [woonplaats 4],5.
wonende te [woonplaats 5],
6.
wonende te [woonplaats 6],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaten: mr. J. Klaas en mr. M.B. Hendrickx,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaten: mr. R. Verduijn en mr. Liauw-A-Joe.
– de dagvaarding van 26 augustus 2025 met producties;
– de conclusie van antwoord inzake ontvankelijkheid ex artikel 1018c lid 5 Rv van 7 januari 2026;
– het tussenvonnis van 25 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
– de akte uitlating ontvankelijkheid van de eisende partijen van 8 juli 2026;
– de akte uitlatingen van de gemeente van 8 juli 2026;
– het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026 en de daarin vermelde stukken.
Artikel 3:305a lid 3 aanhef en onder a en b luidt, voor zover hier van belang, als volgt: