Afwijzing aanvraag VOG voor een stage - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt - beroep ongegrond.
ECLI:NL:RBDHA:2025:28160
text/xml
public
2026-09-30T11:57:21
2026-09-22
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2025-11-07
SGR 25/324
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Den Haag
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:28160
text/html
public
2026-09-30T11:57:01
2026-09-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2025:28160 Rechtbank Den Haag , 07-11-2025 / SGR 25/324
Afwijzing aanvraag VOG voor een stage – verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt – beroep ongegrond.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/324
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een VOG aangevraagd voor een stage Sociaal Werk bij [schoolnaam], school voor Pedagogische en Sociale beroepen in Den Haag. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen.
2.1.
Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) is geregistreerd dat eiser op 3 juli 2023 in eerste aanleg, en op 30 mei 2024 in hoger beroep, is veroordeeld vanwege diefstal met geweldpleging in vereniging tot jeugddetentie van 294 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde een contact- en locatieverbod. Daarnaast zijn aan eiser maatregelen van schadevergoeding opgelegd van respectievelijk € 1.000,-, € 1.457,20, € 1.000,-, € 19.940,75 en € 1.048,80.
2.2.
Dit strafbare feit vormt volgens verweerder, indien herhaald, een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie van stagiair Sociaal Werk. Verder vindt verweerder dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Er heeft een kennelijk onredelijke belangenafweging plaatsgevonden waarbij de belangen van eiser onevenredig zwaar worden getroffen. Verweerder had in eisers voordeel moeten meewegen dat het strafbare feit is gepleegd op 21 december 2022, dat eiser minderjarig was toen hij het strafbare feit pleegde en dat niet is gebleken van andere strafbare feiten waardoor de kans op herhaling klein is. Ook had verweerder moeten meewegen dat er tijdens zijn detentie geen incidenten zijn geweest, dat eiser zich tijdens de detentieperiode volledig heeft gericht op reflectie, de toekomst en resocialisatie en dat de kans op recidive door reclassering als klein wordt ingeschat. De belangenafweging is niet evenredig omdat eiser voor onbepaalde tijd in belangrijke mate belemmerd wordt in toetreding tot studie dan wel arbeidsmarkt die past bij zijn mogelijkheden. Zonder afgifte van de VOG kan eiser zijn studie niet kan afronden. Verweerder had ook moeten meewegen dat er voldoende waarborgen zijn dat eiser niet nogmaals in aanraking komt met justitie nu eisers proeftijd loopt tot 14 juni 2026. Dat dit risico volgens verweerder aanwezig is door het korte tijdsverloop dient zonder nadere onderbouwing gepasseerd te worden. Tot slot, heeft de weigering om de VOG af te geven niet alleen onevenredige gevolgen voor eiser maar ook voor de zorgsector die op dit moment een enorm tekort heeft aan personeel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (hierna: de Beleidsregels) beoordeelt verweerder – wanneer de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie – of een VOG kan worden afgegeven aan de hand van een objectief en een subjectief criterium. Afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd, indien aan het objectieve criterium is voldaan. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. Als is voldaan aan het objectieve criterium beoordeelt verweerder of op grond van de omstandigheden van het geval toch de gevraagde VOG moet worden verstrekt omdat het belang van de aanvrager bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. Dat wordt ook wel het subjectieve criterium genoemd. Bij de beoordeling van het subjectieve criterium betrekt verweerder in ieder geval de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan het objectieve criterium. Verweerder was in zoverre gehouden de VOG te weigeren. De vraag die voorligt is of verweerder op grond van de omstandigheden van het geval toch de gevraagde VOG had moeten verstrekken.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden van het geval kenbaar heeft betrokken en meegewogen in de belangenafweging. Zo heeft verweerder in eisers voordeel meegewogen dat eiser één strafbaar feit heeft gepleegd en dat er daarom geen sprake is van recidive. Ook heeft verweerder in eisers voordeel meegewogen dat hij het strafbare feit hij heeft gepleegd als minderjarige. Verweerder heeft in redelijkheid in eisers nadeel kunnen betrekken dat hij is veroordeeld tot een ernstig geweldsmisdrijf waarbij een zware straf is opgelegd en dat er nog maar weinig tijd is verstreken sinds hij voor het laatst in aanraking is gekomen met justitie. Op het moment van de beslissing op bezwaar was namelijk slechts anderhalf jaar van de terugkijktermijn van vier jaar verstreken, gerekend vanaf de datum van de veroordeling in eerste aanleg op 3 maart 2023. Daarnaast was eiser op dat moment slechts zes maanden voorwaardelijk vrijgelaten uit jeugddetentie. Eisers stelling dat verweerder in zijn voordeel had moeten meewegen dat de kans op herhaling in de proeftijd juist minder groot is en dat ook uit een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming volgt dat de kans op herhaling klein is, heeft verweerder niet hoeven volgen. Verweerder heeft daar namelijk tegenover mogen stellen dat de kans op herhaling weliswaar als klein wordt ingeschat maar dat verweerder dient te beoordelen of de kans op herhaling zodanig klein is om een VOG af te kunnen geven. Verweerder acht het tijdsverloop sinds eiser is veroordeeld in eerste aanleg en is vrijgelaten uit voorwaardelijke jeugddetentie te kort geleden om dit te kunnen beoordelen. Dit blijkt ook juist uit de omstandigheid dat eisers proeftijd nog niet is verstreken. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen meewegen dat de sector waar eiser stage gaat lopen een sector is met kwetsbare mensen die afhankelijk zijn van zorgmedewerkers en dat het van groot belang is dat die medewerkers betrouwbaar en integer zijn.
4.3.
De rechtbank ziet dat de weigering tot afgifte van de VOG verstrekkende gevolgen heeft voor eiser. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij inmiddels al in zijn derde jaar van zijn studie zit. Indien de VOG niet wordt afgegeven, zou hij de stage van het tweede jaar opnieuw moeten doen waardoor hij vertraging oploopt bij het afronden van zijn opleiding of deze mogelijk in zijn geheel niet zal kunnen afronden. Verweerder mag echter, gelet op de hiervoor genoegende omstandigheden (ernstig strafbaar feit, het korte tijdsverloop en een VOG voor de zorgsector) in redelijkheid het belang van de samenleving zwaarder laten wegen dan het belang van eiser bij afgifte van de VOG. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de weigering om de VOG op dit moment af te geven, niet betekent dat afgifte van een VOG in de toekomst is uitgesloten.
5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Zie paragraaf 3.1.3. en 3.1.4. van de Beleidsregels.