Uitgewerkt vonnis in kort geding
ECLI:NL:RBDHA:2026:11992
text/xml
public
2026-05-29T14:47:39
2026-05-16
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-04-15
C/09/699908 / KG ZA 26-188
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Kort geding
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11992
text/html
public
2026-05-29T14:47:17
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:11992 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / C/09/699908 / KG ZA 26-188
Uitgewerkt vonnis in kort geding
Team handel – voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/699908 / KG ZA 26-188
Uitgewerkt vonnis in kort geding van 2 april 2026
in de zaak van
[eiser]
te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. D. Groothuismink te Enschede,
tegen:
[gedaagde]
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.A. van der Heiden te Honselersdijk.
Partijen worden in het navolgende respectievelijk de vader en de moeder genoemd.
1.1
Op 2 april 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 15 april 2026 .
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding met producties;
– de door gedaagde overgelegde conclusie van antwoord;
– de op 1 april 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiser pleitnotities zijn overgelegd.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad die is geëindigd in 2022.
2.2
Tijdens de relatie zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:
– [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2015;
– [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2021.
2.3
De vader heeft de Oostenrijkse nationaliteit en de moeder heeft de Nederlandse
nationaliteit.
2.4
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
3.1
De vader vordert voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
I. de vrouw te veroordelen om mee te werken aan de zorg- en contactregeling zoals vastgesteld in de beschikking van het gerechtshof München d.d. 24 oktober 2024, gewezen onder zaaknummer AZ: 2 UF 472/24 e, inhoudende dat de man recht heeft op omgang met zijn minderjarige kinderen:
– gedurende één weekend per veertien dagen van donderdag uit school 14:30 uur tot en met zondag 17:00 uur;
– gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, te weten
– in de meivakantie vanaf vrijdag 17 april 2026 14:30 uur tot zaterdag 25 april 2026, 18.30 uur,
– de zomervakantie van zaterdag 18 juli 2026 10:00 uur tot zaterdag 8 augustus 2026 16:00 uur,
– de herfstvakantie van woensdag 21 oktober 10:00 uur tot zondag 25 oktober 16:00 uur en
– de kerstvakantie 2026/2027 van zaterdag 26 december 18:00 uur tot en met zondag 3 januari 16:00 uur,
althans een (tijdelijke) zorgregeling vast te stellen die de voorzieningenrechter redelijk acht;
II. te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag of een ander bedrag dat de voorzieningenrechter redelijk acht, voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw niet voldoet aan het onder I gevorderde;
III. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. Op 13 januari 2026 heeft de vader een brief van de moeder ontvangen, waarin zij aangeeft de omgang per direct te stoppen. Zij stelt dat de kinderen spanningen en stress ervaren tijdens de omgang met de vader en dat de vader de veiligheid van de kinderen niet kan waarborgen, omdat hij hen zou slaan. Volgens de vader bestaat er echter geen aanleiding om de omgang stop te zetten. Het laatste contact met de kinderen, de skivakantie in december 2025, is volgens hem prettig en positief verlopen. De vader heeft daarbij op geen enkele wijze de indruk gekregen dat de kinderen spanning of stress ervoeren. Integendeel, er werd juist veel gelachen. De vader betwist de beschuldigingen van de moeder dan ook uitdrukkelijk en stelt dat hij zijn kinderen nooit, noch psychisch noch fysiek, pijn zou doen. Volgens de vader is er sprake van een loyaliteitsconflict bij de kinderen, waardoor zij thans de zijde van de moeder lijken te kiezen.
3.3
De moeder voert verweer. De moeder concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vader.
3.4
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De moeder stelt dat de scheiding en de periode daaraan voorafgaand, waarin onder meer sprake was van huiselijk geweld, zeer traumatisch is geweest voor de kinderen, in het bijzonder voor [minderjarige 1] . [minderjarige 1] kampt hierdoor met psychische klachten. Daarnaast vertonen beide kinderen spanningsklachten en afwijkend gedrag zodra de vader ter sprake komt. Verder heeft [minderjarige 1] tegenover vriendinnen verklaard dat zij en haar broertje door de vader worden geslagen, welke verklaring door [minderjarige 2] is bevestigd. Voor de moeder heeft dit aanleiding gevormd om te concluderen dat de veiligheid van de kinderen bij de vader onvoldoende wordt gewaarborgd, waarna zij in januari 2026 de zorgregeling heeft stopgezet. De moeder stelt dat het afdwingen van contact of omgang op dit moment schadelijk zal zijn voor de kinderen, nu dit hen dwingt tot iets waarvoor zij nog niet klaar zijn. Zij vindt begeleide omgang thans de enige passende vorm van contact.
4.1
Aangezien de zaak internationale aspecten heeft (de vader heeft de Oostenrijkse nationaliteit), moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om de voorliggende vordering te beoordelen.
4.2
Op grond van artikel 15 van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (de Verordening Brussel II-ter) komt de voorzieningenrechter rechtsmacht toe. De kinderen verblijven namelijk in Nederland en de Nederlandse rechter kan dan in spoedeisende gevallen voorlopige en bewarende maatregelen nemen. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 moet Nederlands recht op de vordering worden toegepast.
Spoedeisendheid
4.3
Deze zaak heeft een spoedeisend karakter, nu sinds januari 2026 geen uitvoering meer wordt gegeven aan de vastgestelde zorgregeling en de vader de kinderen -op een beeldbelgesprek met [minderjarige 2] na- sindsdien niet meer heeft gesproken of gezien. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de vader dan ook inhoudelijk behandelen.
Zorgregeling
4.4
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen sinds hun uiteengaan in 2022 reeds geruime tijd verwikkeld zijn in gerechtelijke procedures (in Duitsland). Zo heeft de moeder in 2022 aangifte gedaan tegen de vader wegens huiselijk geweld, welke zaak uiteindelijk is geseponeerd. Daarnaast heeft de moeder eind 2022 een procedure tot het verkrijgen van het eenhoofdig gezag aanhangig gemaakt, welk verzoek eveneens is afgewezen. Voorts heeft de moeder begin 2023 verzocht om vervangende toestemming om met de kinderen naar Nederland te verhuizen, welk verzoek is toegewezen. In april 2024 is de moeder vervolgens met de kinderen naar Nederland verhuisd. In oktober 2024 heeft in München een nadere gerechtelijke procedure plaatsgevonden, waarin partijen uiteindelijk overeenstemming hebben bereikt over een zorgregeling, die is vastgelegd in een beslissing van het Oberlandesgericht in München van 14 oktober 2024. Daarbij is afgesproken dat de vader eenmaal per twee weken naar Nederland reist, de kinderen op donderdag na school ophaalt en hen op zondag aan het einde van de middag weer bij de moeder terugbrengt.
4.5
Sinds de verhuizing van de moeder naar Nederland verliep de uitvoering van de zorgregeling in beginsel goed. In december 2025 hebben de kinderen nog een week (ski)vakantie in Oostenrijk doorgebracht met de vader en diens ouders. Kort daarna, begin januari 2026, heeft de moeder het contact stopgezet vanwege zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader. De moeder heeft daarover een melding gedaan bij Veilig Thuis, dat een onderzoek heeft gestart. Veilig Thuis heeft geconcludeerd dat nader onderzoek nodig is met name omdat [minderjarige 1] zich uitsluitend positief uitlaat over haar moeder en negatief en afwijzend over haar vader.
4.6
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat er al veel hulpverlening bij het gezin betrokken is geweest. Uit overgelegde documenten van onder andere Veilig Thuis blijkt dat de door de moeder geuite zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader niet kunnen worden bevestigd. Daarentegen tonen de overgelegde stukken wél aan dat verschillende instanties grote zorgen hebben over de communicatie en de spanningen tussen de ouders, en de effecten hiervan op de kinderen, in het bijzonder op [minderjarige 1] . Zoals Veilig Thuis ook aangeeft lijkt het er dan ook op dat de kinderen – en in ieder geval [minderjarige 1] – zich in een loyaliteitsconflict bevinden.
4.7
Ook tijdens het kindgesprek gaf [minderjarige 1] aan grote weerstand te hebben tegen contact met de vader en zich niet veilig te voelen bij hem. Zij kon echter geen concrete voorbeelden geven om dit gevoel van onveiligheid te onderbouwen. Zo leek zij in eerste instantie enthousiast over de skivakantie met de vader, maar kort daarna veranderde ze zonder duidelijke aanleiding van mening.
4.8
Hoewel de voorzieningenrechter geen grote zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de vader, is zij, evenals de Raad, van oordeel dat contact met de vader gezien de grote weerstand van de kinderen – met name bij [minderjarige 1] – en de lange periode dat er geen contact is geweest, niet zonder meer kan worden hervat. Nu de moeder reeds een bodemprocedure heeft aangespannen, acht de voorzieningenrechter het van belang dat, vooruitlopend op die procedure, het contact op een alternatieve wijze wordt hervat. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat de kinderen vanaf 4 april 2026 twee keer per week met de vader zullen videobellen, te weten op zaterdag om 10.00 uur en op maandag om 17.00 uur, voor ten minste 15 minuten. Gedurende de eerste twee weken (vier keer) zullen de kinderen samen videobellen, daarna zal ieder kind afzonderlijk 15 minuten met de vader videobellen.
Doorverwijzing hulpverlening
4.9
Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat de omgang zo spoedig mogelijk moet worden hervat, maar op een voor de kinderen verantwoorde en veilige wijze, acht zij het van belang dat de ouders – vooruitlopend op de bodemprocedure – worden aangemeld voor het traject omgangsbegeleiding. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject omgangsbegeleiding. De voorzieningenrechter zal partijen en de kinderen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De voorzieningenrechter zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
4.10
De ouders kunnen de rechtbank in de bodemprocedure met kenmerk C/09/702309 / FA RK 26-3078, informeren over het verloop van het traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de voorzieningenrechter dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient in de bodemprocedure op de hierna vermelde wijze en tegelijkertijd ook toestuurt aan de Raad. Indien hiertoe gedurende het traject aanleiding bestaat, kan de hulpverleningsinstantie ook direct contact opnemen met de Raad. Tussenkomst van de rechtbank is daarbij niet vereist.
4.11
Tevens heeft de moeder op de zitting toegezegd de kinderen – op advies van de Raad – aan te melden voor een KIES-training (voor [minderjarige 1] ) en Stoere Schildpadden (voor [minderjarige 2] ). Op deze manier ontvangen de kinderen op een laagdrempelige wijze alvast enige hulpverlening, wat de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden in hun belang acht.
Dwangsom
4.12
De vader heeft een dwangsom aan zijn vordering gekoppeld als stimulans tot nakoming van de zorgregeling. De voorzieningenrechter ziet op dit moment echter geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.
Proceskosten
4.13
De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure en zal beslissen dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.
De voorzieningenrechter:
5.1
bepaalt dat de minderjarigen:
– [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2015;
– – [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2021;
vanaf 4 april 2026 twee keer per week, te weten op zaterdag om 10.00 uur en op maandag om 17.00 uur met de vader zullen videobellen voor ten minste 15 minuten, waarbij de minderjarigen de eerste twee weken (vier keer) samen zullen videobellen met de vader en de minderjarigen na deze twee weken individueel met de vader 15 minuten zullen videobellen;
5.2
stelt vast dat partijen, te weten:
[eiser] , (de vader)
wonende te [woonplaats 1] ,
en
[gedaagde] , (de moeder)
wonende te [woonplaats 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
– Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat partijen de rechtbank informeren omtrent het verloop van voornoemd traject in de bodemprocedure met kenmerk C/09/702309 / FA RK 26-3078;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de bodemprocedure met kenmerk C/09/687534 / FA RK 25-4805 (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
5.3
bepaalt dat de moeder de minderjarigen zal aanmelden voor KIES training en Stoere
Schildpadden;
5.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Baaij en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.
LV