Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:12142

Scheiding met nevenvoorziening. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Waardering aandelen en AB-claim.

Rechtbank Den Haag 1 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:12142
text/xml
public
2026-06-01T14:48:31
2026-05-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-04-17
C/09/679263 / FA RK 25-593
Uitspraak
Eerste aanleg – meervoudig
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12142
text/html
public
2026-06-01T14:29:31
2026-06-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:12142 Rechtbank Den Haag , 17-04-2026 / C/09/679263 / FA RK 25-593

Scheiding met nevenvoorziening. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Waardering aandelen en AB-claim.


Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-593 (echtscheiding) en FA RK 25-8328 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

Zaaknummer: C/09/679263 (echtscheiding) en C/09/694095 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

Datum beschikking: 17 april 2026

<br /> [de man]<br />

,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.P. Heeren te Leiden .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

<br /> [de vrouw]<br />

,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. I. Roos te Amsterdam.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift, met bijlagen;

het F9 formulier van 4 februari 2025 van de zijde van de man;

het bericht van 16 mei 2025 van de zijde van de man;

het F9 formulier van 19 mei 2025 van de zijde van de vrouw;

het aanvullend verzoek, met bijlagen;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen;

het F9 formulier van 8 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;

het verweer op het zelfstandig verzoek;

het F9 formulier van 25 februari 2026, met aanvullend verzoek en bijlagen, van de zijde van de man;

het F9 formulier van 27 februari 2026, met aanvullend verzoek en bijlagen, van de zijde van de man;

het F9 formulier van 2 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

het F9 formulier 2 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de man;

het F9 formulier van 5 maart 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

productie 24 van de zijde van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 9 maart 2026;

productie 25 en 26 van de zijde van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 10 maart 2026;

het F9 formulier van 10 maart 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw.

Op 5 maart, 9 maart en 10 maart 2026 zijn van de zijde van de vrouw stukken ingediend. De man heeft bezwaar gemaakt tegen deze stukken omdat deze stukken korter dan tien dagen voor de zitting zijn overgelegd. Ter zitting heeft (de advocaat van) de man aangegeven dat de stukken grotendeels bekend zijn en is hij ook inhoudelijk ingegaan op deze stukken. De rechtbank zal de stukken daarom toelaten, waarbij de rechtbank opmerkt dat deze stukken door de vrouw slechts beperkt zijn toegelicht. Dit komt voor haar rekening en risico.

[minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Op 10 maart 2026 is de zaak op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Partijen zijn op [datum 1] 2016 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan te [plaats 1] . Het geregistreerd partnerschap is op [datum 2] 2017 omgezet in een huwelijk te [plaats 2] .

Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

– [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ,

– [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] ,

– [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] .

De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.

De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

De vrouw is ook de ouder van de nu nog [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2011 te [geboorteplaats] .

Partijen hebben op [datum 1] 2016 partnerschapsvoorwaarden opgesteld. Bij de omzetting van het geregistreerd partnerschap in een huwelijk op [datum 2] 2017 zijn de partnerschapsvoorwaarden automatisch huwelijksvoorwaarden geworden. Deze huwelijkse voorwaarden houden kort gezegd in een:

– uitsluiting van iedere gemeenschap;

– een kosten huishouding beding;

– een jaarlijks verrekenbeding;

– een finaal verrekenbeding;

– uitsluiting van pensioenverevening;

– afstand van bijzonder nabestaandenpensioen.



Het verzoek strekt tot echtscheiding alsmede de regeling van hun betrekkingen na echtscheiding op te nemen in de beschikking en voorts met opneming in de beschikking van het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man verzoekt aanvullend:

de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen;

een zorgregeling vast te leggen waarbij de kinderen bij de vader en de moeder verblijven volgens naar de rechtbank begrijpt de inhoud van de producties 37 en 38;

de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden vast te stellen conform hetgeen in het aanvullende verzoekschrift is omschreven;

de verdeling van de gemeenschappelijke woning vast te stellen conform hetgeen in het aanvullend verzoekschrift is omschreven en een spoorboekje op te nemen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de vrouw, zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorziening tot:

vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;

vaststelling van een door partijen nader aan te geven verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen;

bepaling dat de vrouw de woning voor een bedrag van € 1.425.000,- mag overnemen onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uiterlijk tot zes maanden na de datum van de echtscheiding;

bepaling dat de man aan achterstallige bijdrage in de kosten van de huishouding een bedrag van € 9.400,- dient te voldoen aan de vrouw te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van voldoening;

bepaling dat de man een bijdrage in de kosten en verzorging van de kinderen voldoet van een bedrag van € 2.100,- per maand dan wel een bijdrage die de rechtbank in goede justitie juist acht vanaf de datum indiening verzoekschrift dan wel een andere datum die de rechtbank in goede justitie juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;

bepaling dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw voldoet van een bedrag van € 700,- per maand dan wel een bijdrage die de rechtbank in goede justitie juist acht vanaf de datum echtscheiding telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;

bepaling dat de man in het geding brengt dan wel aan de vrouw dient te verschaffen ter bepaling van zijn vermogens – en inkomenspositie en de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden c.q. huwelijkse voorwaarden de navolgende stukken:

1. inzage in het verloop van de bankrekeningen tussen 2016 en 2025:

a. Rabo Bedrijfsspaarrekening eindigend op [rekeningnummer 1] (vermeld op de concept IB 2023);

b. ING Betaalrekening [rekeningnummer 2] t.n.v. onbekend;

c. [rekeningnummer 3] t.n.v. [bedrijfsnaam 1] BV (i.v.m. dividend (terug)stortingen);

2. het verschaffen van duidelijkheid over de bestemming van het resterende bedrag van € 144.200,- van een hypotheek d.d. 2021;

3. overlegging van definitieve jaarrekeningen 2017 – 2019 met toelichting inclusief de definitieve jaarrekeningen 2017 – 2019 met toelichting van de deelnemingen;

4. overlegging van definitieve jaarrekening 2024 met toelichting van [accountantskantoor] en de definitieve jaarrekeningen 2024 met toelichting van de deelnemingen,

uiterlijk binnen een week na de af te geven beschikking op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat de man hiermee in gebreke is;

– de waardering van de aandelen [bedrijfsnaam 2] BV te laten plaatsvinden per de peildatum door een deskundige zoals [naam 1] van [bedrijfsnaam 3] en deze te benoemen waarbij de kosten van de deskundige door partijen bij helfte worden gedragen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

De man verzoekt daarnaast aanvullend:

– dat de rechtbank Den Haag bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw zal veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning te [plaats 1] (Zuid-Holland), aan de [adres 1] aan (een) derde(n), waartoe zij in ieder geval:

1. binnen acht dagen nadat, naar de rechtbank begrijpt, de beschikking is uitgesproken samen met de man een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop van de woning c.a. dient aan te gaan met [makelaarskantoor] te [plaats 1] (Zuid-Holland) [website] onder de voor een NVM-makelaar gebruikelijke voorwaarden;

2. de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de man op zal volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dienen te verkeren,

3. zal meewerken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst(en) op eerste schriftelijk verzoek van de man, indien en voor zover:

a. de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen schriftelijk overeengekomen andere laatprijs, en waarbij

b. een opleverdatum van de woning en de garage wordt afgesproken van minimaal drie maanden na de datum van de totstandkoming van de koopovereenkomst, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en

c. de koopovereenkomst(en) – voor een woning als deze –gebruikelijke condities bevat en

d. de helft (50%) bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan de vrouw toekomende aandeel in de overwaarde, zijnde de helft van die overwaarde, te weten de verkoopopbrengst na aftrek van de op die verkoop en levering betrekking hebbe de kosten,

4. zal meewerken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst(en) of een in afwijking daarvan nader met de koper schriftelijk overeen te komen dag,

5. voorts dat de rechtbank, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat, indien de vrouw niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting tot het verlenen van medewerking als bedoeld in 2 een dwangsom verschuldigd is van € 500,- per overtreding en van € 500,- voor elke dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 50.000,-

6. Zal bepalen dat, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 1, 3 en 4 deze beschikking op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij opdracht geeft tot bemiddeling en dat zij de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper,

dat de rechtbank zal bepalen dat de vrouw draagplichtig is voor de helft van de aanslagen IB 2023 en 2024 en 2025 tot de datum waarop partijen geen fiscaal partners meer zijn en dat de man gerechtigd is om het (eventueel) door hem betaalde deel van de vrouw in die aanslagen te verrekenen met een door de man aan de vrouw te betalen bedrag;

voorts dat de rechtbank bepaalt dat de man 60% van de verblijfoverstijgende kosten van de kinderen als zijn eigen schuld zal voldoen en de vrouw 40% daarvan,

kosten rechtens.

Echtscheiding

Ontvankelijkheid: ontbreken ouderschapsplan

Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd zoals omschreven in artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In de wet is voorgeschreven dat een ouderschapsplan een processuele eis is bij een verzoek tot echtscheiding. Daarom heeft de rechtbank de bevoegdheid om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat partijen op dit moment niet in staat zijn om een door beiden ondertekend ouderschapsplan op te stellen. Gelet hierop zal de rechtbank partijen, ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Inhoudelijke beoordeling

De man en de vrouw hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de rechtbank de verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond zal toewijzen.

Hoofdverblijfplaats
De man en de vrouw verzoeken beiden de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen. Gelet op overeenstemming tussen partijen zal de rechtbank de verzoeken van partijen om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw te bepalen als op de wet gegrond toewijzen nu het belang van de kinderen zich hier niet tegen verzet.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat partijen een reguliere regeling en een vakantieregeling zijn overeengekomen zoals weergegeven in de door de man ingediende producties 37 en 38. Partijen geven nu uitvoering aan deze regelingen. De rechtbank zal overeenkomstig de afspraken tussen partijen beslissen en de onderling getroffen regelingen aanhechten aan deze beschikking.

Zoals op de zitting met partijen is besproken kunnen zij te allen tijde in onderling overleg in het belang van de kinderen afwijken van de regeling.

Kinderalimentatie

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten en verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 2.100,- per maand dient te betalen vanaf de datum van indiening verzoekschrift. De man voert hiertegen verweer en verzoekt te bepalen dat de man 60% van de verblijfoverstijgende kosten van de kinderen als zijn eigen schuld zal voldoen en de vrouw 40% daarvan.

Nu de kinderalimentatie tussen partijen in geschil is zal de rechtbank overgaan tot het maken van een berekening. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen als uitgangspunt.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.

Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van de beschikking, nu op de zitting door de vrouw is bevestigd dat de man tot heden de verblijfoverstijgende kosten van de kinderen heeft betaald.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van de kinderen (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil zodat de rechtbank hierna de behoefte zal vaststellen.

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat partijen in november 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank zal voor de bepaling van de behoefte daarom uitgaan van de tarieven 2024-II. Op de zitting is verder gebleken dat partijen het met elkaar eens zijn dat het gezinsinkomen in ieder geval € 6.000,- netto per maand bedroeg en dat daarom voor de bepaling van de behoefte van de kinderen moet worden uitgegaan van de maximale behoefte voor drie kinderen volgend uit de tabel ‘eigen aandeel kosten kinderen’ bij het Rapport Alimentatienormen.

Uit de tabel volgt een maximale behoefte in 2024 voor drie kinderen van € 1.620,- per maand.

Tussen partijen is in geschil of de extra kinderopvangkosten voor [minderjarige 3] van € 300,- per maand bij de behoefte van de kinderen dienen te worden opgeteld.

De rechtbank overweegt dat uit het Rapport Alimentatienormen volgt dat in de tabelbedragen alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting zijn begrepen en dat allerlei kosten en activiteiten uitwisselbaar zijn. Bepaalde extra kosten kunnen echter zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins)inkomen drukken. Een voorbeeld van uitzonderlijke kosten kunnen kinderopvang of oppaskosten zijn die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en een eventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

De vrouw heeft op de zitting toegelicht dat zij deze kosten maakt omdat zij per 1 maart 2026 gaat werken en dat dit noodzakelijke kosten zijn.. De man heeft op de zitting naar voren gebracht dat deze kosten nu niet worden gemaakt en dat hij de helft van de tijd voor de kinderen zorgt.

De rechtbank acht de stelling van de vrouw, gelet op de betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de opvangkosten daadwerkelijk worden gemaakt en waarom de kinderopvangkosten, als ze wel worden gemaakt, zo uitzonderlijk zijn dat zij niet met lagere uitgaven aan andere kostenposten kunnen worden gecompenseerd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor verhoging van het tabelbedrag.

De rechtbank bepaalt de behoefte van de kinderen in 2024 op € 1.620,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.805,- per maand.

Draagkracht

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de ouders dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt ook daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2026 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.365)].

Vanwege de ingangsdatum rekent de rechtbank met de tarieven 2026-I.

Draagkracht van de man

Tussen partijen is de draagkracht van de man in geschil. De vrouw stelt dat bij het bepalen van de draagkracht van de man naast zijn DGA-inkomen van € 102.000,- per maand ook rekening dient te worden gehouden met de inkomsten die een DGA redelijkerwijs kan verwerven.

De rechtbank zal geen rekening houden met een hoger inkomen aan de zijde van de man en overweegt daartoe als volgt. De man heeft betwist dat hij zich naast zijn salaris extra inkomen uit de onderneming zou kunnen uitkeren. De vrouw heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de man zich, naast zijn salaris, een bedrag van 182.816,- aan winst uit onderneming kan uitkeren. Zij heeft desgevraagd niet, althans volstrekt onvoldoende, kunnen toelichten hoe zij tot dat bedrag is gekomen en waarom zij dit in haar laatste draagkrachtberekening heeft opgenomen als winst uit onderneming. Voor zover de vrouw heeft bedoeld dat de man zich dividend kan uitkeren of zijn inkomen kan verhogen heeft zij dit, mede gelet op de betwisting door de man, eveneens onvoldoende toegelicht.

De vrouw stelt daarnaast dat er ook rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 70.000,- per jaar aan huurinkomsten aan de zijde van de man. De man heeft op de zitting erkend dat hij ongeveer € 70.000,- aan huurinkomsten ontvangt, maar dat daartegenover ook hoge lasten staan zoals weergegeven in de door de man ingediende producties 52 en 53. Volgens de man lijdt hij verlies en moet bij het berekenen van zijn draagkracht rekening gehouden met deze verliespost. Voorts voert de man aan dat hij in verband met de gewijzigde belastingwetgeving ten aanzien van huurinkomsten en box 3-vermogen bezig is de panden te verkopen.

De rechtbank overweegt als volgt. Enerzijds kan de rechtbank op basis van de stukken en hetgeen op de zitting door de vrouw is aangegeven niet vaststellen dat er een positief saldo is aan huurinkomsten, maar anderzijds kan de rechtbank dit ook niet uitsluiten. Hetzelfde geldt voor de stellingen van de man ten aanzien van de verliespost die hij stelt te hebben met betrekking tot het onroerend goed. Daarnaast is het de vraag of kosten die voortvloeien uit vastgoedexploitatie een last vormen die bij de draagkrachtberekening in het kader van kinderalimentatie in aanmerking moet worden genomen. De man kan de panden immers ook verkopen. De rechtbank zal daarom bij de draagkrachtberekening geen rekening houden met enerzijds huurinkomsten en anderzijds verlies aan de zijde van de man.

De rechtbank zal daarnaast in het kader van de berekening van de kinderalimentatie ook geen rekening houden met de werkelijke woonlasten van partijen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het forfaitair tarief. Beide partijen hebben hogere woonlasten, maar die lasten houden verband met een door ieder van hen gemaakte keuze.

Concluderend zal de rechtbank voor de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van zijn DGA inkomen van € 102.000,- per jaar. Daarnaast zal de rechtbank ook rekening houden met de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 3.851,- per jaar, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Uitgaande van deze bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 5.231,- per maand en zijn draagkracht op € 1.608,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

Tussen partijen is de draagkracht van de vrouw in geschil. De vrouw is per 1 maart 2026 een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan. Zij stelt dat bij de berekening van haar draagkracht moet worden uitgegaan van haar nieuwe arbeidsinkomen van € 2.142,91 per maand, exclusief 8% vakantiegeld. Daarnaast moet volgens de vrouw rekening te worden gehouden met een jaarlijkse winst uit haar onderneming van € 9.000,-. Bovendien moet rekening worden gehouden met [minderjarige 4] , voor wie de vrouw ook onderhoudsplichtig is. De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat de vader van [minderjarige 4] een bedrag van € 436,- aan alimentatie betaalde, maar dat zij dit nu niet meer ontvangt. De man voert aan dat de vrouw een maximale verdiencapaciteit heeft en van haar kan worden verwacht een modaal inkomen te verdienen. De man stelt dat de vrouw voor [minderjarige 4] kinderalimentatie ontvangt waardoor er met de kosten van [minderjarige 4] geen rekening dient te worden gehouden in de draagkrachtberekening van de vrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdens het huwelijk de zorg voor de kinderen heeft gedragen en daarnaast (beperkte) werkzaamheden verrichtte in haar onderneming. Gelet op het arbeidsverleden van de vrouw, het feit dat de vrouw zorg draagt voor vier kinderen, werkzaamheden in haar onderneming zal uitvoeren en daarnaast een nieuwe functie in loondienst zal bekleden, kan naar oordeel van de rechtbank niet van de vrouw worden verwacht dat zij op korte termijn een hoger inkomen genereert. De vrouw is ook onderhoudsplichtig ten aanzien van [minderjarige 4] . Vanwege het gebrek aan gegevens ten aanzien van [minderjarige 4] , zal de rechtbank de behoefte van [minderjarige 4] schattenderwijs vaststellen op een bedrag gelijk aan de behoefte van de andere kinderen en de draagkracht van de vrouw over vier kinderen verdelen. De rechtbank gaat ervan uit dat het bedrag dat de vrouw uit eigen draagkracht moet voldoen voor [minderjarige 4] gezamenlijk met de alimentatie waar zij voor [minderjarige 4] recht op heeft haar behoefte dekt.

De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgaan van een bruto arbeidsinkomen van € 2.143,- per maand, exclusief 8% vakantiegeld. Daarnaast zal de rechtbank ook rekening houden met een winst uit onderneming van € 9.000,- per jaar.

De rechtbank houdt verder rekening met:

de arbeidskorting;

de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

De rechtbank zal geen rekening houden met de zelfstandigenaftrek nu het, gelet op de nieuwe functie van de vrouw, onwaarschijnlijk is dat de vrouw met haar onderneming het urencriterium van 1225 uren zal halen.

De rechtbank zal ook geen rekening houden met het kindgebonden budget aan de zijde van de vrouw nu het box 3 vermogen van de vrouw per 1 januari 2026 hoger is dan de maximale vermogensgrens.

Uitgaande van de bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.912,- per maand en haar draagkracht op € 471,- per maand. Van de draagkracht van de vrouw is (471/4 x 3 = ) € 353,- beschikbaar voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

Draagkrachtverdeling

De gezamenlijke draagkracht van de partijen in 2026 bedraagt (€ 1.608,- + € 353,- =) € 1.961,- per maand en is voldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van

€ 1.805,- per maand te voorzien.

Het eigen aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt naar rato van zijn draagkracht: (1.608 / 1.961 x 1.805 =) € 1.480,- per maand.

Het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen bedraagt naar rato van haar draagkracht: (353 / 1.961 x 1.805 = ) € 325,- per maand.

Zorgkorting

Nu partijen een co-ouderschap regeling zijn overeengekomen ziet de rechtbank aanleiding om uit te gaan van een zorgkorting van 35%. In 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.805,- zodat de rechtbank rekening zal houden met een zorgkorting van € 632,- per maand (35% van € 1.805,-).

Conclusie

De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man, met ingang van 17 april 2026, een kinderalimentatie van (€ 1.480,- – € 632,- = ) € 848,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.

Partneralimentatie

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal betalen van € 700,- per maand vanaf de datum van de echtscheiding. De man voert hiertegen verweer.

Bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening hiervan neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt.

Ingangsdatum

Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum een eventueel te bepalen bedrag aan partneralimentatie vaststellen.

Behoefte van de vrouw

De vrouw heeft aanvankelijk gesteld dat partijen leefden van € 20.000,- netto per maand. Op de zitting heeft de vrouw haar standpunt gewijzigd en aangegeven dat partijen in 2024 gemiddeld € 16.000 netto per maand uitgaven. De man heeft op de zitting erkend dat er geld van de privé rekening van de man werd gebruikt voor de kosten van het gezin, maar de man betwist dat partijen van zoveel geld per maand hebben geleefd als de vrouw stelt.

De rechtbank acht de stelling van de vrouw, gelet op de betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd. De man had in 2024 een DGA-salaris van € 102.000,- per jaar en een NBI van € 4.888,- per maand. De vrouw had een jaarinkomen uit loondienst van € 9.720,- in 2023 (volgens de door de man overgelegde belastingaangifte IB 2023) en € 9.952,- in 2024 (volgens de conceptaangifte IB 2024), zodat in 2024 sprake was van een NBI van de vrouw van € 829,- per maand. Daarnaast was sprake van huurinkomsten aan de zijde van de man, maar de omvang daarvan is niet vast komen te staan.

Bij het onderwerp van de kinderalimentatie is besproken dat partijen het met elkaar eens zijn dat het gezinsinkomen in ieder geval € 6.000,- netto per maand bedroeg. Nu niet vast is komen te staan dat het gezinsinkomen hoger is geweest, zal de rechtbankuitgaan van een NBGI van partijen van € 6.000,- netto per maand. De man heeft de toepassing van de hofnorm niet betwist zodat de rechtbank de behoefte van de vrouw zal berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten voor de kinderen.

De rechtbank heeft het netto besteedbaar gezinsinkomen vastgesteld op € 6.000,- per maand in 2024. Hiervan moeten de kosten voor de kinderen, inclusief [minderjarige 4] , worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 4.276,- (€ 6.000,- -/- kosten [minderjarige 4] € 104,- (behoefte € 540,- -/- ontvangen alimentatie € 436,-) en behoefte [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] € 1.620,-) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 2.566,- netto per maand (60% van € 4.276,-). Geïndexeerd naar 2026 is de behoefte van de vrouw € 2.858,- netto per maand.

Aanvullende behoefte van de vrouw

De rechtbank zal nu beoordelen in hoeverre de vrouw redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien. Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 2.858,- per maand in 2026 moet haar NBI in mindering worden gebracht.

Voor de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank wederom rekening houden met haar bruto arbeidsinkomen van € 2.143,- per maand, exclusief 8 % vakantiegeld. Daarnaast zal de rechtbank ook rekening houden met een winst uit onderneming van € 9.000,- per jaar. Zoals de rechtbank hiervoor in het kader van de kinderalimentatie heeft overwogen acht de rechtbank de vrouw op dit moment niet in staat een hoger inkomen te genereren. De rechtbank houdt dan ook geen rekening met een hogere verdiencapaciteit.

De rechtbank houdt verder rekening met:

de arbeidskorting;

de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.912,- per maand.

Het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen (inclusief [minderjarige 4] ) bedraagt € 471,-. Nu de vrouw geen kindgebonden budget ontvangt dient zij dit bedrag volledig vanuit haar eigen inkomen aan de kinderen te besteden. Dit bedrag komt in mindering op haar NBI, zodat het eigen inkomen dat zij aan zichzelf kan besteden ( € 2.912,- – € 471,- = ) € 2.441,- bedraagt. Dit inkomen wordt in mindering gebracht op de behoefte van € 2.858,- zodat de vrouw een aanvullende behoefte heeft van € 417,- netto per maand in 2026. Dat is € 538,- bruto per maand.

Draagkracht van de man

De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man wederom uitgaan van zijn DGA inkomen van € 102.000,- per jaar. Daarnaast zal de rechtbank ook rekening houden met de ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 3.851,-, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Uitgaande van de bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.231,- per maand.

Op grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 2.297,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 1.378,- netto per maand. Daarop wordt door de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van de kinderen (= kinderalimentatie + zorgkorting) van € 1.480,- per maand in mindering gebracht.

Conclusie

De man heeft gelet op het voorgaande geen draagkracht beschikbaar voor het betalen van partneralimentatie aan de vrouw. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie afwijzen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn op [datum 1] 2016 te [plaats 1] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan en hebben partnerschapsvoorwaarden afgesloten. Partijen hebben nadien hun geregistreerd partnerschap op [datum 2] 2017 omgezet in een huwelijk, waardoor de partnerschapsvoorwaarden nu gelden als huwelijkse voorwaarden.

In de huwelijkse voorwaarden (hierna: HV) van partijen is het volgende opgenomen:

(….)

2. Uitsluiting partnerschapsvermogensrechtelijke gemeenschap
Tussen de partners bestaat geen enkele partnerschapsvermogensrechtelijke gemeenschap.

(….)

6. Finale verrekening bij einde van geregistreerd partnerschap anders dan door overlijden
1. Bij einde van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden of door ontbinding, of bij omzetting van het geregistreerd partnerschap in een huwelijk en de daarop volgende echtscheiding of scheiding van tafel en bed, wordt verrekend alsof tussen de partners een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, met inachtneming van het volgende. In het geval dat wordt afgerekend op basis van dit artikel sluiten partners de verrekening zoals bedoeld in artikel 4 van deze partnerschapsvoorwaarden, voor zover die nog niet heeft plaatsgevonden, en de verrekening op basis van artikel 1:141 Burgerlijk Wetboek, uitdrukkelijk uit. Evenmin zal er verrekening plaatsvinden in verband met de draagplicht van de huishoudkosten als bepaald in artikel 3, voor zover die verrekening niet reeds heeft plaatsgevonden.

2. Het vermogen van ieder van de partners bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden. Aanspraken op al of niet ingegaan pensioen worden niet in deze verrekening betrokken. De vaststelling van de beide vermogens en de bepaling van de waarde daarvan –

zullen plaatsvinden in onderling overleg of bij gebreke daarvan door een of meer-

deskundigen als door de aard van de goederen wordt vereist, dit ter beoordeling van de-

bevoegde kantonrechter. Het onderling overleg wordt als gestaakt beschouwd als niet binnen twee maanden na dagtekening van een aangetekende brief waarbij door de ene aan de andere partner om mededeling van zijn inzichten is verzocht, overeenstemming is bereikt over de waarde. De waarde van de aandelen van een partner in een rechtspersoon of verwante rechtspersoon wordt vastgesteld als hierna in lid 6 bepaald.

(….)

4. Voor de bepaling van omvang en samenstelling van het verrekenplichtig vermogen wordt

als peildatum aangemerkt het tijdstip waarop er een opdracht aan een advocaat of notaris

is verstrekt tot het opmaken van een beëindigingsovereenkomst, of het tijdstip waarop door

één van de partners het verzoek om ontbinding is gedaan of, bij omzetting van het

geregistreerd partnerschap in een huwelijk, het tijdstip waarop het verzoek tot

echtscheiding of het verzoek tot scheiding van tafel en bed is ingediend. Bij de vaststelling van de waarde van de hierna genoemde (certificaten van) aandelen wordt in alle gevallen -ook als de onderneming die wordt gedreven in de vennootschap waarin de (certificaten van) aandelen worden gehouden is vervreemd – geen rekening gehouden met immateriële activa, zoals goodwill, en hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen.

(….)

6. De waarde van de (certificaten van) aandelen die behoren tot een aanmerkelijk belang

wordt vastgesteld door het verschil te berekenen tussen de waarde van de aandelen per

het einde van het boekjaar waarin het geregistreerd partnerschap tussen de partners werd

gesloten en de peildatum als bedoeld in lid 4 van dit artikel, behoudens het hierna

bepaalde. Buiten verrekening blijft aldus de waarde van de (certificaten van) aandelen die

vóór het geregistreerd partnerschap aanwezig waren. Bij een waardedaling of een

negatieve waarde van de (certificaten van) aandelen zal deze waarde buiten de finale

verrekening blijven. Op de waarde van de (certificaten van) aandelen wordt in mindering gebracht de contante waarde van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn als de aandelen zouden worden vervreemd voor de conform de hiervoor bepaalde waarde.

7. In alle gevallen blijft bovendien buiten de verrekening:

– de bezittingen en schulden die aan ieder van de partners bij aanvang van het-

geregistreerd partnerschap toebehoorde, voor zover deze bezittingen en schulden

blijken uit de aan deze akte gehechte staat van aanbreng, alsmede de inkomsten

daaruit, en wat voor een en ander in de plaats is gekomen, naar rato van de eigen

investeringen;

– wat door erfrecht of schenking door de partners werd verkregen met de vruchten

daarvan voor zover deze niet zijn afgescheiden of anderszins zijn belegd en wat voor

een en ander in de plaats is gekomen, naar rato van de eigen investeringen;

(….)

Partijen hebben, mede op grond van de huwelijkse voorwaarden:

te verrekenen vermogen;

eenvoudige gemeenschappen.

De rechtbank zal hierna eerst het te verrekenen vermogen bespreken en daarna de verdeling van de eenvoudige gemeenschap tussen partijen.

Peildatum

De rechtbank zal uitgaan van de peildatum zoals die uit de HV volgt. Artikel 6 lid 4 HV bepaalt als peildatum voor het vaststellen van het te verrekenen vermogen het tijdstip waarop door één van de partners het verzoek tot echtscheiding is ingediend , te weten 23 januari 2025.

Omvang te verrekenen vermogen

Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd die tot het te verrekenen vermogen behoren dan wel zouden kunnen behoren:

de aandelen [bedrijfsnaam 2] BV en de belastinglatentie;

de bankrekeningen;

de auto van het merk Volvo met [kenteken];

de panden van de man.

Tussen partijen staat vast dat de HV bepalen dat de waardevermeerdering van de aandelen tussen 31 december2016 (de waarde van de aandelen per

het einde van het boekjaar waarin het geregistreerd partnerschap tussen de partners werd

gesloten) en 23 januari 2025 dient te worden verrekend. Omdat laatstgenoemde datum slechts enkele weken gelegen is na het einde van het boekjaar 2024 zijn partijen het erover eens dat uitgegaan zal worden van de waarde per 31 december 2024. Tussen partijen is echter de waarde van de aandelen per die datum in geschil en zij zijn het evenmin eens over de belastinglatentie.

De man stelt dat uit de HV volgt dat bij de bepaling van de waarde van de aandelen geen rekening moet worden gehouden met immateriële activa, zoals goodwill of wat daarvoor in de plaats is getreden. Volgens de man dient onder goodwill te worden verstaan zowel aangegroeide goodwill als gerealiseerde goodwill. Dat betekent dat uitsluitend de intrinsieke waarde van de aandelen ten tijde van het aangaan van het geregistreerd partnerschap en de intrinsieke waarde van de aandelen per de peildatum met elkaar moeten worden vergeleken. Er dient met geen enkele vorm van goodwill rekening te worden gehouden.

De vrouw betwist de door de man gestelde wijze van waardering. Volgens de vrouw is de bepaling in de HV zo geformuleerd dat de zin “zoals goodwill” in artikel 6 lid 4 niet ziet op alle goodwill, maar alleen op immateriële activa zoals goodwill. Volgens de vrouw houdt dat in dat niet alle goodwill hiervan is uitgesloten. Zelfgekweekte goodwill staat volgens de vrouw niet op de balans als immaterieel vast actief, omdat deze niet identificeerbaar en niet afzonderlijk overdraagbaar is. Deze goodwill wordt pas zichtbaar bij verkoop of participatie in de onderneming. Alleen, voor zover goodwill op de balans terecht is gekomen dient die goodwill buiten beschouwing gelaten moet worden. De aangekochte goodwill moet daarom uitgefilterd worden. De vrouw heeft als productie 24 een memorandum inz. Waardering [bedrijfsnaam 2] B.V. maart 2026 van de heer [naam 2] overgelegd waarin de heer [naam 2] kort samengevat (na correctie van de goodwill) tot een waardestijging van de aandelen van ca 2,2 miljoen komt.

De rechtbank stelt voorop dat in de HV is opgenomen dat “Bij de vaststelling van de waarde van de hierna genoemde (certificaten van) aandelen wordt in alle gevallen – ook als de onderneming die wordt gedreven in de vennootschap waarin de (certificaten van) aandelen worden gehouden is vervreemd – geen rekening gehouden met immateriële activa, zoals goodwill, en hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen”. De rechtbank is van oordeel dat uit deze tekst, in het bijzonder de zin tussen de streepjes, voortvloeit dat het standpunt van de man juist is dat partijen zijn overeengekomen bij de waardebepaling geen rekening te houden met enige vorm van goodwill. Voor de uitleg van de vrouw ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Daarom zal de rechtbank de waardestijging berekenen door de intrinsieke waarde van de aandelen eind 2024 te vergelijken met de waarde van de aandelen in 2016. Voor de benoeming van een deskundige ziet de rechtbank geen aanleiding.

Tussen partijen is ook de belastinglatentie in geschil. De man stelt dat op de waarde van de aandelen de contante waarde van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn als de aandelen zouden worden vervreemd in mindering moet worden gebracht. De fiscale claim op het berekende waardeverschil dient in mindering te worden gebracht alsof de aandelen meteen en volledig zouden worden vervreemd.

De vrouw betwist dit en voert aan dat volgens vaste rechtspraak bij de waardering van latente belastingclaims dient te worden uitgegaan van de contante waarde van de toekomstige belastingverplichting en niet van het nominale belastingpercentage. Het hanteren van een belastinglatentie van 15,5% is daarom in het dit geval volgens de vrouw redelijk nu partijen moeten afrekenen tegen de contante waarde.

De vrouw heeft ter zitting haar verzoek in die zin gewijzigd dat zij primair verzoekt dat, gelet op de eerder genoemde berekening van de heer [naam 2] ten aanzien van de waardestijging van de aandelen wordt uitgegaan van een bedrag van € 2.000.000,- en dat de man haar in het kader van de verrekening van de waarde van de aandelen een bedrag van € 845.000,- dient te voldoen. Subsidiair handhaaft zij haar verzoek om een deskundige te benoemen.

De rechtbank wijst ook hier op de tekst van de HV, waarin in artikel 6, laatste volzin, is opgenomen “Op de waarde van de (certificaten van) aandelen wordt in mindering gebracht de contante waarde van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn als de aandelen zouden worden vervreemd voor de conform de hiervoor bepaalde waarde.” Uit die tekst volgt dat dus dat de belastingclaim contant gemaakt dient te worden. De vraag die partijen verdeeld houdt is, zo begrijpt de rechtbank, of de omstandigheid dat de aandelen in de BV op dit moment niet daadwerkelijk worden vervreemd, betekent dat rekening gehouden moet worden met een lager tarief dan het tarief dat verschuldigd zou zijn als de aandelen op de peildatum verkocht zouden zijn. Die discussie wordt in rechtspraak en literatuur gevoerd vanwege de gedachte dat belastinguitstel een rentevoordeel kan opleveren. Dat met een eventueel rentevoordeel bij de waardering van de AB-claim rekening gehouden moet worden is bevestigd in de uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2022 (ECLI:NL:HR:2022:583). Partijen hebben ieder een ander percentage genoemd waarmee gerekend moet worden, maar hebben hun standpunt over de contante waarde van de belastingclaim niet toegelicht. De rechtbank zal daarom voor de berekening van de contante waarde aansluiten bij het daarvoor gebruikelijke tarief van 25%.

Conclusie

De waarde van de aandelen per datum geregistreerd partnerschap in 2016 is € 87.340,-. De waarde van de aandelen per datum indiening verzoekschrift is op basis van de jaarrekening 2024 van [bedrijfsnaam 2] BV € 611.638-. De waardevermeerdering is € 524.298,-. Dat betekent dat de contante waarde van de belastinglatentie berekend wordt op (€ 524.298,- x 25% =) € 131.074,50. De belastinglatentie komt vervolgens in mindering op de waardevermeerdering van € 524.298,- zodat de man € 393.223,50 met de vrouw moet verrekenen en de man per saldo aan de vrouw een bedrag van € 196.611,75 verschuldigd is.



De gezamenlijke bankrekeningen dienen per de peildatum tussen partijen te worden verrekend. Partijen verschillen echter van mening ten aanzien van een aantal bankrekeningen of de saldi daarvan met elkaar dienen te worden verrekend. De vrouw wenst inzage in het saldoverloop van de bankrekeningen tussen 2016 en 2025 van de volgende bankrekeningen: [rekeningnummer 1], [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 3] .

De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van bankrekening [rekeningnummer 1] is gebleken dat deze rekening op naam van de onderneming van de vrouw staat zodat de vrouw deze zelf kan inzien. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw tot inzage in haar eigen rekening af.

Ten aanzien van de ING Betaalrekening [rekeningnummer 2] heeft de man aangevoerd

dat op deze rekening alleen de huurinkomsten uit de aan de man toebehorende privé-panden zijn geboekt en dat in artikel 6 lid 7 van de HV is overeengekomen dat deze inkomsten buiten de verrekening blijven. De vrouw heeft betwist dat het hier uitsluitend om huurinkomsten gaat. De man heeft bankafschriften overgelegd als productie 42 om aan te tonen dat de bankoverschrijvingen alleen huurinkomsten betreffen. De rechtbank is van oordeel dat de man zijn stelling met deze productie en zijn toelichting ter zitting voldoende heeft onderbouwd, tegenover de betwisting door de vrouw, zodat het saldo op deze rekening niet zal worden meegenomen in het te verrekenen vermogen.

Ten aanzien van de rekening [rekeningnummer 3] ten name van [bedrijfsnaam 1] BV overweegt de rechtbank het volgende. De vrouw stelt dat aan deze rekening een bedrag van € 40.000,- aan dividend is onttrokken en vervolgens is overgemaakt op de gezamenlijke rekening waarna het weer op deze rekening ten name van [bedrijfsnaam 1] BV is teruggestort. De rechtbank ziet in deze constatering van de vrouw geen aanleiding om inzage in negen jaar aan bankafschriften te verschaffen. De rechtbank merkt daarbij op dat [bedrijfsnaam 1] BV geen dividend aan de man in privé kan uitkeren nu niet de man maar [bedrijfsnaam 2] BV een deelneming heeft in [bedrijfsnaam 1] BV. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw tot inzage in deze rekening af.

Uit de stukken is verder gebleken dat in de IB aangiftes van de man ook de bankrekening [rekeningnummer 4] staat vermeld. De man heeft op zitting verklaard dat deze rekening een lunch rekening is van de onderneming, maar heeft dit verder niet onderbouwd. Nu de onderbouwing ontbreekt en de bankrekening in de belastingaangifte is vermeld zal de rechtbank het saldo op de peildatum van deze bankrekening meenemen in het te verrekenen vermogen.

Conclusie

De rechtbank zal gelet op het bovenstaande bepalen dat de saldi van de volgende bankrekeningen op de peildatum, te weten 23 januari 2025, tussen partijen moeten worden verrekend:

Rabobank Rabo TotaalRekening: [rekeningnummer 5] te name van [de man] eo;

Rabo spaarrekening aan bovenstaande rekening: [rekeningnummer 6] te name van [de man] eo;

Rabobank Rabo GoldCard Visa – [nummer];

Rabobank Rabo BedrijfsSpaarRekening: [rekeningnummer 1] [bedrijfsnaam 4];

Van Lanschot Betaalrekening particulier: [rekeningnummer 7] op naam van de vrouw;

Rabobank Zakelijke rekening: [rekeningnummer 8] [bedrijfsnaam 4];

Rabobank Rabo TotaalRekening: [rekeningnummer 9] op naam van de vrouw;

Rabobank Rabo SpaarRekening: [rekeningnummer 10] op naam van de vrouw;

Rabobank Rabo DirectRekening: [rekeningnummer 4] (lunch rekening).

Tussen partijen is in geschil tegen welke waarde de (rechten voorvloeiend uit de financial leaseovereenkomst ten aanzien van de) Volvo in de verrekening dient te worden betrokken. Partijen zijn het met elkaar eens dat de Volvo op de peildatum een waarde heeft van

€ 29.703,-. Volgens de man is de auto aangeschaft met een financial lease constructie en moet rekening worden gehouden met de leasetermijnen die op de peildatum nog verschuldigd waren. De duur van de lease is 60 maanden en tot en met november 2024 waren 37 leasemaanden betaald, aldus de man. De vrouw stelt echter dat de Volvo al is afbetaald. Zij heeft ter onderbouwing hiertoe een bankafschrift van 1 januari 2022 overgelegd waarbij in de omschrijving is vermeld: ‘terugbetaling laatste deel auto’ bij een bedrag van € 10.000,-. De Volvo moet volgens de vrouw daarom voor de waarde van € 29.703,- in de verrekening worden betrokken.

De man betwist dat de Volvo al is afbetaald. De Volvo is op 29 september 2021 door de onderneming van de man gekocht omdat partijen niet privé konden leasen. De Volvo is vervolgens uit de boekhouding van de onderneming gebleven. Op de Volvo is € 10.000 aanbetaald.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de overeenkomst door de leasemaatschappij met de onderneming is gesloten, is tussen partijen niet in geschil dat er een vorderingsrecht voortvloeit uit de overeenkomst dat tot het privé vermogen van partijen behoort en dus in de verrekening tussen partijen dient te worden betrokken. De man heeft de leaseovereenkomst overgelegd waarmee hij naar oordeel van de rechtbank voldoende heeft aangetoond dat er nog een betalingsverplichting bestaat. Het bedrag dat op het door de vrouw overgelegde bankafschrift is vermeld komt overeen met het bedrag dat op basis van de financial leaseovereenkomst als aanbetaling moest worden voldaan. Ook de datum van de betaling sluit meer aan bij de uitleg dat het een aanbetaling betrof dan een laatste betaling van de leasetermijnen. De rechtbank acht de stelling van de man dat er op de peildatum nog een betalingsverplichting was daarmee voldoende onderbouwd. De man gaat in zijn berekening echter uit van een verkeerde peildatum (namelijk november 2024 in plaats van 23 januari 2025). De rechtbank is van oordeel dat er met twee leasetermijnen minder rekening moet worden gehouden. De leaseprijs is € 943,33 per maand. Tot en met november 2024 waren 37 leasetermijnen betaald. De peildatum is in januari 2025 zodat de rechtbank daar twee termijnen bij zal optellen, zodat er op de peildatum nog (60 – 39 =) 21 leasetermijnen verschuldigd waren ofwel een bedrag van in totaal (€ 943,33 x 21 =) € 19.809.93.

De rechtbank zal gelet op het bovenstaande bepalen dat de (rechten voorvloeiend uit de financial leaseovereenkomst ten aanzien van de) Volvo tegen een waarde van

€ 29.703,- verminderd met de resterende leaseschuld van € 19.809,93 in de verrekening worden betrokken, zodat de man een bedrag van € 9.893,07 moet verrekenen en hij ter zake € 4.946,54 aan de vrouw moet voldoen.



De man stelt dat alle onroerende zaken van de man alsmede alle daarop rustende hypothecaire geldleningen op grond van artikel 6 lid 7 van de HV buiten de finale verrekening moeten blijven, omdat hij deze bij aanvang van het geregistreerd partnerschap heeft aangebracht zoals blijkt uit de staat van aanbreng.

De vrouw voert verweer en voert aan dat er panden zijn die niet op de staat van aanbreng zijn genoemd waardoor deze panden in de verrekening dienen te worden betrokken. Het gaat volgens de vrouw daarbij om de [pand 1] en [pand 2], [pand 3] en [pand 4]. Volgens de vrouw heeft de omstandigheid dat die adressen niet afzonderlijk zijn genoemd op de staat van aanbrengsten het gevolg dat deze niet van de verrekening zijn uitgesloten.

De man heeft daartegen aangevoerd dat het perceel [adres 2] te [plaats 3] sinds 2011 de adressen [pand 1] en [pand 2] omvat, maar dat het hier nog steeds gaat om hetzelfde perceel. Het perceel aan de [adres 3] te [plaats 4] omvat de huisnummers [huisnummer 1] en [huisnummer 2]. Ook hier gaat het om hetzelfde perceel. De notaris die de akte partnerschapsvoorwaarden heeft opgesteld, heeft destijds aangegeven dat het daarom niet nodig was om deze adressen apart te benoemen op de staat van aanbrengsten, aldus de man.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de toevoeging van de adressen aan het onroerend goed aan de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap heeft plaatsgevonden. Zowel uit de stukken van de man als de stukken van de vrouw volgt evenwel dat de door de vrouw genoemde adressen onderdeel zijn van de wel in de staat van aanbrengsten genoemde percelen aan de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2],. Uit de door de vrouw ingediende stukken blijkt dat deze goederen hetzelfde kadastrale nummer hebben en dit volgt ook uit de openbare gegevens van het Kadaster. De door de vrouw genoemde adressen zien dus op onroerend goed dat uitgesloten is van de verrekening.

De eenvoudige gemeenschap – de echtelijke woning

Partijen hebben gezamenlijk een woning aan de [adres 1] te [plaats 1] , Zuid-Holland. Partijen hebben gezamenlijk een taxatie laten opmaken en in beginsel afgesproken dat de vrouw de woning mag overnemen tegen de getaxeerde waarde van € 1.425.000,- onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldleningen. De vrouw wenst de echtelijke woning nog steeds over te nemen vanwege de zorg die zij voor de kinderen heeft.

De man is het er in beginsel mee eens dat de vrouw de woning overneemt, maar vanwege de houding van de vrouw en de lange periode van onduidelijkheid heeft de man een aanvullend verzoek ingediend waarbij hij verzoekt te bepalen dat de woning wordt verkocht aan een derde en de opbrengsten tussen partijen worden verdeeld.

Op de zitting is gebleken dat partijen het nog eens zijn over de taxatiewaarde van € 1.425.000,- en dat de man de vrouw de kans wil geven de woning over te nemen. Partijen verschillen echter van mening over de termijn waarbinnen de vrouw de woning moet overnemen. Enerzijds zijn partijen sinds november 2024 feitelijk uit elkaar en is de man al geruime tijd aan het wachten op de vrouw om naar haar eigen wens te handelen. De vrouw had eerder stappen kunnen ondernemen om meer duidelijkheid te verschaffen over haar mogelijkheden tot het overnemen van de woning. Anderzijds is het ook denkbaar dat de vrouw de echtscheidingsbeschikking nodig heeft om financiële duidelijkheid te krijgen alvorens zij het een en ander kan regelen, mogelijk met financiële bijstand van haar familie om tot overname van de woning te komen.

Nu de man inmiddels een nieuwe woning heeft betrokken acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw nog vier maanden de tijd krijgt om de man uit te kopen en hem te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid terzake de hypothecaire geldleningen. De rechtbank zal bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld onder de voorwaarden die de rechtbank in een spoorboekje in het dictum zal opnemen. Indien het de vrouw niet lukt om binnen vier maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de woning over te nemen zal de woning moeten worden verkocht en geleverd aan een derde. De rechtbank zal in het spoorboekje de makelaar opnemen die ook de taxatie van partijen heeft uitgevoerd. De rechtbank wijst het door partijen meer of anders verzochte af.

Investering in de woning

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling een verzoek gedaan om te bepalen dat zij een vergoedingsrecht heeft vanwege een investering in de echtelijke woning van € 86.000,- (naar rato van waardestijging). De vrouw zou deze investering hebben gedaan met geld dat zij uit een erfenis heeft ontvangen. De rechtbank constateert dat het verzoek pas op de zitting is gedaan en dus te laat en daarmee in strijd met de goede procesorde is ingediend. Daarom laat de rechtbank dit verzoek buiten beschouwing. Dit daargelaten dat het verzoek ook niet voor toewijzing vatbaar zou zijn nu de vrouw niet heeft aangetoond dat zij met gelden uit een erfenis heeft geïnvesteerd in de woning.

Verzoek duidelijkheid verschaffen over hypotheek

Volgens de vrouw hebben partijen een gezamenlijke hypotheek afgesloten op 1 november 2021 van € 201.726,21 en op 21 oktober 2022 van € 9.133,42. Van deze geleende bedragen was volgens de vrouw eind 2024 nog € 55.800,- traceerbaar aanwezig op een bankrekening en dit bedrag is toen bij helfte tussen partijen verdeeld. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man duidelijkheid over de besteding van het resterende bedrag van € 144.200,- dient te verschaffen nu de vrouw zich niet kan voorstellen wat met resterende bedrag is gebeurd. Zij vindt dat de man dat moet uitleggen.

De man heeft in de stukken opgesomd welke uitgaven vanuit de geleende bedragen zijn gedaan en heeft op de zitting desgevraagd nader toegelicht dat het resterende deel van deze hypothecaire geldleningen aan de echtelijke woning en het gezin is besteed en dat deze betalingen van de gezamenlijke rekening zijn gedaan.

De rechtbank stelt voorop dat dat partijen gezamenlijk een hypotheek hebben afgesloten en daar gezamenlijk verantwoordelijk voor zijn. De uitgaven waren voor beide partijen inzichtelijk omdat deze via de gezamenlijke bankrekening hebben plaatsgevonden. De man heeft in antwoord op het verzoek van de vrouw een toelichting gegeven waar het bedrag aan op is gegaan. De vrouw heeft hier niets concreets tegenover gesteld. Los daarvan ziet de rechtbank geen rechtsgrond voor toewijzing van het verzoek van de vrouw. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.

Schulden

De man verzoekt te bepalen dat dat de vrouw draagplichtig is voor de helft van de aanslagen IB 2023 en 2024 en 2025 tot de datum waarop partijen geen fiscale partners meer zijn en dat de man gerechtigd is om het (eventueel) door hem betaalde deel van de vrouw in die aanslagen te verrekenen met een door de man aan de vrouw te betalen bedrag. De man heeft ter zitting aanvullend naar voren gebracht at het gezin jarenlang heeft genoten van het box 3 inkomen zodat de vrouw nu ook draagplichtig is voor de helft van de volledige aanslag.

De vrouw verweert zich en voert aan dat dit strijd oplevert met de redelijkheid en billijkheid nu de panden van de man ook op zijn IB aangiftes voorkomen en de man heeft aangevoerd dat de huurinkomsten altijd op een aparte rekening zijn ontvangen.

In de huwelijkse voorwaarden staat weliswaar dat bij echtscheiding zal worden verrekend alsof tussen de partners een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, maar in de huwelijkse voorwaarden zijn uitgezonderd van het te verrekenen vermogen de bezittingen en schulden die aan ieder van de partners bij aanvang van het geregistreerd partnerschap toebehoorde, voor zover deze bezittingen en schulden blijken uit de aan de akte gehechte staat van aanbreng. De man heeft niet onderbouwd waarom de vrouw voor de helft draagplichtig zou zijn voor de belastingaanslagen die deels zien op het privé vermogen van de man in box 3. Dat een fiscale partner mogelijk heeft geprofiteerd van het inkomen en/of vermogen van de andere fiscale partner leidt niet zonder meer tot een draagplicht voor de daarover verschuldigde belasting. De rechtbank kan niet vaststellen welk deel van de aanslagen ziet op inkomen uit de panden. De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom af.

Verzoek kosten huishouding
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan achterstallige bijdrage in de kosten van de huishouding een bedrag van € 9.400,- dient te voldoen aan de vrouw te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van voldoening. Volgens de vrouw hebben partijen afgesproken dat de man een voorlopige bijdrage in de kosten van de huishouding aan de vrouw zou betalen en daarnaast alle vaste lasten van de echtelijke woning zou voldoen en de man moet deze afspraak nakomen.

De man verweert zich en voert aan dat hij de hoge kosten van de echtelijke woning van in totaal € 5.745,86 netto per maand draagt en daarnaast ook zijn eigen woonlasten. De man is van mening dat de vrouw in haar eigen kosten kan voorzien.

Uit de stukken is gebleken dat partijen hebben geprobeerd om tot gezamenlijke afspraken te komen. Partijen hebben dit ook op de zitting erkend. Partijen hadden in beginsel met elkaar afgesproken dat de man een bedrag van € 2.000,- per maand aan de vrouw zou overmaken om haar op weg te helpen. Aan deze afspraak waren volgens de man voorwaarden verbonden. Volgens de vrouw was de afspraak gemaakt voor de periode 1 januari 2025 tot en met 1 juli 2025 en volgens de man was de afspraak gemaakt tot 1 april 2025. Volgens de man heeft de vrouw zich niet aan de voorwaarden van de afspraken gehouden en is de man toen gestopt met betalen.

De rechtbank overweegt als volgt. Nu de man op de zitting heeft erkend dat er afspraken tussen partijen zijn gemaakt en dat de man ook daadwerkelijk betalingen heeft gedaan staat de afspraak tussen partijen vast. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat de afspraak gold voor de periode van januari tot 1 april 2025. De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw als een verzoek tot veroordeling van de man tot nakoming van deze afspraak tussen partijen. De man heeft de door de vrouw gestelde betalingsachterstand niet weersproken. De door de vrouw berekende achterstand ziet evenwel op de periode tot en met juli 2025 in plaats van tot 1 april 2025. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen tot € 1.400,-, met – zoals verzocht – de wettelijke rente daarover vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van voldoening.

Overige verzoeken van de vrouw

Voor zover de vrouw op de zitting overige verzoeken heeft gedaan of er andere verzoeken voortvloeien uit haar pleitnotities zijn deze verzoeken naar het oordeel van de rechtbank te laat ingediend. De man heeft onvoldoende gelegenheid gehad om zich tegen deze verzoeken te verweren. Deze verzoeken zullen dan ook vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten worden.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.



De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum 2] 2017 te [plaats 2] ;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

– [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ,

– [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] ,

– [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] .

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

*

bepaalt dat de minderjarigen bij de man en de vrouw zullen zijn volgens de door hen onderling getroffen regelingen zoals weergegeven in de aangehechte producties 37 en 38 van de man en bepaalt dat deze producties deel uitmaken van deze beschikking;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 848,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden – onder de voorwaarde van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand – het volgende:

de man dient ter verrekening van de waarde van de aandelen een bedrag van € 196.611,75 aan de vrouw te voldoen;

de man en de vrouw dienen de saldi op de volgende bankrekeningen op de peildatum, te weten 23 januari 2025, bij helfte met elkaar te verrekenen:

– Rabobank Rabo TotaalRekening: [rekeningnummer 5] te name van [de man] eo;

– Rabo spaarrekening aan bovenstaande rekening: [rekeningnummer 6] te name van [de man] eo;

– Rabobank Rabo GoldCard Visa – [nummer];

– Rabobank Rabo BedrijfsSpaarRekening: [rekeningnummer 1] [bedrijfsnaam 4];

– Van Lanschot Betaalrekening particulier: [rekeningnummer 7] op naam van de vrouw;

– Rabobank Zakelijke rekening: [rekeningnummer 8] [bedrijfsnaam 4];

– Rabobank Rabo TotaalRekening: [rekeningnummer 9] op naam van de vrouw;

– Rabobank Rabo SpaarRekening: [rekeningnummer 10] op naam van de vrouw;

– Rabobank Rabo DirectRekening: [rekeningnummer 4] (lunch rekening);

– de man dient ten aanzien van de verrekening van de waarde van de (rechten voorvloeiend uit de financial leaseovereenkomst ten aanzien van de) auto, van het merk Volvo met [kenteken], en de per peildatum bestaande financiële verplichtingen voortvloeiend uit het financial lease contract per saldo een bedrag van € 4.946,54 aan de vrouw te voldoen;

*

stelt de wijze van verdeling van de woning als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] , Zuid-Holland, en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen:

1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) de vrouw krijgt vier maanden de tijd na datum inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand om aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde van € 1.425.000,- kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;

b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;

c) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;

d) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan [makelaarskantoor] te [plaats 1] (Zuid-Holland) een gezamenlijke opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;

c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

*

bepaalt dat de man ter van nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraak over de kosten van de huishouding een bedrag van € 1.400,- aan de vrouw moet voldoen, met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van voldoening;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Emmens, E.D.A. Geleijns en E.E. Kraan, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 april 2026.

Artikel delen