Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:12420

Vovo uitspraak. Geen spoedeisend belang. Verzoeker heeft niet aangetoond dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. De medische situatie van verzoeker kan hierbij geen rol spelen.

Rechtbank Den Haag 2 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:12420
text/xml
public
2026-06-02T12:04:00
2026-05-18
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-04-28
SGR 26/2831
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Voorlopige voorziening
NL
Den Haag
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:12420
text/html
public
2026-06-02T12:03:49
2026-06-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:12420 Rechtbank Den Haag , 28-04-2026 / SGR 26/2831

Vovo uitspraak. Geen spoedeisend belang. Verzoeker heeft niet aangetoond dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. De medische situatie van verzoeker kan hierbij geen rol spelen.


RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/2831

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 april 2026 in de zaak tussen

</p> <p> [verzoeker], uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

( [gemachtigde] ).

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

1.2.

Verweerder heeft verzoekers aanvraag met het besluit van 27 maart 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

3. Verzoeker voert hierover aan dat hij geen inkomen heeft, dat hij terminaal is en dat hij binnen afzienbare termijn kan komen te overlijden. Hieruit volgt dat het spoedeisend belang evident is. Hij heeft zich per 28 mei 2025 ziekgemeld bij verweerder en een aanvraag ingediend om een vervroegde WIA-uitkering.

4. In het verweerschrift geeft verweerder aan dat geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat niet is gebleken dat verzoeker bij de gemeente een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en hij niet heeft onderbouwd met stukken dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verder geeft verweerder aan dat hij een normale WIA-uitkering heeft aangevraagd en niet een WIA-uitkering met verkorte wachttijd. Ook blijkt uit Suwinet dat verzoeker sinds september 2024 geen dienstverband meer heeft gehad en dat het voor verweerder daarom niet duidelijk is of hij wel verzekerd is voor de werknemersverzekeringen.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen enkel spoedeisend belang is. Verzoeker heeft enkel gesteld dat hij geen inkomen heeft, maar hij heeft niet aangetoond dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Voor het aannemen van een spoedeisend belang gaat het om de financiële situatie. De medische situatie van verzoeker kan daarbij geen rol spelen. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat hij wel oog heeft voor de medische situatie van verzoeker. De voorzieningenrechter geeft verweerder daarom mee om zo spoedig mogelijk een beslissing op bezwaar te nemen omdat sprake is van een schrijnend geval.

6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen