Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:13187

Dublin Slovenië. Visumvertegenwoordiging. De minister is in de besluitvorming ten onrechte niet ingegaan op hetgeen eiser over de verkrijging van zijn visum naar voren heeft gebracht namelijk dat dit visum namens Nederland is verstrekt door de Sloveense autoriteiten. Op het visum is vermeld R/NLD. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening leidend en k...

Rechtbank Den Haag 29 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:13187
text/xml
public
2026-05-29T18:00:22
2026-05-22
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-05-22
NL26.19878
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Zwolle
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13187
text/html
public
2026-05-22T16:39:05
2026-05-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:13187 Rechtbank Den Haag , 22-05-2026 / NL26.19878

Dublin Slovenië. Visumvertegenwoordiging. De minister is in de besluitvorming ten onrechte niet ingegaan op hetgeen eiser over de verkrijging van zijn visum naar voren heeft gebracht namelijk dat dit visum namens Nederland is verstrekt door de Sloveense autoriteiten. Op het visum is vermeld R/NLD. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening leidend en kan een claimakkoord dan wel EU-vis registratie niet afdoen aan een visum waarvan de echtheid niet in geschil is. De minister had moeten uitgaan van de geldigheid van het namens de Nederlandse autoriteiten verstrekte visum. Gelet op artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening is Nederland dus verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.


RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.19878

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

</p> <p> [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),

en



(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening geregistreerd onder kenmerk NL26.19879, op 19 mei 2026 op zitting behandeld. op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G. Dogruyol als tolk en de gemachtigde van de minister.

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank komt tot het oordeel dat Nederland, gelet op artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Slovenië een verzoek om overname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek aanvaard.
Ten aanzien van de zienswijze

5. Eiser voert aan dat hij tijdig een zienswijze heeft geüpload in de digitale omgeving van de IND en dat deze ten onrechte niet is betrokken bij de besluitvorming.

6. De rechtbank overweegt dat niet vast is komen te staan dat de zienswijze daadwerkelijk tijdig en op de juiste wijze is geüpload. Alleen daarom al kan de beroepsgrond niet slagen. De rechtbank ziet overigens ook niet dat eiser in zijn belangen is geschaad nu eiser zijn standpunt alsnog in beroep naar voren heeft gebracht.

Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?

Wat is het standpunt van eiser?

6.1.

Eiser voert aan dat in de besluitvorming ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen hij tijdens het aanmeldgehoor naar voren heeft gebracht over het aan hem verleende visum. Eiser stelt namelijk dat uit het Schengenvisum duidelijk blijkt dat deze namens Nederland is verstrekt door de Sloveense autoriteiten. Eiser woonde ten tijde van zijn visumaanvraag in Montenegro en het visum is afgegeven in Podgorica, zoals ook op het visum staat vermeld. Op de website van de Sloveense ambassade te Podgorica staat vermeld dat de Sloveense ambassade in Slovenië ook Nederland vertegenwoordigt bij het aanvragen en verstrekken van Schengenvisa vanuit Montenegro. Op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland, staat eveneens aangegeven dat dit aangevraagd moet/kan worden bij de ambassade van Slovenië. Voorts blijkt uit het visum zelf dat Slovenië namens Nederland het visum heeft verstrekt. Eiser voert verder aan dat de Sloveense autoriteiten niet op de hoogte zijn gesteld van deze omstandigheden ten tijde van het claimverzoek. De minister kan volgens eiser niet zonder nader onderzoek stellen dat het in dit geval niet gaat om een namens Nederland verstrekt visum. Eiser wijst hierbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 28 juni 2023.

6.2.

Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat, indien uitgegaan moet worden van een Sloveens visum verstrekt door de Sloveense autoriteiten, Nederland alsnog verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag omdat eiser de intentie had om een Nederlands Schengenvisum aan te vragen met als doel om naar Nederland te reizen.

Wat is het standpunt van de minister?

7. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uitgegaan mag worden van de EU-vis registratie, waaruit volgt dat eiser een visum voor Slovenië heeft gekregen, en van het claimakkoord waaruit de verantwoordelijkheid van Slovenië naar voren komt.

Relevante regelgeving

Artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening luidt als volgt:

“2. Wanneer de verzoeker houder is van een geldig visum, is de lidstaat die dit visum heeft afgegeven, verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, tenzij dit visum namens een andere lidstaat is afgegeven op grond van een vertegenwoordigingsregeling als bedoeld in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode. In dat geval is de vertegenwoordigde lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.”

Wat is het oordeel van de rechtbank?

8. De rechtbank is allereerst van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen door in het geheel niet in te gaan op de door eiser tijdens het aanmeldgehoor naar voren gebrachte informatie over het visum. Zo heeft eiser verklaard dat hij een aanvraag voor een Nederlands Schengenvisum heeft ingediend, en dat uit het aan hem afgegeven visum ook blijkt dat Nederland daarop vermeld staat. Eiser heeft toegelicht dat Nederland Slovenië heeft gemachtigd om namens Nederland een visum te verstrekken.

8.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in dit geval niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat eisers verklaringen over de wijze waarop hij het visum heeft verkregen overeenkomen met de informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de website van de Sloveense ambassade te Podgorica waar staat dat de Sloveense ambassade in Podgorica ook verantwoordelijk is voor het verwerken van visumaanvragen voor Nederland. De minister heeft dit ook niet weersproken. De rechtbank is van oordeel dat artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening in dit geval leidend is. Ter zitting is gebleken dat de minister doorslaggevend belang heeft toegekend aan de registratie in EU-vis maar desgevraagd niet kon aangeven of er een wettelijke grondslag bestaat waaruit volgt dat aan een dergelijke registratie voorrang moet worden verleend boven een daadwerkelijk verleend document als een visum waaruit blijkt dat het namens Nederland is verstrekt.

8.2.

De minister heeft aan zijn besluit ook ten grondslag gelegd dat op 2 februari 2026 een overnameverzoek is gedaan aan de Sloveense autoriteiten en dat die autoriteiten op 23 februari 2026 dat verzoek hebben geaccepteerd. In dat overnameverzoek heeft de minister erop gewezen dat uit de EU-Vis registratie blijkt dat de Sloveense autoriteiten het visum aan eiser hebben verleend en daarvoor verwezen naar de bijgevoegde documenten waaronder een uitdraai uit de EU-Vis-registratie en verder een foto van het visum van eiser. De minister stelt zich op het standpunt dat als het visum namens Nederland is verstrekt de Sloveense autoriteiten het overnameverzoek zouden hebben geweigerd.

Ter zitting is de minister gevraagd of hij nog nader onderzoek heeft gedaan naar de tegenstrijdigheid die bestaat tussen enerzijds de informatie op het het visum en anderzijds de informatie die blijkt uit de EU-Vis-registratie en de acceptatie van het overname-verzoek door de Sloveense autoriteiten. De minister heeft daarop geantwoord dat daar geen nader onderzoek naar is gedaan.

De rechtbank staat voor de vraag of dit gebrek zou moeten leiden tot een opdracht aan de minister om alsnog dat nadere onderzoek te doen dan wel te oordelen dat uit moet worden gegaan van de informatie zoals die blijkt uit het afgegeven visum.

De rechtbank is van oordeel dat uit moet worden gegaan van de informatie die is vermeld op het visum.

Op het visum is vermeld R/NLD. De minister heeft erkend dat daaruit blijkt dat het visum is afgegeven door (in dit geval) de Sloveense autoriteiten namens de Nederlandse autoriteiten. Niet is weersproken dat de Sloveense autoriteiten daartoe bevoegd waren. Voorts staat de echtheid van het visum niet ter discussie. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister had moeten uitgaan van de geldigheid van het visum. Dat betekent dat de minister ervan uit heeft moeten gaan dat het visum namens de Nederlandse autoriteiten is verstrekt en dat daarmee de Nederlandse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Dat volgt immers uit artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.

8.3.

Dat de registratie in het EU-Vis-systeem een ander beeld laat zien kan niet afdoen aan de geldigheid van het verstrekte document. EU-Vis is namelijk niet meer dan een registratie, waarvan weliswaar in beginsel uit moet kunnen worden gegaan, maar dat de geldigheid van een officieel document zoals het verleende visum niet terzijde kan schuiven. Een registratie kan aldus niet leidend zijn boven een officieel document. De rechtbank gaat ook voorbij aan de acceptatie van het overnameverzoek door de Sloveense autoriteiten omdat voor het doen van het overname-verzoek van meet af aan geen aanleiding heeft bestaan. Als de minister meteen had onderkend dat het visum namens de Nederlandse autoriteiten was verstrekt was het verzoek nimmer aan de Sloveense autoriteiten gedaan. Daarbij komt nog dat de minister in het overnameverzoek niet expliciet erop heeft gewezen dat uit het visum blijkt dat dit namens de Nederlandse autoriteiten is verstrekt. Dat het overname-verzoek is vergezeld van een foto van dat visum maakt dat niet anders.

9. Het beroep is gegrond en de minister had uit moeten gaan van de geldigheid van het namens de Nederlandse autoriteiten verstrekte visum. Gelet op artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening is Nederland dus verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister alsnog de asielaanvraag van eiser moet behandelen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

9.1.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt het bestreden besluit van 9 april 2026;

– bepaalt dat de minister de asielaanvraag van eiser in behandeling neemt;

– veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

ECLI:NL:RBDHA:2023:10213.

Rapport Aanmeldgehoor Dublin, p. 5.

Artikel delen