Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:13877

Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b. Recht op rechtsbijstand niet geschonden. EU-burger, verblijfsrecht beëindigd.

Rechtbank Den Haag 3 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:13877
text/xml
public
2026-06-03T18:00:26
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-05-27
NL26.24878
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Zwolle
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13877
text/html
public
2026-05-28T10:48:54
2026-06-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:13877 Rechtbank Den Haag , 27-05-2026 / NL26.24878

Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b. Recht op rechtsbijstand niet geschonden.

EU-burger, verblijfsrecht beëindigd.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.24878

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. J.G. Wiebes,

en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: [gemachtigde].

Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 13 mei 2026. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen S. Kruszynski. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Omdat gemachtigde van eiser kort voor de zitting heeft gemeld vanwege een spoedgeval niet aanwezig te kunnen zijn, heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en de behandeling van het beroep aangehouden.

De minister heeft op 18 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 21 mei 2026. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.

De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3.1

Ter zitting heeft de minister de zware grond 3i laten vallen.

4. Eiser stelt dat het recht op rechtsbijstand is geschonden omdat de piketadvocaat niet op de hoogte is gesteld van de aanvang van het gehoor.

4.1

De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank overweegt als volgt. Het recht op rechtsbijstand is neergelegd in artikel 100 van de Vw 2000, artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en in paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. In laatstgenoemde paragraaf is bepaald dat het gehoor mag worden aangevangen zonder aanwezigheid van een advocaat indien de vreemdeling geen advocaat wenst, of indien binnen twee uur na verzending van de piketmelding de advocaat niet aanwezig is. Uit het proces-verbaal van gehoor (M110) van 23 april 2026 blijkt dat eiser in de Poolse taal is medegedeeld dat hij zich bij het gehoor van de inbewaringstelling kosteloos kon doen bijstaan door een raadsman. Eiser verklaarde daarop geen advocaat bij het gehoor te willen, waarna de advocatenpiketdienst alsnog is ingelicht. Vervolgens staat in het gehoor genoteerd dat het niet is gelukt contact met de piketadvocaat te krijgen, dat men twee uur verder is en dat men intussen kan beginnen met het gehoor, waarop eiser antwoordt dat dat goed is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eisers recht op rechtsbijstand niet is geschonden. Dat de raadsman, zoals ter zitting bepleit, tevergeefs contact heeft gezocht met de vreemdelingenpolitie doet er niet aan af aan dat eiser heeft verklaard zonder bijstand van een advocaat het gehoor te willen beginnen. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser betwist de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden.

5.1

De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Eiser heeft zelf verklaard dat hij geen paspoort heeft en zonder reisdocumenten de grenzen tussen Polen en Nederland heeft overschreden. Eiser is op 20 maart 2026 uitgezet naar Polen en op 1 april 2026 wordt hij alweer zwervend en overlast plegend aangetroffen op straat. Deze gronden zijn reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd hoeft geen bespreking.

6. Eiser voert aan dat hij op grond van het Unierecht als Poolse onderdaan het recht heeft om in Nederland te verblijven en te werken.

6.1

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021 volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen. De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 11 december 2025. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser op 20 maart 2026 gedwongen is uitgezet, maar op 1 april 2026 weer in aanraking is gekomen met de politie in Nederland. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat uit het proces-verbaal van verhoor van 23 april 2026 en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser nog altijd in Nederland wil verblijven en werken. Gelet hierop en omdat de periode van verblijf van eiser buiten Nederland heel kort is geweest, heeft de minister mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Ten slotte stelt eiser dat de minister met een lichter middel in de vorm van een meldplicht had kunnen volstaan.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dit temeer nu eiser geen gehoor heeft gegeven aan zijn vertrekplicht. Eiser is sinds de oplegging van het verwijderings-besluit van 11 december 2025 eerder uitgezet en is weer in Nederland aangetroffen. Daarbij heeft eiser verklaard niet terug te willen keren naar Polen. Daarom had de minister geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel dan de inbewaringstelling toe te passen.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig was.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank:

– verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van

H.B. Slot-Akkerman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

ECLI:EU:C:2021:506, FS tegen Nederland.

ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2026:148.

Artikel delen