Jeugdstrafrecht. Ontploffing teweegbrengen door explosief voor woning tot ontploffing te brengen, waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was (art. 47, 157 Sr).
ECLI:NL:RBDHA:2026:18907
text/xml
public
2026-07-24T08:56:00
2026-07-09
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-09
09-313945-25
Uitspraak
Eerste aanleg – meervoudig
Op tegenspraak
NL
Den Haag
Strafrecht; Materieel strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18907
text/html
public
2026-07-24T08:53:42
2026-07-24
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:18907 Rechtbank Den Haag , 09-07-2026 / 09-313945-25
Jeugdstrafrecht. Ontploffing teweegbrengen door explosief voor woning tot ontploffing te brengen, waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was (art. 47, 157 Sr).
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-313945-25
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats],
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1], [woonplaats],
De officier van justitie in deze zaak is mr. P.T. Verweijen en de raadsman van de verdachte is mr. P.B. Spaargaren te ‘s-Gravenhage. De verdachte is op de terechtzittingen verschenen.
De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte op 20 november 2025, samen met anderen, in [plaats] opzettelijk een ontploffing heeft teweeggebracht.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat partieel vrijspraak moet volgen voor het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het te duchten levensgevaar voor de aanwezige personen in de getroffen woning, de in naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige personen en passerende voetgangers en het te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander/anderen.
Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsman zal hierna – voor zover relevant – nader
worden ingegaan.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel
359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze
bewezenverklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft
de raadsman geen (volledige) vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking
tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal van het onderzoek ZUIDHOEK / DH6R025081 van de politie eenheid Den Haag, district Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 360 en laatste aanvulling dossier pagina 1 t/m 95).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 25 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 november 2025 (p. 94-136);
3. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ([adres 2] te [plaats]), opgemaakt op 26 november 2025 (p. 1-50);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 januari 2026 (p. 284-309).
3.4
Bewijsoverwegingen
Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de inhoud van de overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte op 20 november 2025, tezamen en in vereniging met anderen, een ontploffing aan de [adres 2] in [plaats] heeft teweeggebracht.
Door de verdediging is bepleit dat een partiële vrijspraak moet volgen van het onderdeel in de tenlastelegging dat als gevolg van de teweeggebrachte ontploffing levensgevaar voor de aanwezige personen in de getroffen woning, de in naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige personen en passerende voetgangers en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander/anderen te duchten was.
Om de vraag te beantwoorden of van de ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, moet de rechtbank beoordelen of uit de
bewijsmiddelen blijkt dat op het moment van het teweegbrengen van de ontploffing een
dergelijk gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de ontploffing teweeg is gebracht met een Cobra. Uit het forensisch onderzoek blijkt echter dat de schade die door de ontploffing is ontstaan aan de woning en de aangrenzende woning te groot is om te zijn veroorzaakt door slechts één enkele Cobra. Het vermoeden is dat er sprake was van een zogenoemd IED (improvised explosive device), bestaande uit een plastic zakje met daarin flitspoeder dat aan de Cobra was bevestigd. Door de explosieve werking kan de verpakking van een dergelijke IED vergaan en derhalve (zoals ook in dit geval) niet teruggevonden worden. Voor de woning is echter wel een stuk bruin papier gevonden, dat lijkt op de afdeklaag van dubbelzijdig tape. Hierop zat grijs residu, dat passend is bij de uiterlijke kenmerken van flitspoeder. Verder is op het trottoir een ronde blauwe dop gevonden, die past bij de uiterlijke kenmerken van een stuk vuurwerk genaamd ‘Cobra’. Dat er sprake is geweest van een explosie met grote kracht is af te leiden uit de enorme schade die aan de woning en de aangrenzende woning is ontstaan. Zo zijn de voordeur en deuren in de woning uit de sponningen geblazen en zijn delen van de voordeur door de kracht van de explosie door de binnendeur heen geblazen. Verder zijn ongeveer alle ruiten op de eerste verdieping gesneuveld en in de gehele woning lagen scherven en resten puin. Tot slot volgt uit het dossier dat er ten tijde van de ontploffing een merkwaardig grote piek is waargenomen op een trillingsmeter, die in de omgeving was opgehangen in verband met bouwwerkzaamheden. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de ontploffing niet ‘slechts’ teweeggebracht is door één enkele Cobra, maar dat er gebruik is gemaakt van een (veel) zwaarder explosief.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of hiervan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was en, indien dat het geval is, voor wie. De rechtbank is van oordeel dat voor de bewoners van de getroffen woning van de ontploffing levensgevaar te duchten was. Naar algemene ervaringsregels is het aannemelijk dat er midden in de nacht personen in de woning aanwezig waren. Ten tijde van de ontploffing waren de bewoners ook daadwerkelijk thuis en lagen zij te slapen, waarbij één van de bewoners in de slaapkamer aan de voorzijde van de woning lag. Uit het dossier blijkt dat ook de ruiten van het raam van deze slaapkamer zijn gesneuveld en dat de scherven hiervan verspreid lagen in deze kamer. Uit het proces-verbaal van forensisch onderzoek en de vakbijlage komt naar voren dat indien één van de bewoners aanwezig was geweest in de keuken, de woonkamer, op de trap of in de hal, deze geraakt had kunnen worden door rondvliegende onderdelen en hierdoor (dodelijk) gewond had kunnen raken. Dat deze kans reëel is geweest, blijkt ook uit de schade in de woning, waarbij onder andere in een weggeblazen binnendeur stukken hout bleken te zitten die afkomstig waren van de voordeur, en die door de kracht van de explosie aan de andere kant door de binnendeur heen staken. Daarnaast had bij de bewoners door de drukgolf gehoorschade kunnen ontstaan.
Bovendien brengt een dusdanige explosie, waarbij gebruik wordt gemaakt van zwaar vuurwerk, in algemene zin het risico met zich mee dat brand ontstaat. Dat dit gevaar niet denkbeeldig was, blijkt onder andere uit het proces-verbaal van forensisch onderzoek, waaruit volgt dat er op het houten kozijn van de voordeur, op de drempel en op het onderste deel van de voordeur roetafzetting is waargenomen. Door het ontstaan van brand in de woning, ontstaat levensgevaar voor de mensen die in die woning aanwezig zijn.
Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat op het moment van de ontploffing voorzienbaar was dat er daardoor levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de getroffen woning zou ontstaan.
Gelet op het feit dat het explosief op enige afstand van de naastgelegen woning tot ontploffing is gebracht en de beperkte schade die aan de naastgelegen woning is ontstaan (schade aan de voordeur en de overkapping), is de rechtbank van oordeel dat van de ontploffing geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van die woning te duchten is. De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Met betrekking tot het gevaar dat voor passerende voetgangers van de ontploffing te duchten was, overweegt de rechtbank dat de ontploffing heeft plaatsgevonden op een doordeweekse dag in een woonwijk in [plaats], rond 01:45 uur in de ochtend. Gelet op het tijdstip van de ontploffing en de locatie, namelijk een rustige woonwijk, is de rechtbank van oordeel dat het niet voorzienbaar was dat er op dat moment voetgangers op straat zouden zijn. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor voetgangers naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar was en zal de verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 20 november 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een brandbaar en explosief materiaal (na)bij de voordeur van een woning gelegen aan de [adres 2] te leggen en dit vervolgens te ontsteken en tot ontploffing te brengen terwijl daarvan- gemeen gevaar voor de voornoemde woning en de in die woning ([adres 2]) aanwezige goederen en de naastgelegen woningen en de in die naastgelegen woningen aanwezige goederen, en- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning ([adres 2]) aanwezige personen te duchten was.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 138 dagen voorwaardelijk op te en als bijzondere voorwaarden zoals door de Raad ter zitting geadviseerd, te weten begeleiding door de jeugdreclassering, begeleiding door een IFA-coach, het hebben van een dagbesteding, een contactverbod met de medeverdachte en inzage geven in zijn social mediagebruik wanneer de jeugdreclassering of IFA-coach dit noodzakelijk vinden.
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis goed heeft gedragen. Het toezicht en de begeleiding vanuit de jeugdreclassering is goed verlopen en er is sprake van een laag recidiverisico. Hoewel de bijzondere voorwaarden die zien op het contact- en locatieverbod met de slachtoffers en het geven van inzage in zijn social mediagebruik naar verwachting niet nodig zullen zijn, is de verdachte bereid om mee te werken aan alle voorwaarden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een ontploffing, waarbij gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar te duchten was. De verdachte is via Snapchat benaderd om een explosief voor een woning tot ontploffing te brengen en is daar vrijwel direct op ingegaan. Een aantal uren nadat hij de opdracht heeft aangenomen, heeft de verdachte het explosief opgehaald en is hij naar [plaats] gegaan. Daar heeft hij het explosief per abuis bij een ander adres dan hij had doorgekregen tot ontploffing gebracht, waardoor sprake is van een zogenoemde ‘vergis-explosie’. Het explosief heeft enorm veel schade veroorzaakt aan de woning waar het explosief tot ontploffing is gebracht. Dat geen van de bewoners is omgekomen dan wel gewond is geraakt is een gelukkige omstandigheid die in het geheel niet aan de verdachte te danken is. Het teweegbrengen van explosies is in zijn algemeenheid een groot en in omvang toenemend maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van angst, onrust en grote onveiligheid in de samenleving in het algemeen en voor de – met grote regelmaat onschuldige en nietsvermoedende – bewoners van de woningen waar een explosief wordt neergelegd in het bijzonder. Dat de ontploffing veel impact heeft gehad op de bewoners van de getroffen woning, volgt uit de vorderingen tot schadevergoeding en de slachtofferverklaring die de advocaat van de slachtoffers ter zitting heeft voorgelezen. Hieruit blijkt dat de slachtoffers zich niet meer veilig voelen in hun woning, angstig zijn en dat één van de bewoners ernstig wordt beperkt in het dagelijks functioneren. De verdachte heeft in zijn handelen een grote mate van impulsiviteit en onnadenkendheid laten zien, waarbij hij snel geld heeft willen verdienen en niet heeft stilgestaan bij de risico’s en de gevolgen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 22 juni 2026,
waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dit heeft
verder geen invloed op de strafoplegging, omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de jeugdreclassering) van 17 juni 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico laag is. Er is sprake van een positieve en stijgende lijn in de ontwikkeling van de verdachte. Zowel de verdachte als zijn ouders werken goed mee met de begeleiding van de jeugdreclassering en het IFA-traject. Hoewel de verdachte soms moeite heeft om zich te focussen op school, heeft hij recentelijk zijn diploma gehaald en wil hij volgend schooljaar starten met een mbo-opleiding Sport en Beweging. In zijn vrije tijd werkt de verdachte in een restaurant en sport hij veel. Met behulp van een IFA-coach heeft de verdachte zich goed ingezet om meer inzicht te krijgen in zijn gedrag. De verdachte heeft veel spijt van zijn gedrag en de gevolgen van zijn handelen drukken nog zwaar op hem. De ouders maken zich zorgen dat de situatie mogelijk een negatieve invloed heeft gehad op het zelfvertrouwen van de verdachte: zo kan hij erg streng zijn voor zichzelf wanneer hij een fout maakt. Dit zal de IFA-coach oppakken in het traject. Ingeval van een bewezenverklaring wordt toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering voor de duur van een jaar geadviseerd.
Ter zitting heeft de deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) naar voren gebracht dat er wegens omstandigheden helaas geen rapport is aangeleverd door de Raad. De verdachte wordt verdacht van een ernstig en heftig feit dat een grote impact heeft gehad op de slachtoffers. Er zijn weinig zorgen over de verdachte: hij werkt goed mee aan de schorsende voorwaarden en de ouders zijn erg betrokken. Geadviseerd wordt om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden is bedoeld als stok achter de deur. Als bijzondere voorwaarden worden geadviseerd begeleiding door de jeugdreclassering, meewerken aan de begeleiding van een IFA-coach, zorgen voor een dagbesteding en inzicht geven in zijn social mediagebruik wanneer de jeugdreclassering of IFA-coach dit noodzakelijk achten. De jeugdreclassering heeft zich bij het advies van de Raad aangesloten.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte het explosief in de nachtelijke uren in een woonwijk tot ontploffing heeft gebracht en dat er sprake is van veel schade. In positieve zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte vanaf het begin een open proceshouding heeft aangenomen, waarbij hij direct heeft bekend en openheid van zaken heeft gegeven. De verdachte heeft veel spijt van hetgeen hij heeft gedaan. Hij heeft een brief verstuurd naar de slachtoffers waarin hij zijn excuses aanbiedt en staat – ook na afronding van de zaak – open voor mediation met de slachtoffers. Daarbij komt dat er sprake is van een positieve ontwikkeling en de verdachte (en zijn ouders) goed meewerken aan de begeleiding van de jeugdreclassering en de overige schorsende voorwaarden. Deze positieve omstandigheden weegt de rechtbank zwaarder mee bij de strafoplegging dan de officier van justitie en zij komt daarmee tot een lagere dan de geëiste straf.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest (van 42 dagen). De resterende 78 dagen zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen en daarbij toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering, begeleiding van een IFA-coach, het hebben van een dagbesteding, inzicht geven in zijn social mediagebruik wanneer de jeugdreclassering of IFA-coach dit noodzakelijk achten en een contactverbod met de slachtoffers opnemen als bijzondere voorwaarden, met een proeftijd van één jaar. Daarnaast vindt de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf passend voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie.
[benadeelde 1], ter terechtzitting bijgestaan door mr. S.M. Diekstra, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van primair € 8.625,- en subsidiair € 6.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
[benadeelde 2], ter terechtzitting bijgestaan door mr. S.M. Diekstra, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 61.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 50.000,- aan materiële schade en primair € 11.500,- en subsidiair
€ 7.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen zoals gevorderd. Daarnaast is betaling van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gevorderd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht het primaire deel van de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair is namens [benadeelde 1] een bedrag van € 6.000,- gevorderd en namens [benadeelde 2] een bedrag van € 7.000,-. Om de aantasting in persoon op andere wijze vast te stellen, wordt voornamelijk gekeken naar de aard en de ernst van de normschending. Aangezien deze voor de benadeelde partijen hetzelfde was, wordt verzocht om hetzelfde bedrag aan immateriële schade toe te wijzen aan beide benadeelde partijen. Voor de hoogte van het bedrag aan immateriële schade wordt verzocht aansluiting te zoeken bij de categorie b van de Rotterdamse Schaal en dus € 5.000,- per benadeelde partij toe te wijzen. Ook wordt verzocht de hoogte van het toegewezen bedrag gelijk te verdelen over de verdachte en de medeverdachte en daarmee af te wijken van het uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Namens benadeelde partij [benadeelde 2] is ten aanzien van de materiële schade een bedrag van € 50.000,- gevorderd wegens inkomensderving, omdat zij als gevolg van de aanhoudende psychische klachten opnieuw dreigt uit te vallen. Het gevorderde bedrag hangt samen met een eventuele procedure bij de burgerlijke rechter dan wel een procedure in hoger beroep. Op het moment van beoordeling is er nog geen sprake van uitval op het werk, is onduidelijk wat de duur en ernst van de mogelijke uitval is en in hoeverre het loon wordt doorbetaald en is onvoldoende duidelijk of de klachten van de benadeelde partij in causaal verband staan met het strafbare feit. Gelet daarop zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
Namens de benadeelde partijen is primair een hoger bedrag aan immateriële schade gevorderd, die samenhangt met een eventuele procedure bij de burgerlijke rechter dan wel een procedure in hoger beroep. Nu op het moment van beoordeling een diagnose door een daartoe bevoegde deskundige nog niet beschikbaar is, staat niet vast of er sprake is van blijvende klachten en wat de eventuele herstelverwachting hiervan is. Gelet daarop zal de rechtbank de benadeelde partijen in dit deel van de vorderingen niet-ontvankelijk verklaren.
Namens [benadeelde 2] is subsidiair een bedrag van € 7.000,- gevorderd en namens [benadeelde 1] is subsidiair een bedrag van € 6.000,- gevorderd.
De grondslag van het subsidiair gevorderde is mede gelegen in de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van een zodanig ernstige normschending dat de nadelige gevolgen ook zonder onderbouwing met concrete gegevens kunnen worden aangenomen. Immers heeft er midden in de nacht een enorme ontploffing plaatsgevonden bij de woning van de benadeelde partijen, waarbij aanzienlijke schade is ontstaan. Uit de toelichting op de vordering en hetgeen namens de benadeelde partijen ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat zij kampen met gevoelens van angst en onveiligheid. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending voor beide benadeelde partijen gelijk is geweest. Hoewel het mogelijk is dat een van de benadeelde partijen meer klachten heeft overgehouden aan de normschending, is dit in de vorderingen niet onderbouwd. Gelet daarop zal de rechtbank voor beide benadeelde partijen hetzelfde bedrag toewijzen. De rechtbank maakt voor de vaststelling van de omvang van de schade gebruik van haar bevoegdheid om deze naar billijkheid vast te stellen. Mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade vaststellen op € 5.000,-. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Geen hoofdelijkheid
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet hoofdelijk toewijzen. Een hoofdelijke veroordeling zal mogelijk complicaties meebrengen waar het gaat om het onderlinge regresrecht tussen de verdachte en de medeverdachte. De rechtbank acht het onwenselijk dat de verdachte onderling met de medeverdachte, met wie hij geen contact wil onderhouden, de betalingen moet regelen. Ook kan het feit dat de strafzaak van de verdachte nu reeds behandeld wordt terwijl onduidelijk is wanneer in de strafzaak van de medeverdachte onherroepelijk zal zijn beslist, ertoe leiden dat de verdachte feitelijk het volledige bedrag betaalt en de medeverdachte op die manier geheel of gedeeltelijk aan het voldoen van een schadevergoeding kan ontkomen. Dat geldt temeer nu de Staat geen onderscheid maakt bij het innen van een dergelijke vordering. De rechtbank zal daarom de vordering voor de verdachte vaststellen en de verdachte veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding per benadeelde partij.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 2.500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 1] en de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag € 2.500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 2].
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (42 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot 78 (ACHTENZEVENTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op een jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding en hulpverlening van IFA-coaching of soortgelijke instelling en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
3. gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen en/of zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en zich zal houden aan het daar geldende rooster, alles in overleg met de jeugdreclassering;
4. inzicht zal geven in zijn social mediagebruik indien de jeugdreclassering
en/of de IFA-coach dit verzoekt;
5. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met
– [benadeelde 1], geboren op [geboortedatum 2] 1978;
– [benadeelde 2], geboren op [geboortedatum 3] 1976;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
– ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
– zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 80 (TACHTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (VEERTIG) DAGEN;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [benadeelde 1], een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 november 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [benadeelde 2], een bedrag van € 2.500,- , bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 november 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter, voorzitter,
mr. E.E. Schotte, kinderrechter,
en mr. M. de Kleine, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt tenlastegelegd dat
hij op of omstreeks 20 november 2025 te [plaats], althans in Nederland, tezamenen in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk eenontploffing teweeg heeft gebracht door (een) brandbaar en/of explosiefvoorwerp/materiaal (na)bij/aan de voordeur van een woning gelegen aan de[adres 2] te leggen/bevestigen en dit (vervolgens) te ontsteken en totontploffing te brengen terwijl daarvan- gemeen gevaar voor de voornoemde woning en de in die woning ([adres 2][adres 2]) aanwezige goederen en de naastgelegen/omringendewoningen/panden en de in die naastgelegen/omringende woningen/pandenaanwezige goederen, en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in die woning([adres 2]) aanwezige personen en/of de in denaastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige personen en/ofpasserende voetgangers, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaarlichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;