Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:19506

Geschil over bemiddeling van zzp'ers. Urenverantwoording. Vordering van bemiddelaar toegewezen.

Rechtbank Den Haag 30 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:19506
text/xml
public
2026-07-30T08:38:20
2026-07-15
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-04-08
C/09/692313
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Den Haag
Civiel recht; Verbintenissenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19506
text/html
public
2026-07-30T08:37:46
2026-07-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:19506 Rechtbank Den Haag , 08-04-2026 / C/09/692313

Geschil over bemiddeling van zzp’ers. Urenverantwoording. Vordering van bemiddelaar toegewezen.

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/692313 / HA ZA 25-856

Vonnis van 8 april 2026

in de zaak van

SRS BEMIDDELING & DIENSTEN B.V. te Bergambacht,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna te noemen: SRS,

advocaat: mr. A.J. Peerboom,

tegen

[partij B]
te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna te noemen: [partij B] ,

advocaat: mr. L.M. Dressel.

<br /> 1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding van SRS van 23 september 2025 met producties 1 t/m 9;

– de conclusie van antwoord van [partij B] van 19 november 2025, met daarin ook een eis in reconventie, met producties 1 t/m 8;

– de conclusie van antwoord in reconventie van SRS van 31 december 2025 met productie 10 t/m 17;

– het tussenvonnis van 10 december 2025;

– de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

<br /> 2De feiten

2.1.

SRS voert een onderneming die zich richt op de bemiddeling van zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) in de bouw. [partij B] drijft een eenmanszaak op het gebied van afbouwwerkzaamheden, waaronder schilderwerk.

2.2.

Begin 2025 heeft [partij B] een opdracht aangenomen van [bedrijfsnaam] B.V. tot het verrichten van schilderwerk aan 111 huizen in Geldermalsen. De opdrachtgever van [bedrijfsnaam] is woningcorporatie Kleurrijk Wonen.

2.3.

Voor de uitvoering van dit werk heeft [partij B] aan SRS verzocht om schilders ter beschikking te stellen. Op 5 februari 2025 hebben partijen daartoe een overeenkomst gesloten, aangeduid als ‘samenwerkingsovereenkomst’. Uit hoofde van deze overeenkomst heeft SRS aan [partij B] vijf schilders (zzp’ers) ter beschikking gesteld voor de periode van 24 maart 2025 tot 1 augustus 2025. De (nadere) details hiervan, waaronder de (bedrijfs)gegevens van de zzp’er, de looptijd van de werkzaamheden en het toepasselijke tarief, hebben partijen vastgelegd in vijf afzonderlijke overeenkomsten, aangeduid als ‘deelovereenkomst inhuur zelfstandige’.

2.4.

Overeengekomen is dat [partij B] aan SRS een vergoeding betaalt voor de door de schilders verrichte werkzaamheden die is gebaseerd op het aantal gewerkte uren vermenigvuldigd met het in de afzonderlijke deelovereenkomsten vastgelegde uurtarief. SRS betaalt de schilders.

2.5.

De door SRS aan [partij B] ter beschikking gestelde schilders hebben vanaf 24 maart 2025 gedurende vier opeenvolgende weken werkzaamheden verricht. In verband daarmee heeft SRS zeven facturen aan [partij B] toegestuurd. De eerste factuur dateert van 2 april 2025 en de laatste van 1 mei 2025. In totaal heeft SRS aan [partij B] € 26.252,00 in rekening gebracht.

2.6.

Na 18 april 2025 heeft [partij B] de inhuur van de schilders via SRS beëindigd. Vervolgens heeft [partij B] de schilderwerkzaamheden voortgezet door tussenkomst van een ander arbeidsbemiddelingsbureau.

2.7.

In een e-mail van 28 april 2025 heeft [partij B] aan SRS gemeld dat SRS 17,5 uur te veel heeft gefactureerd (wat correspondeert met een bedrag € 700,00) en dat hij op het door SRS in rekening gebrachte bedrag een tegenvordering van € 16.800,00 in verrekening wil brengen in verband met kwaliteitsgebreken aan het verrichte schilderwerk.

2.8.

In een document van [bedrijfsnaam] , aangeduid als ‘uitvoeringskeuring’, staat dat [bedrijfsnaam] op 30 april 2025 het tot dan toe verrichte schilderwerk heeft onderzocht. In dit document staat over de bevindingen van [bedrijfsnaam] :

<br /> 4Conclusie

Tijdens deze uitvoeringskeuring is vastgesteld dat de volgende onderdelen/elementen extra aandacht nodig hebben:

– Onbehandelde delen

– Ramen niet open geweest

– Verfsmet op de reeds gesausde gevels

– Schroeien van de verf (veel te snel overgeschilderd te dikke laag)

– Erg veel zakkers in de diverse stijlen en stapelplanken deuren

– Geen reparaties uitgevoerd

– Zeer slecht schilderwerk

– Zeer slecht besnijwerk

De acties die [bedrijfsnaam] hierop gaat uitvoeren zijn:

– Deze (schilders) zijn van het werk gehaald

– Werkzaamheden gaan gerepareerd / opgeknapt en overnieuw geschilderd worden

Door deze keuringen regelmatig tijdens de uitvoering van dit project te verrichten, wil [bedrijfsnaam] tijdig inzicht hebben in de aanwezige afwijkingen binnen de op te leveren prestatie-eisen van de opdrachtgever.

Het doel hiervan is om de uitvoeringskwaliteit tijdig bij te sturen, zodat dit project tijdens de oplevering en aanvangskeuring aan de vastgestelde kwaliteitsnormen van de opdrachtgever voldoet.

2.9.

[partij B] heeft geen van de facturen van SRS betaald.

<br /> 3Het geschil

In conventie

3.1.

SRS vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [partij B] veroordeelt tot betaling van:

a. a) € 26.252,00 (hoofdsom), te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 11 september 2025;

b) € 1.043,53 (wettelijke handelsrente over de hoofdsom tot 11 september 2025), te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 11 september 2025;

c) € 3.937,00 (buitengerechtelijke incassokosten),

een en ander met veroordeling van [partij B] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke handelsrente.

3.2.

SRS legt daaraan het volgende ten grondslag. [partij B] moet conform de samenwerkingsovereenkomst (en de deelovereenkomsten) betalen voor de door de schilders gewerkte uren.

3.3.

[partij B] voert verweer en voert daartoe het volgende aan. SRS heeft pas recht op betaling als het werk deugdelijk is opgeleverd, maar zo ver is het niet gekomen. Haar vordering is dus niet opeisbaar. Verder ontbreekt bij de facturen een toereikende tijdsspecificatie. Daarnaast heeft [partij B] de gefactureerde uren niet geaccordeerd. Ten slotte ziet het ‘leeuwendeel’ van de gefactureerde uren op herstel van gebrekkig werk. Daarvoor hoeft [partij B] niet te betalen. Als er toch enige betalingsverplichting bestaat, dan mag [partij B] de betaling opschorten vanwege tekortkomingen van SRS en de schilders. Bij de selectie van de schilders heeft SRS niet goed getoetst op vakbekwaamheid en de schilders hebben gebrekkig werk verricht. [partij B] heeft dat door andere schilders laten herstellen. De kosten daarvan, in totaal € 16.846,50, is schade waarvoor SRS aansprakelijk is. Als de rechtbank oordeelt dat [partij B] toch nog iets aan SRS moet betalen, wil [partij B] dit schadebedrag daarmee verrekenen.

In reconventie

3.4.

Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [partij B] nog enige betalingsverplichting heeft en zijn beroep op verrekening niet slaagt, vordert [partij B] dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, SRS veroordeelt tot betaling van € 16.846,50, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 19 november 2025.

3.5.

Voor de grondslag van deze vordering verwijst [partij B] naar wat hij in conventie naar voren brengt over de aansprakelijkheid van SRS.

3.6.

SRS voert verweer en voert daartoe het volgende aan. De schilders zijn in overleg met [partij B] geselecteerd en zijn voldoende vakbekwaam. Van gebrekkig schilderwerk is geen sprake. Maar zelfs al zou dat wel zo zijn, is SRS daarvoor niet aansprakelijk. Zij had namelijk alleen de rol van bemiddelaar en was niet verantwoordelijk voor de kwaliteit van het schilderwerk. Bovendien heeft [partij B] voordat hij andere schilders inschakelde, SRS niet eerst correct in gebreke gesteld. Verder blijkt niet dat het door de andere schilders verrichte schilderwerk betrekking heeft op herstel van het eerdere werk van de door SRS bemiddelde schilders. Als de rechtbank het voorgaande passeert, moet de vordering van [partij B] hoe dan ook stranden op een clausule in de samenwerkingsovereenkomst waarin de aansprakelijkheid van SRS is uitgesloten.

3.7.

Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

<br /> 4De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.

De zaken in conventie en reconventie zijn inhoudelijk met elkaar verweven. Op beide fronten komt het namelijk (uiteindelijk) aan op de beoordeling van de door [partij B] gepresenteerde tegenvordering van € 16.846,50 in verband met het door hem gestelde herstel van gebrekkig schilderwerk. In conventie wil [partij B] dit bedrag verrekenen en in reconventie, als het beroep op verrekening als verweer niet slaagt en [partij B] toch iets aan SRS moet betalen, vordert [partij B] eigenstandig betaling van dit bedrag. Vanwege deze samenhang zal de rechtbank de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk bespreken.

4.2.

De rechtbank geeft hierna eerst een beoordeling van de vordering van SRS en wat [partij B] daartegen heeft ingebracht. Daarna volgt een beoordeling van de tegenvordering van [partij B] . Een en ander leidt tot de uitkomst dat de vordering van SRS toewijsbaar is en de tegenvordering van [partij B] niet. Daarom wordt het beroep op verrekening verworpen en is de slotsom dat [partij B] de vordering van SRS moet betalen. De rechtbank licht dat hierna verder toe.

De factuurbedragen en de opeisbaarheid daarvan

4.3.

[partij B] voert allereerst aan dat de vordering van SRS niet opeisbaar is. Dat is de rechtbank niet met hem eens. In artikel 5.2 van de samenwerkingsovereenkomst staat namelijk: “(…) de uren die daadwerkelijk door de Zzp’ers zijn gewerkt in het kader van de Deelovereenkomst dienen door Opdrachtgever [dat is [partij B] , toevoeging van de rechtbank] te worden betaald”. Dat betekent dat de vordering van SRS op [partij B] (telkens) ontstond na verrichte arbeid van de zzp’er. Op grond van de hoofdregel van artikel 6:38 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een vordering onmiddellijk opeisbaar, tenzij een andere tijd voor nakoming is bepaald. In dit geval volgt uit artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst dat SRS voor haar vorderingen facturen zou sturen en in artikel 7.5 van de samenwerkingsovereenkomst is de betalingstermijn daarvan vastgesteld op veertien dagen na de factuurdatum. Zoals SRS terecht stelt, zijn haar vorderingen dus (telkens) op dat moment opeisbaar geworden. De visie van [partij B] dat de opeisbaarheid afhankelijk is van deugdelijke oplevering van het werk, vindt geen steun in de samenwerkingsovereenkomst en/of de afzonderlijke deelovereenkomsten.

4.4.

[partij B] brengt verder naar voren dat de facturen van SRS onvoldoende zijn gespecifieerd om te kunnen dienen als onderbouwing van haar vordering. Daarin geeft de rechtbank hem geen gelijk. Iedere factuur vermeldt de naam van de schilder, het aantal gewerkte uren, het toepasselijke uurtarief en het nummer van de week waarin het werk is verricht. [partij B] heeft niet uitgelegd wat op de facturen meer of duidelijker had moeten gespecificeerd.

Urenbriefjes

4.5.

Dat brengt de rechtbank vervolgens bij het standpunt van [partij B] dat hij de facturen (ook) niet hoeft te betalen omdat hij de daaraan ten grondslag liggende urenbriefjes niet met een handtekening heeft geaccordeerd. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.

4.6.

Uit artikel 7.1 en 7.2 van de samenwerkingsovereenkomst volgt dat SRS aan [partij B] mocht factureren op basis van de wekelijks door de schilders ingevulde en door [partij B] akkoord bevonden tijdverantwoording (urenbriefjes). In artikel 7.2 staat verder: “(…) De accordering vindt plaats via (digitale) ondertekening van de tijdverantwoording, tenzij anders overeengekomen”.

4.7.

Volgens SRS heeft [partij B] de urenbriefjes inderdaad niet fysiek of digitaal getekend, maar heeft hij de gewerkte uren wel op andere wijze, namelijk via WhatsApp, akkoord bevonden. Dat vindt steun in het e-mailbericht van [partij B] aan SRS van 28 april 2025, waarin hij schrijft: “Wij wijzen u erop dat wij NOOIT uren briefjes van SRS hebben ONDERTEKEND wij hebben dit gedaan via WHATSAPP.” Hieruit blijkt inderdaad dat de aan de facturen ten grondslag liggende urenbriefjes bij [partij B] onder ogen zijn gekomen én dat hij deze via WhatsApp heeft goedgekeurd. Dit blijkt verder ook uit de in het geding gebrachte WhatsApp-berichten van [partij B] , waaronder die van 1 april 2025 (“Factuur wordt binnen 14 dagen betaald”), 3 april 2025 (“Die eerste week is akkoord”) en 14 april 2024 (“De uren van vorige week van Miro en die vader keur ik aanstaande vrijdag pas goed mits het werk wat hun hebben gemaakt netjes is afgehandeld. De andere 3 die zijn goedgekeurd”).

4.8.

Voor zover [partij B] betoogt dat een akkoord via WhatsApp niet volstond en SRS alleen mocht factureren op basis van door hem ondertekende urenbriefjes, gaat dat betoog niet op. De laatste zinsnede van artikel 7.2 van de samenwerkingsovereenkomst (“tenzij anders overeengekomen”) geeft juist uitdrukkelijk ruimte om met wederzijds goedvinden een andere werkwijze te hanteren dan (digitale) ondertekening. Kennelijk hebben partijen er in de praktijk voor gekozen om de tijdverantwoording en de accordering daarvan via WhatsApp te doen.

4.9.

Overigens is dit standpunt van [partij B] ook niet verenigbaar met wat er verder is geregeld in artikel 7.2 t/m 7.4 en artikel 8.2 van de samenwerkingsovereenkomst. Daaruit volgt namelijk (i) dat [partij B] zelf op wekelijkse basis verantwoordelijk was voor “de juiste” en “tijdige accordering van tijdverantwoording” van de schilders, (ii) dat SRS bij de facturatie mocht uitgaan van de juistheid van de door de schilders opgegeven uren, (iii) dat, als [partij B] de tijdverantwoording niet tijdig (wekelijks) accordeerde, SRS de te factureren uren eenzijdig bindend mocht vaststellen en ten slotte (iv) dat een eventuele betwisting van een factuur – op straffe van verval van het recht daartoe – binnen acht dagen na de factuurdatum kenbaar moest worden gemaakt (wat [partij B] niet heeft gedaan). Een en ander brengt mee dat, zelfs al zouden er gebreken kleven aan de urenbriefjes en/of de inrichting van de facturen, de facturen inmiddels bindend zijn en dat [partij B] die hoe dan ook moet betalen.

4.10.

Tegen deze achtergrond strandt ook de discussie die [partij B] in zijn e-mailbericht van 28 april 2025 heeft opgeworpen over 17,5 uur die volgens hem te veel is gefactureerd. [partij B] schrijft in dit e-mailbericht namelijk dat deze klacht betrekking heeft op het tijdvak tot 1 april 2025 (de eerste werkweek van de schilders) en hij heeft dit kennelijk pas op 28 april 2025 bij SRS aan de orde gesteld. Toen waren al meer dan acht dagen verstreken na de factuurdatum en op dat moment was het recht om de factuur te betwisten dus reeds vervallen (artikel 8.2 van de samenwerkingsovereenkomst).

Herstelwerk

4.11.

[partij B] voert verder aan dat de gefactureerde uren in overwegende mate (“het leeuwendeel”) betrekking hebben op het herstel van eerdere, eigen tekortkomingen van de schilders. SRS heeft dat weersproken. Als waar is wat [partij B] stelt, zou dat naar het oordeel van de rechtbank mogelijk inderdaad een gegronde reden kunnen zijn om die uren niet te betalen, maar dan zou [partij B] op z’n minst duidelijk moeten maken (i) over welke schilders het gaat, (ii) welk schilderwerk niet voldeed en (iii) welke gefactureerde uren concreet betrekking hebben op het herstel van bedoeld schilderwerk. Deze toelichting heeft [partij B] niet gegeven. De enkele verwijzing naar wat [partij B] noemt ‘het leeuwendeel’ is in elk geval onvoldoende specifiek. En dat betekent dat dit verweer moet worden gepasseerd.

Tussenconclusie

4.12.

SRS heeft recht op betaling van haar vordering. [partij B] heeft tot zover geen gegronde redenen om niet te betalen.

De tegenvordering van [partij B]

4.13.

Dat brengt de rechtbank bij de tegenvordering van [partij B] . Uit de bevindingen van [bedrijfsnaam] zoals hiervoor weergegeven in punt 2.8 blijkt inderdaad dat, zoals [partij B] stelt, de kwaliteit van het tot dan toe verrichte schilderwerk op onderdelen ondermaats was. De rechtbank begrijpt ook dat [partij B] , zoals hij op de mondelinge behandeling heeft toegelicht, verantwoordelijkheid – en ook commerciële druk – heeft ervaren om [bedrijfsnaam] tevreden te stellen. Het was naar zijn eigen zeggen de eerste keer dat hij zo’n groot project voor [bedrijfsnaam] verrichtte. En volgens [partij B] dreigde [bedrijfsnaam] de samenwerking definitief te beëindigen. Het is begrijpelijk dat [partij B] dat wilde voorkomen. In de contractuele verhouding met SRS heeft [partij B] echter om meerdere redenen geen grondslag om de door hem opgevoerde kosten op SRS te verhalen. Dat wordt hierna toegelicht.

4.14.

[partij B] vordert betaling van een schadevergoeding. Voor toewijzing daarvan moet vast staan (i) dat SRS is tekortgeschoten in de nakoming van een verplichting, (ii) dat [partij B] schade heeft geleden en (iii) dat deze schade in een causaal verband staat tot de tekortkoming van SRS. Ten slotte (iv) is vereist dat SRS door middel van een ingebrekestelling de kans heeft gekregen om de gestelde tekortkoming weg te nemen (artikel 6:74 en 6:82 BW). Aan geen van deze vereisten is voldaan.

4.15.

Allereerst heeft SRS onbetwist aangevoerd dat haar taak/verplichting uitsluitend bestond uit de werving en selectie van de schilders en de financiële afwikkeling van hun inhuur door [partij B] . Bij de uitvoering van het schilderwerk had SRS geen betrokkenheid. Het was [partij B] zelf die op het project aanwezig was en aanwijzingen mocht geven over het resultaat van de werkzaamheden (artikel 2.4 van de samenwerkingsovereenkomst). Dit viel buiten het gezichtsveld en verantwoordelijkheid van SRS. En dat betekent dat, anders dan [partij B] aanvoert, een eventuele tekortkoming van de schilders niet één op één aan SRS kan worden toegerekend. Een gebrek in het schilderwerk is met andere worden niet automatisch een tekortkoming van SRS.

4.16.

Mogelijk had [partij B] SRS wel kunnen aanspreken op haar verantwoordelijkheid bij de selectie van de schilders op basis van vakbekwaamheid. Maar dan had hij, zoals SRS terecht heeft aangevoerd, SRS wel op correcte wijze in gebreke moeten stellen, en dus haar de kans moeten geven andere schilders naar voren te brengen. En dat heeft [partij B] niet gedaan. Weliswaar zijn er WhatsApp-berichten waarin [partij B] onvrede uitte over enkele schilders, maar een uitgesproken wens om met andere schilders verder te gaan valt daar niet uit af te leiden. Op 25 maart 2025 schreef hij: “Maar als de ene helft goed presteert en de andere helft niet dan wordt het werk vertraagd dus moeten gewoon ff filteren. Komt goed, wanneer kun je naar de Griek?” Op 7 april 2025 schreef hij: “Ben echt tevreden met Harry en zijn ploeg”. Al met al heeft [partij B] er kennelijk zelf voor gekozen om met (een deel van) de oorspronkelijke ploeg verder te gaan.

4.17.

Vervolgens, eind april 2025, heeft [partij B] de schilders onaangekondigd naar huis gestuurd en de samenwerking met SRS beëindigd. Naar eigen zeggen was dat naar aanleiding van de kritiek van [bedrijfsnaam] , maar op dat moment was er nog voldoende tijd om, eventueel met andere schilders via SRS, het project voort te zetten en af te ronden (de einddatum was in de deelovereenkomsten pas voorzien op 1 augustus 2025). Ook op de mondelinge behandeling heeft [partij B] gezegd dat [bedrijfsnaam] hem nog tijd gaf voor herstelwerkzaamheden. Dat betekent dat [partij B] geen grondslag had om de samenwerking onmiddellijk te beëindigen maar SRS eerst door middel van een ingebrekestelling een termijn had moeten geven om eventuele tekortschietende schilders te vervangen door meer vakbekwame schilders (artikel 6:81 en 6:82 BW). Dat heeft [partij B] niet gedaan. Naar eigen zeggen heeft hij de klachten vóór eind april 2025 wel rechtstreeks bij de schilders kenbaar gemaakt, maar dat geldt niet als ingebrekestelling richting SRS. Onder deze omstandigheden heeft SRS niet in verzuim kunnen raken. En zonder verzuim is er ook geen grond voor aansprakelijkheid en schadeplichtigheid.

4.18.

Daarnaast, en nog los van het voorgaande, heeft SRS er terecht op gewezen dat de opgevoerde herstelkosten niet als vergoeding voor door haar veroorzaakte schade in aanmerking komen omdat zij, zoals hiervoor toegelicht, niet direct verantwoordelijk was voor de kwaliteit van het schilderwerk. Bovendien heeft [partij B] , in het licht van de betwisting door SRS, onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de later ingezette schilders daadwerkelijk uitsluitend bezig zijn geweest met het herstellen van gebrekkig schilderwerk. Uit de overgelegde facturen valt dat niet af te leiden.

4.19.

Ten slotte staat ook, zoals SRS terecht heeft aangevoerd, de exenoratiebepaling in artikel 10.1 van de samenwerkingsovereenkomst aan de schadevordering in de weg. Uit die bepaling volgt namelijk (onweersproken) dat de aansprakelijkheid van SRS voor alle denkbare schade als gevolg van tekortschietend schilderwerk is uitgesloten. Anders dan de advocaat van [partij B] heeft bepleit, is een beroep op een dergelijke uitsluiting van aansprakelijkheid in overeenkomsten tussen, zoals in dit geval, twee zakelijke partijen op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet zonder meer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, ook niet als de exoneratiebepaling raakt aan de kern van de verplichting/verbintenis van de aansprakelijke partij (HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6913, HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:153).

Slotsom

4.20.

Al met al wordt de vordering van SRS (€ 26.252,00) toegewezen.

4.21.

De daarover gevorderde wettelijke handelsrente tot 11 september 2025 (€ 1.043,53) en de wettelijke handelsrente vanaf 11 september 2025, is niet weersproken en wordt (als gegrond op artikel 6:119a BW) eveneens toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente over voornoemd rentebedrag van € 1.043,53 is bij gebrek aan een wettelijke grondslag niet toewijsbaar.

4.22.

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (€ 3.937,00) is niet weersproken en wordt op de voet van artikel 8.4 van de samenwerkingsovereenkomst toegewezen.

De proceskosten

4.23.

[partij B] is in conventie en reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

4.24.

De proceskosten van SRS in conventie worden begroot op:

– kosten van de dagvaarding

120,21

– griffierecht

2.995,00

– salaris advocaat

1.672,00

(2 punten tarief III à € 836,00)

Totaal

4.787,21

4.25.

Over de proceskosten in conventie wordt wettelijke rente toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Voor de gevorderde wettelijke handelsrente is geen grondslag.

4.26.

De proceskosten van SRS in reconventie worden begroot op:

– salaris advocaat

653,00

(2 punten tarief II à € 653,00 x factor 0,5)

Totaal

653,00

4.27.

Over de proceskosten in reconventie wordt bij gebrek aan een daartoe strekkende vordering geen wettelijke rente toegewezen.

4.28.

Voor de nakosten wordt voor de conventie en reconventie gezamenlijk een bedrag toegewezen van € 296,00.

<br /> 5De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

veroordeelt [partij B] om aan SRS te betalen een bedrag van € 31.232,53, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 26.252,00, met ingang van 11 september 2025, tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 4.787,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af;

In reconventie

5.4.

wijst de vorderingen van [partij B] af;

5.5.

veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 653,00;

In conventie en reconventie

5.6.

veroordeelt [partij B] in de nakosten van € 296,00, te vermeerderen met € 98,00 aan extra nakosten plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.7.

verklaart de veroordelingen in 5.1, 5.2, 5.5 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

Artikel delen