Gezag, vaststelling zorg- c.q. omgangsregeling, informatieregeling en wijziging kinderalimentatie (samengesteld gezin)
ECLI:NL:RBDHA:2026:19908
text/xml
public
2026-08-03T11:45:42
2026-07-19
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-06-18
C/09/690598 / FA RK 25-6422
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19908
text/html
public
2026-08-03T11:45:13
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:19908 Rechtbank Den Haag , 18-06-2026 / C/09/690598 / FA RK 25-6422
Gezag, vaststelling zorg- c.q. omgangsregeling, informatieregeling en wijziging kinderalimentatie (samengesteld gezin)
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6422
Zaaknummer: C/09/690598
Datum beschikking: 18 juni 2026
Gezag, vaststelling zorg- c.q. omgangsregeling, informatieregeling en wijziging kinderalimentatie
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp.
het verzoekschrift;
het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
het verweer tegen de zelfstandige verzoeken;
het F9-formulier van 15 mei 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen.
Op 21 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
– Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
– [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
– De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
– [de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
– Bij beschikking van deze rechtbank van 29 november 2021 is bepaald dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie betaalt van € 25,- per maand.
de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] ;
te bepalen dat het recht op omgang tussen de vader en [de minderjarige] wordt ontzegd, althans de zorgregeling wordt gewijzigd, aldus dat [de minderjarige] slechts omgang met haar vader heeft in nader overleg te bepalen en onder begeleiding;
een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder de vader zal informeren en, indien nodig, consulteren over de gezondheid, de schoolgang, de activiteiten in de vrije tijd, de relaties met anderen en het algemeen welzijn van [de minderjarige] , alsmede regelmatig een recente foto van [de minderjarige] aan de vader zal sturen, waarbij de moeder van de vader verwacht dat hij daarop neutraal zal reageren;
de vastgestelde kinderalimentatie te wijzigen, in die zin dat de rechtbank een door de vader aan de moeder te bepalen kinderalimentatie van € 114,- per maand vaststelt;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader zelfstandig verzocht:
– tussen de vader en [de minderjarige] de volgende zorgregeling vast te leggen:
– maand 1: 1 dag van 09:00 uur tot 19:00 uur in het weekend om de veertien dagen;
– maand 2: 1 dag en nacht van 09:00 uur tot 09:00 uur de volgende ochtend in het weekend om de veertien dagen;
– maand 3: 2 dagen met 1 overnachting van 09:00 uur tot 19:00 uur in het weekend om de veertien dagen;
– vanaf maand 4: een heel weekend om de veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 19:00 uur;
– aan de nakoming van voornoemde zorgregeling een dwangsom ad € 250,- per dag dat de moeder de vastgestelde zorgregeling niet nakomt, te verbinden, met een maximum van € 25.000,-;
– te bepalen dat de moeder de vader iedere maand informeert en, indien nodig, consulteert over de gezondheid, de schoolgang, de activiteiten in de vrije tijd, de relaties met anderen en het algemeen welzijn van [de minderjarige] , alsmede dat de moeder iedere maand een recente foto van [de minderjarige] aan de vader stuurt;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, als later de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd als er a) een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b) als wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt om haar – met uitsluiting van de vader – met het gezag over [de minderjarige] te belasten en voert daartoe het volgende aan. Er is sprake van een moeizame verstandhouding tussen de ouders, mede vanwege de (verbale) agressie van de vader jegens de moeder. Hiervan is ook [de minderjarige] getuige geweest. Volgens de moeder lukt het de ouders niet om gezamenlijk invulling te geven aan het ouderschap. De communicatie tussen de ouders is ernstig verstoord en het lukt hen niet om daar, al dan niet met inzet van hulpverlening, verbetering in aan te brengen. Daarnaast voert de moeder aan dat de vader gezagsbeslissingen tegenhoudt. Zo weigert de vader het toestemmingsformulier te ondertekenen voor een vakantie van [de minderjarige] met de moeder. Ook lukt het de moeder niet om logopedie voor [de minderjarige] te regelen. Gelet op het voorgaande is de moeder van mening dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders.
De vader voert verweer. Hij erkent dat er incidenten tussen de ouders zijn geweest. De vader stelt zich echter op het standpunt dat deze incidenten al jaren geleden hebben plaatsgevonden. De vader heeft inmiddels rust gevonden, terwijl de moeder in haar strijd tegen de vader blijft hangen. Daarnaast betwist de vader dat hij gezagsbeslissingen tegenhoudt. Hij heeft de moeder wel degelijk toestemming gegeven om met [de minderjarige] op vakantie te gaan en ook heeft hij het toestemmingformulier om [de minderjarige] voor logopedie aan te melden ondertekend. Volgens de vader probeert de moeder op geen enkele wijze contact met de vader te zoeken of de communicatie te verbeteren. Zij neemt enkel contact op met de nieuwe partner van de vader of de moeder van de vader als zij zelf iets nodig heeft. De vader vreest dat hij bij toekenning van het eenhoofdig gezag aan de moeder volledig uit het leven van [de minderjarige] wordt geweerd. Het verzoek van de moeder dient dan ook te worden afgewezen.
De rechtbank overweegt als volgt. De moeder voert aan dat de communicatie tussen ouders is verstoord en dat de vader gezagsbeslissingen tegenhoudt. De rechtbank is echter van oordeel dat de moeder haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het is de rechtbank op geen enkele manier gebleken dat [de minderjarige] bij instandhouding van het gezamenlijk gezag klem en verloren dreigt te raken. Ook is niet onderbouwd dat het anderszins in het belang van [de minderjarige] is, dat de moeder alleen over haar beslist. Dat de vader gezagsbeslissingen zou tegenwerken, is door hem gemotiveerd betwist. Hij geeft daartoe kopieën van de door hem ondertekende toestemmingsformulieren overgelegd met betrekking tot de vakantie en de logopedist. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat niet gebleken is dat de vader gezagsbeslissingen tegenwerkt. Beide ouders verklaard mee te willen werken aan het traject Ouderschapsbemiddeling, zoals hierna zal blijken. Hoewel de rechtbank ziet dat de onderlinge communicatie stroef verloopt, is voornoemd traject bij uitstek de plek om daarover in gesprek te gaan en daaraan te werken. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 1:251a eerste lid BW. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom afwijzen.
Gelet op de instandhouding van het gezamenlijk gezag, zal de rechtbank hierna spreken van een zorgregeling.
Ouderschapsbemiddeling
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. Het doel hiervan is om de onderlinge communicatie te verbeteren en het onderlinge vertrouwen tussen de ouders te herstellen. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Jeugdteams Leidse regio voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse regio.
De rechtbank overweegt daarbij dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie geen eindrapportage behoeft in te dienen bij de rechtbank en ook geen eindrapportage aan de Raad behoeft toe te zenden, maar alleen aan de ouders dient te rapporteren. De rechtbank zal de zaak namelijk niet aanhouden, maar zal op alle verzoeken van de ouders een eindbeslissing geven, zoals hierna zal blijken.
Vaststelling zorgregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het
gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen en regeling vaststellen. Deze regeling kan een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) omvatten.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders gesproken over de zorgregeling. Daarbij is het de rechtbank duidelijk geworden dat de vader [de minderjarige] slechts drie keer heeft gezien en dat zij voor het laatst contact hebben gehad in oktober 2024. De ouders zijn het erover eens dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] onder begeleiding van een neutrale derde moet worden opgebouwd. In dat kader hebben de ouders op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding bij BOR Humanitas (BOR). De rechtbank zal de ouders en [de minderjarige] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij BOR. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.
Daarbij acht de rechtbank het van belang om een opbouwende zorgregeling te bepalen, hetgeen geldt als richtlijn voor BOR:
maand 1: de vader en [de minderjarige] hebben één dag in de veertien dagen contact met elkaar, voor drie uur lang;
maand 2: de vader en [de minderjarige] hebben één dag in de veertien dagen contact met elkaar, voor zes uur lang;
maand 3: [de minderjarige] verblijft eens per veertien dagen twee dagen bij de vader, inclusief overnachting;
maand 4 (eindsituatie): [de minderjarige] verblijft eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur bij de vader, inclusief overnachtingen.
De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat bovenstaande opbouwende zorgregeling geldt als richtlijn. Dat betekent dat de uitvoering van deze regeling afhankelijk is van wat [de minderjarige] aankan, te beoordelen door BOR, en wat de organisatie van BOR toelaat. Het staat BOR dus vrij om een andersluidende zorgregeling met de ouders af te spreken. Tot slot merkt de rechtbank op dat het aan BOR is om te beoordelen in hoeverre en per wanneer het contact tussen de vader en [de minderjarige] zonder begeleiding van BOR kan plaatsvinden.
Dwangsom tot naleving van de zorgregeling
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de naleving van de zorgregeling een dwangsom te verbinden, zoals door de vader wordt verzocht. Immers, er is niet eerder een zorgregeling vastgelegd, waardoor ook niet is gebleken dat de moeder deze niet nakomt. Bovendien heeft de moeder ter zitting aangegeven het belangrijk te vinden dat de vader een rol heeft in het leven van [de minderjarige] .
Voorgaande neemt niet weg dat de rechtbank wil benadrukken dat zij van de ouders verwacht dat zijn hun medewerking zullen verlenen aan het traject Omgangsbegeleiding bij BOR en dat zij de adviezen van BOR zullen opvolgen.
Informatie- en consultatieregeling
De vader verzoekt een informatie- en consultatieregeling vast te leggen, waarbij de moeder de vader iedere maand informeert en, indien nodig, consulteert over de gezondheid, de schoolgang, de activiteiten in de vrije tijd, de relaties met anderen en het algemeen welzijn van [de minderjarige] , alsmede dat de moeder iedere maand een recente foto van [de minderjarige] aan de vader stuurt. De moeder heeft hiermee ingestemd. Omdat het belang van [de minderjarige] zich hier niet tegen verzet, zal de rechtbank de verzochte informatie- en consultatieregeling vastleggen in het dictum van deze beschikking.
Wijziging kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:401 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke
uitspraak of een overeenkomst betreffende het levensonderhoud bij latere rechterlijke
uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van
omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De ouders zijn het erover eens dat de omstandigheden zijn gewijzigd, in die zin dat de vader is hertrouwd en met zijn echtgenote een kind heeft gekregen. Er is daarbij een tweede kind op komst. De moeder zal dan ook worden ontvangen in haar verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie. De rechtbank zal hierna overgaan tot de inhoudelijke beoordeling.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
– samenloop van onderhoudsverplichtingen
De rechtbank constateert dat er sprake is van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De vader is voor [de minderjarige] onderhoudsplichtig (gezin 1). Daarnaast is hij ook voor [naam 2] en zijn kind dat in juni 2026 is/wordt geboren (hierna: de baby) onderhoudsplichtig (gezin 2). Bij een dergelijke samenloop van onderhoudsverplichtingen moet de rechtbank beoordelen of de vader in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. In dat kader zal de rechtbank de draagkracht van de vader voor zijn aandeel in beide gezinnen apart berekenen. Zo wordt de zuivere draagkracht van de vader per gezin berekend. Voor zover de vader een tekort heeft om in het totaal van de aandelen te voldoen, wordt dit naar rato van dit tekort over de aandelen omgeslagen. De rechtbank zal voorgaande hieronder uiteenzetten en motiveren.
Om te berekenen welke bijdrage elk van de ouders moet leveren in de kosten van [de minderjarige] , moet eerst worden bepaald wat de kosten van [de minderjarige] zijn (de behoefte). De behoefte van [de minderjarige] is tussen de ouders in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) tijdens de relatie worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.
De ouders zijn in 2021 uit elkaar gegaan. De rechtbank is gebleken dat de ouders tijdens de relatie een gezamenlijke uitkering ontvingen. De ouders zijn het erover eens dat deze uitkering € 1.536,- netto per maand bedroeg, te weten € 768,- netto per maand per persoon.
Bij de berekening van het NBI van zowel de vader als de moeder is de rechtbank dan ook uitgegaan van een inkomen van € 768,- netto per maand. Daarnaast houdt de rechtbank voor beide ouders rekening met de algemene heffingskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens bedroeg het NBI van zowel de vader als de moeder op € 768,- per maand.
Het NBGI ten tijde van de samenleving bedroeg dus € 1.635,- per maand, inclusief € 99,- per maand aan kindgebonden budget waar de ouders op dat moment recht op hadden.
Aan de hand van de ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’ stelt de rechtbank de behoefte op € 177,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [de minderjarige] thans € 221,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de behoefte van [de minderjarige] tussen de ouders moet worden verdeeld. Daarvoor is het van belang de draagkracht van de ouders te berekenen.
– draagkracht vader
Bij de berekening van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.075,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de vader overgelegde salarisspecificaties van februari, maart en april 2026.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende premies:
de pensioenpremie van € 150,- per maand;
de aanvullende premies van € 5,- en € 3,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2026 op € 2.710,- per maand.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank de draagkracht berekenen. Daarbij merkt de rechtbank op dat, nu de man en zijn nieuwe partner samenwonen, voor de man rekening zal worden gehouden met de helft van het woonbudget. Daarmee wordt de formule voor de berekening van de draagkracht – conform de aanbevelingen van het rapport – 70% x [NBI – (0,15 x NBI + € 1.365,-). De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [2.710 – (407 + 1.365)] = € 657,- per maand.
– draagkracht moeder
De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder een bijstandsuitkering ontvangt. In dat kader zal de rechtbank de aanbeveling onder 4.3.3. van het rapport volgen, waarin staat:
“We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt. Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.”
Gelet hierop neemt de rechtbank geen draagkracht aan bij de moeder.
Hierbij merkt de rechtbank op dat zij op de zitting met de ouders heeft gesproken over de studiefinanciering van de moeder. De moeder heeft hiervan geen stukken overgelegd, zodat de rechtbank enkel rekening zal houden met een bijstandsuitkering.
– draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 657,- per maand (657 + 0). De rechtbank constateert dat de gezamenlijke draagkracht van de ouders voldoende is om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken, waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van de ouders in zijn geheel bestaat uit de draagkracht van de vader, komt de gehele behoefte van [de minderjarige] , te weten € 221,- per maand, in beginsel voor rekening van de vader.
Om het aandeel van de vader in de behoefte van [naam 2] en de baby te berekenen, zal de rechtbank eerst de totale behoefte van de kinderen berekenen. Dit doet de rechtbank aan de hand van de huidige inkomensgegevens van de vader en zijn echtgenote, omdat de kinderen gewend zijn aan dit inkomen.
Het huidige NBI van de vader is hetzelfde als in gezin 1 en bedraagt dus € 2.710,- per maand.
Bij berekening van het huidige NBI van de echtgenote is de rechtbank uitgegaan van een inkomen van € 2.827,- bruto per maand, te vermeerderen met 8 % vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de vader overgelegde salarisspecificaties van zijn echtgenote van februari, maart en april 2026.
De rechtbank houdt verder rekening met de volgende premies:
de pensioenpremie van € 130,- per maand;
de aanvullende premies van € 5,- en € 3,- per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het huidige NBI van de echtgenote op € 2.561,- per maand.
Het NBGI van de vader en zijn echtgenote bedraagt dus € 5.271,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben zij recht op een kindgebonden budget van € 216,- per maand, zodat de rechtbank daar rekening mee zal houden. Het voorgaande leidt tot een behoefte van € 1.257,- per maand, te weten € 629,- per maand per kind.
– draagkracht vader
De draagkracht van de vader bedraagt hetzelfde als in gezin 1, te weten € 657,- per maand.
– draagkracht echtgenote
Het huidige NBI van de echtgenote bedraagt, zoals hiervoor bij de behoefte van de kinderen berekend, € 2.561,- per maand. Het gezin heeft daarnaast nog recht op een kindgebonden budget van € 216,- per maand. Dit bedrag zal bij het NBI van de echtgenote worden opgeteld en niet bij het NBI van de vader, zodat zeker wordt gemaakt dat het kindgebonden budget alleen terecht komt in gezin 2.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de echtgenote op (2.561 + 216) € 2.777,- per maand.
Omdat het NBI van de echtgenote hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van de draagkracht – conform de aanbevelingen van het rapport – de formule 70% x [NBI – (0,15 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. Opgemerkt zij dat de rechtbank het ook hier redelijk acht om uit te gaan van de helft van het woonbudget, nu de echtgenote samenwoont met de man en zij de woonlasten kunnen delen. De draagkracht van de echtgenote bedraagt dan: 70% x [2.777 – (417 + 1.365)] = € 696,- per maand.
– draagkrachtvergelijking
De vader en zijn echtgenote hebben samen voldoende draagkracht (657 + 696 = € 1.353,-) om volledig in de behoefte van de kinderen (€ 1.257,-) te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken, waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 657 / 1.353 * 1.257 = € 611,-
Het eigen aandeel van de echtgenote bedraagt: 696 / 1.353 * 1.257 = € 647,-
De vader kan maar € 657,- van de benodigde € 832,- betalen. Percentueel is dit afgerond 79% (657 / 832 x 100). Voor ieder kind is daarom slechts 79% van het aandeel van de vader beschikbaar. Voor [de minderjarige] bedraagt 79% van het benodigde aandeel (79% x 221 =) € 175,- per maand en voor [naam 2] en de baby (79% x 611=) € 483,- per maand.
Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] bedraagt dan € 165,- (€ 175,- -/- € 10,-)
Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
*
bepaalt een opbouwende zorgregeling, welke geldt als richtlijn voor BOR:
maand 1: de vader en [de minderjarige] hebben één dag in de veertien dagen contact met elkaar, voor drie uur lang;
maand 2: de vader en [de minderjarige] hebben één dag in de veertien dagen contact met elkaar, voor zes uur lang;
maand 3: [de minderjarige] verblijft eens per veertien dagen twee dagen bij de vader, inclusief overnachting;
maand 4 (eindsituatie): [de minderjarige] verblijft eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur bij de vader, inclusief overnachtingen;
*
bepaalt een informatie- en consultatieregeling, in die zin dat moeder de vader iedere maand informeert en, indien nodig, consulteert over de gezondheid, de schoolgang, de activiteiten in de vrije tijd, de relaties met anderen en het algemeen welzijn van [de minderjarige] , alsmede dat de moeder iedere maand een recente foto van [de minderjarige] aan de vader stuurt;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 18 juni 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 165,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de moeder] , (de moeder)
wonende te [adres 1] ,
en
[de vader] , (de vader)
wonende te [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams Leidse regio voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding (BOR), en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Jeugdteams Leidse regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 – 2343 LA Oegstgeest;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af (het meer of anders verzochte) ten aanzien van het gezag, de zorgregeling en de daaraan verbindende dwangsom en de kinderalimentatie.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 juni 2026.