Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:19955

voorlopige voorzieningen

Rechtbank Den Haag 5 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:19955
text/xml
public
2026-08-05T11:49:00
2026-07-20
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-06-19
C/09/701716 / FA RK 26-2732
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19955
text/html
public
2026-08-05T11:48:38
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:19955 Rechtbank Den Haag , 19-06-2026 / C/09/701716 / FA RK 26-2732

voorlopige voorzieningen


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-2732

Zaaknummer: C/09/701716

Datum beschikking: 19 juni 2026

<br /> [de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

<br /> [de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G.E. van der Zanden te Den Haag.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

 het verzoekschrift van de man;

 de brief van 1 juni 2026, tevens houdende wijziging verzoek, van de man met bijlagen;

 het verweerschrift tevens verzoekschrift van de vrouw;

 het bericht van 3 juni 2026 van de vrouw met bijlagen;

 het bericht van 4 juni 2026 van de vrouw met bijlage.

Op 5 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de vrouw met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

 Partijen zijn gehuwd op [datum] 2019 te [plaats 1] .

 Zij zijn de ouders van de nog minderjarige kinderen:

 [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats] ;

 [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats] .



De man verzoekt, na wijziging, te bepalen dat:

 de kinderen van partijen voorlopig bij de man zullen zijn:

 een weekeinde per twee weken, van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond;

 de helft van de schoolvakanties;

waarbij bepaald wordt dat ieder der partijen de helft van de reizen om de kinderen te halen en te brengen organiseert;

 de vrouw aan de man een voorlopige bijdrage in het levensonderhoud zal voldoen van € 1.000,- bruto per maand met ingang van 1 mei 2026;

 de vrouw aan de man een voorlopige bijdrage dient te voldoen van € 100,- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Ook verzoekt de vrouw zelfstandig voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van het geding:

 te bepalen dat de minderjarige kinderen van partijen voorlopig worden toevertrouwd aan de vrouw;

 een zorg- en contactregeling tussen de kinderen en de man vast te stellen, waarbij de kinderen éénmaal per 14 dagen op vrijdag om 15:30 uur op station [plaats 2] door de man worden opgehaald en op zondag om 15:30 uur door de vrouw op station [plaats 2] worden opgehaald, waarbij zodra de man over een rijbewijs beschikt, de kinderen éénmaal per 14 dagen door de vrouw op vrijdag na school naar de man worden gebracht en door de man op zondag naar de vrouw worden gebracht om 15:30 uur, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie juist acht;

 te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van ieder van de minderjarige kinderen van partijen met een bedrag van € 189,- per kind, zijnde € 377,- in totaal per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen met ingang van 1 februari 2026, althans een zodanige bijdrage te bepalen met ingangsdatum die de rechtbank in goede justitie juist acht;

 te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning aan de [adres] en de zich daarin bevindende inboedel en dat de man de woning verder niet meer zal betreden, behoudens met voorafgaande instemming van de vrouw.

Voorlopige toevertrouwing

De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek daarom als niet weersproken, op de wet gegrond en in het belang van de kinderen toewijzen.

Voorlopige zorgregeling

De man heeft op de zitting aangegeven dat het hem zwaar valt om zorg te dragen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezamenlijk. Vanwege een ongeluk is hij niet heel mobiel en het feit dat hij nu een tijdelijk onderkomen heeft bij een familielid, beperkt hem in het dragen van de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw stelt dat het in het belang van de kinderen is om samen tijd door te brengen bij de vader en niet apart van elkaar. De Raad benadrukte dat het voor de ontwikkeling van de kinderen goed is om samen te zijn in de opvoedsituatie van zowel de moeder als de vader.

De man stelt dat hij wel een rijbewijs heeft, maar niet beschikt over een auto en dat het daarom voor hem soms onzeker is of hij de kinderen kan ophalen of niet. De vrouw geeft aan dat ze de man al tegemoetkomt door de kinderen naar station [plaats 2] te willen brengen en hen daar ook weer wil ophalen. Over het wisselmoment op station [plaats 2] zodat het halen en brengen bij helfte wordt gedeeld, waren beide ouders het ten tijde van de zitting eens. Er is door de vader ook een verdeling van de schoolvakanties verzocht, maar op de zitting zijn de ouders overeengekomen dat zij deze verdeling onderling zullen gaan regelen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het ouderschap komt met rechten en plichten waarbij de vader inspanningen zal moeten leveren om zorg voor beide kinderen te dragen. Het is in het belang van de kinderen om gezamenlijk bij een ouder te verblijven. Als de vader geen beschikking over een auto heeft, rust op hem de verantwoordelijkheid om een andere manier te vinden om de kinderen van en naar het station te vervoeren, zo nodig met de hulp van een derde. De rechtbank zal daarom een zorgregeling vaststellen waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen op vrijdag om 15:30 uur op station [plaats 2] door de man worden opgehaald en op zondag om 15:30 uur door de vrouw op station [plaats 2] worden opgehaald. Op het verzoek met betrekking tot een verdeling van de vakanties zal de rechtbank niet beslissen, nu de ouders op de zitting hebben aangegeven dit onderling te zullen gaan regelen.

Voorlopige alimentatie

De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om verzoeken tot vaststelling van een kinder- en partneralimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen. Deze verzoeken hebben het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een eventuele bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure.

Bij de vaststelling van de voorlopige kinder- en partneralimentatie en de berekeningen neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Voorlopige kinderalimentatie

De man heeft verzocht een door de vrouw te betalen kinderalimentatie vaststellen van € 100,- per kind per maand. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen van € 189,- per kind per maand.

Behoefte van de kinderen

De ouders zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen € 1.610,- per maand bedraagt en dat dit bedrag moet worden verhoogd met de netto kinderopvangkosten per maand. De man heeft op de zitting gesteld dat de netto kinderopvangkosten lager zijn geworden dan het geval was toen partijen nog toeslagpartners waren en nu op basis van alleen het inkomen van de vrouw € 464,- per maand bedragen. De vrouw heeft dit niet weersproken. De rechtbank zal daarom van dit bedrag uitgaan. De behoefte van de kinderen bedraagt met verhoging van de hiervoor genoemde kosten € 2.074,- per maand.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze (verhoogde) behoefte tussen de ouders moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 7.371,89 bruto per maand minus € 291,- bruto per maand ouderschapsverlof, zijnde afgerond € 7.081,- bruto per maand. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de vrouw overgelegde salarisstroken en de pro forma berekening van haar ouderschapsverlof dat per

1 juli 2026 zal ingaan. De vrouw ontvangt daarnaast een Individueel Keuze Budget (IKB). De rechtbank acht het reëel dat de vrouw ouderschapsverlof opneemt en twee uur IKB-verlof om voor de kinderen te zorgen, omdat zij doordeweeks de volledige zorg voor de kinderen draagt. De ouders zijn het erover eens dat, omdat de vrouw haar IKB aanwendt voor het betalen van haar studiekosten, slechts een gedeelte van haar IKB als inkomen in aanmerking moet worden genomen. De man heeft op de zitting voorgesteld om uit te gaan van een bedrag gelijk aan 8 % vakantiegeld zijnde een bedrag van € 566,47 per maand (0,08 x € 7.081,-). De vrouw heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal hier ook vanuit gaan nu de ouders het hierover eens zijn.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

De rechtbank houdt verder rekening met:

premie OP/NP van € 567,13 per maand;

premie IP-BW van € 18,30 per maand;

werknemerspremie WGA € 1,99 per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 5.284- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

In geschil is of rekening moet worden gehouden met het forfaitaire woonbudget of de werkelijke woonlasten van de vrouw. De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met haar werkelijke woonlasten ten bedrage van € 2.954,95 per maand, inclusief € 816,69 aan overbruggingskrediet. Daarnaast voert zij aan nog kosten voor energie en water te hebben en, omdat het om een houten woning gaat, extra kosten voor onderhoud. De man betwist het door de vrouw gestelde bedrag omdat de vrouw de bruto hypotheeklasten heeft opgevoerd en geen rekening heeft gehouden met het fiscale voordeel van de hypotheekrenteaftrek. Bovendien is het overbruggingskrediet inmiddels afgelost. Volgens de man bedragen de woonlasten van de vrouw € 1.551,- per maand.

De rechtbank zal voorbijgaan aan het verzoek van de vrouw om in plaats van het woonbudget rekening te houden met haar werkelijke woonlasten. Gebleken is dat het overbruggingskrediet per 1 mei 2026 is afgelost. Niet is gebleken dat de kosten voor energie en water meer bedragen dan het bedrag dat zij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen. Op de zitting heeft de vrouw desgevraagd geen duidelijkheid kunnen geven over de hoogte van haar hypotheekrente aftrek. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om van het woonbudget af te wijken.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [€ 5.284,- – (€ 1.585,- + € 1.365,-)] = € 1.634,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een ziektewetuitkering van € 532,55 per week. Dit is inclusief vakantiegeld.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskorting, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 1.757,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De vrouw stelt dat voor de bepaling van de draagkracht van de man uitgegaan moet worden van zijn werkelijke situatie. De man woont op dit moment in bij zijn oom in Almere en heeft geen woonlasten. De man betwist dat hij geen woonlasten heeft. Volgens de man gaat het om een tijdelijke oplossing en betaalt hij als bijdrage in de lasten van de woning € 500,- per maand aan zijn oom. Hij is op zoek naar een andere woning, bij voorkeur in de buurt van Den Haag.

Anders dan de vrouw heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. De rechtbank vindt het aannemelijk dat de man een bijdrage aan zijn oom voldoet. Bovendien is de man op zoek naar een eigen woning en moet hij naar het oordeel van de rechtbank ook financieel in staat worden gesteld om zelfstandige woonruimte te betrekken.

Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de man in aanmerking nemen.

Gezamenlijke draagkracht – tekort aan draagkracht

De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 1.684,- per maand

(€ 1.634,- + € 50,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien (€ 2.074,-). De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 390,- per maand.

Zorgkorting

Naar het oordeel van de rechtbank geldt bij de zorgregeling zoals die tussen de vader en de kinderen zal gelden, een percentage van 15. De zorgkorting bedraagt dan € 242,- per maand (15% van het tabelbedrag € 1.610,- ).

Omdat sprake is van een tekort van € 390,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat de man nog recht heeft op een zorgkorting van € 47,- per maand (€ 242,- -/- € 195,-). Hieruit volgt dat de zorgkorting (€ 3,-) lager is dan de draagkracht van de man (€ 50,-).

Conclusie

De rechtbank gaat er van uit dat het geringe bedrag van € 3,- per maand (€ 1,50 per maand per kind) via een andere wijze dan de kinderalimentatie ten goede zal komen aan de kinderen. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het verzoek van de vrouw om een door de man te betalen voorlopige kinderalimentatie afwijzen.

Het rapport Alimentatienormen 2026 heeft naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924 in de passage 4.3.5 de volgende aanbeveling opgenomen die ziet op de situatie van de ouders:

“Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder het verschil betaalt.”

De kosten die de man in het kader van de voorlopige zorgregeling maakt zijn lager dan zijn draagkracht en bovendien hebben de ouders samen onvoldoende draagkracht en daarom wijst de rechtbank het verzoek van de man om een door de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie eveneens af.

Voorlopige partneralimentatie

De man verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen van € 1.000,- per maand. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man, in het licht van de betwisting door de vrouw zijn verzoek onvoldoende onderbouwd. Zo ontbreekt een berekening met onderbouwing van de behoefte en behoeftigheid van de man. Onvoldoende is vast komen te staan dat de man behoefte heeft aan een voorlopige bijdrage in zijn levensonderhoud. Het verzoek van de man tot een voorlopige partneralimentatie wordt dan ook afgewezen.

Uitsluitend gebruik echtelijke woning

Het verzoek van de vrouw om haar het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] toe te kennen, kan als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.



De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarige kinderen:

 [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats] ;

 [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats] .

aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning niet meer mag betreden, behoudens met voorafgaande instemming van de vrouw;

bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de kinderen bij zich te hebben: eenmaal per veertien dagen van vrijdag 15:30 uur tot zondag 15:30 uur waarbij de kinderen op station [plaats 2] door de man worden opgehaald en op zondag om 15:30 uur door de vrouw op station [plaats 2] worden opgehaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 juni 2026.

Artikel delen