BPM
ECLI:NL:RBDHA:2026:20116
text/xml
public
2026-07-28T11:55:49
2026-07-20
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-14
23/1984
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Den Haag
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20116
text/html
public
2026-07-28T11:55:38
2026-07-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:20116 Rechtbank Den Haag , 14-07-2026 / 23/1984
BPM
Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1984
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
/
Verweerder heeft eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 3 juni 2022 een naheffingsaanslag belasting personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd.
Eiseres heeft hiertegen bij brief van 29 juli 2022 een bezwaarschrift ingediend.
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 14 december 2022 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3].
2. Eiseres heeft hiertegen bij brief van 29 juli 2022, door verweerder ontvangen op
2 augustus 2022, een bezwaarschrift ingediend.
Geschil en beoordeling van het geschil
3. In geschil is of verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.
4. Niet in geschil is, en de rechtbank heeft geen reden anders te oordelen, dat het bezwaarschrift niet is ingediend binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
5. Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.
6. De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat eiseres noch in haar beroepschrift noch in haar nadere stukken feiten en/of omstandigheden heeft gesteld betreffende de te late indiening van het bezwaarschrift. Ook ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres niet aangegeven dat de tijdige ontvangst van de naheffingsaanslag wordt betwist.
7. Eiseres voert in haar beroepschrift aan dat beslissingen op basis van nationale regelingen, zoals de bezwaartermijn van artikel 6:7 van de Awb, geen betekenis kan toekomen in een Unierechtelijk geschil.
8. Het hanteren van deze termijn is niet in strijd met het Unierecht, zo blijkt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:AF0193). Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan een inhoudelijke behandeling van de bezwaren van eiseres komt de rechtbank dus niet toe.
9. Gelet hierop zal het beroep ongegrond worden verklaard.
Verzoek tot vergoeding van immateriële schade
10. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
11. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn begint als regel te lopen op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Het bezwaarschrift in deze zaak is op 2 augustus 2022 door verweerder ontvangen. Deze ontvangstdatum van bezwaar moet als uitgangspunt worden genomen bij het bepalen van de redelijke termijn. Op het moment van uitspraak zijn er sinds het bezwaar twee jaar en (ruim) negen maanden verstreken.
12. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen grond is om aan te nemen dat bij eiseres sprake is (geweest) van spanning en frustratie.
13. Daartoe overweegt zij het volgende. Ten aanzien van de uitspraak op bezwaar van 14 december 2022 waarbij het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding, heeft eiseres – in ieder geval tot aan haar pleitnota van
23 oktober 2025 – geen gronden aangevoerd aangaande de niet-ontvankelijkverklaring. Eiseres heeft zowel in bezwaar als in beroep standaard gronden ingediend. Eiseres heeft verder zowel in bezwaar als in beroep standaardgronden ingediend tegen de naheffingsaanslag als zodanig.
14. Gegeven deze feiten en omstandigheden kan bij eiseres noch haar gemachtigde geen spanning en frustratie zijn ontstaan. De uitkomst van het bezwaar en beroep zijn volstrekt duidelijk. Geen spanning en frustratie betekent, dat geen voor vergoeding in aanmerking komende schade is geleden. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade dan ook af.
15. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van eiseres geregistreerd onder nummers SGR 23/1995, SGR 23/1996 en SGR 23/1998 die een vrijwel identieke geschillen betreffen en die op dezelfde zitting zijn behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat slechts in dit beroep het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt beoordeeld.
verklaart het beroep ongegrond, en
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
T.T. Langeveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).