Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:20294

Ontnemingsvordering. Wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 66.549,35. Betalingsverplichting vastgesteld op € 63.221,88 in verband met overschrijding redelijke termijn.

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:20294
text/xml
public
2026-08-06T14:46:03
2026-07-21
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-06-17
09.009414.22
Uitspraak
Eerste aanleg – meervoudig
NL
Den Haag
Strafrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20294
text/html
public
2026-08-06T14:45:32
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:20294 Rechtbank Den Haag , 17-06-2026 / 09.009414.22

Ontnemingsvordering. Wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 66.549,35. Betalingsverplichting vastgesteld op € 63.221,88 in verband met overschrijding redelijke termijn.

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/009414-22 (ontneming)

Datum uitspraak: 17 juni 2026

Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde]
,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in [plaats] .

<br /> 1Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 mei 2026 (inhoudelijk).

Er heeft een schriftelijke voorbereiding plaatsgevonden met een conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsvrouw van de veroordeelde. De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. F. de Vries op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen namens de veroordeelde door zijn raadsvrouw mr. L.A. Versteegh op de terechtzitting naar voren is gebracht.

<br /> 2De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 130.293,81 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

<br /> 3De grondslag voor ontneming

De veroordeelde is op 26 juni 2024 door deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld wegens de volgende strafbare feiten:

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit bewezen verklaarde strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

<br /> 4De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering gewijzigd in die zin, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 66.407,03.

De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 22 april 2023. De conclusie van dit rapport is, dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel € 130.293,81 bedraagt. Dit bedrag bestaat uit een netto opbrengst van de verkoop van 22 blokken cocaïne van € 11.000,00 en een voordeel van € 119.283,81 uit de handel in softdrugs. Bij de berekening van dit laatste bedrag is uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling van het totale voordeel van € 238.587,62 tussen de veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] . In het rapport is voor de handel in softdrugs een pleegperiode van 1 januari 2020 tot en met 21 maart 2022 als uitgangspunt genomen.

De officier van justitie komt op een ander bedrag uit dan het rapport omdat zij bij de berekening uitgaat van een andere pleegperiode voor de handel in softdrugs, namelijk van 3 juli 2021 tot en met 21 maart 2022. Daarnaast is de officier van justitie niet langer uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling van het voordeel over de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021, omdat medeverdachte [medeveroordeelde] is vrijgesproken voor medeplegen in die periode. Tot slot is de officier van justitie met betrekking tot de handel in cocaïne uitgegaan van de verkoopopbrengst van 11 blokken cocaïne.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van € 66.407,03.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 20 mei 2026 op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van het uit de handel in cocaïne wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van een lager aantal transacties, namelijk 11 in plaats van 22, en een andere opbrengst per transactie, namelijk primair nihil en subsidiair € 250,00 per transactie.

Over de berekening van het uit de handel in softdrugs wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van een lager aantal transacties en een andere pleegperiode, namelijk van 3 juli 2021 tot en met 21 maart 2022, met aftrek van één maand waarin de veroordeelde in het buitenland verbleef.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel moet worden afgewezen en subsidiair dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op een bedrag van € 25.773,13 en meer subsidiair op een bedrag van € 28.523,13.

4.3.

Bewijsmiddelen

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld –

bedoeld een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe

bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar

dossierpagina s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met de naam Onderzoek Ignis

met het nummer DH4R022007 van de districtsrecherche Zoetermeer-

Leidschendam/Voorburg met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 3001).

1. Het in de strafzaak tegen de veroordeelde op 26 juni 2024 gewezen vonnis van deze rechtbank.

De pleegperiode voor – kortgezegd – de handel in softdrugs was 3 juli 2021 tot en met 21 maart 2022. De startdatum volgt uit de verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 28 mei 2024. De einddatum volgt uit het proces-verbaal van bevindingen (uitlezen data AAPS5523NL dealertelefoon) opgemaakt op 30 maart 2022 (p. 2456-2467).

Het gemiddelde aantal afnemers/transacties per week was 349. Dit aantal volgt uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 april 2022, (p. 2521-2561) waarin het aantal afspraken in de periode van 31 januari 2022 tot en met 6 februari 2022 is vastgesteld aan de hand van de afspraken aangetroffen in de dealertelefoon. De rechtbank hanteert de gevolgtrekking dat het aantal transacties in die periode gemiddeld is voor de gehele periode.

Het aantal verkochte blokken cocaïne is 11. Dit volgt uit de verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 28 mei 2024, waarin hij verklaart dat hij 22 blokken had, waarvan hij er 11 heeft teruggegeven aan de verkoper.

2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel dat op 22 april 2023 is opgemaakt.

De door de veroordeelde gehanteerde verkoopprijs bedraagt € 10,00 voor 1 gram. Dit blijkt uit de geanalyseerde chatgesprekken waaruit volgt dat er een prijslijst bekend was die verstuurd werd naar mogelijke afnemers van de verdovende middelen (proces-verbaal van bevindingen DH4R022007-273, p. 189 en proces-verbaal van bevindingen DH4R022007-297, p. 1513).

De rechtbank hanteert de gevolgtrekking dat op iedere afspraak ten minste 1 gram werd verkocht en dus een opbrengst van minimaal € 10,00 werd gerealiseerd.

De inkoopprijs bedraagt volgens de standaard berekening en normen van het Functioneel Parket Afpakken € 4.070,00 per kilo hennep.

De winst op de verkoop van een blok cocaïne bedraagt volgens bladzijde 128 van “De narcostand van Nederland Fenomeenbeeld drugs 2021” € 500,00 per blok.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de hierna te noemen berekening.

De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de hiervoor genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.

Handel in cocaïne

Aantal blokken

De rechtbank ziet overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging aanleiding om uit te gaan van de verkoop van 11 blokken cocaïne.

Winst

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het rapport uitgegaan van de verkoop van 22 blokken cocaïne van 1 kilo met een winst van € 500,00 per verkocht blok cocaïne. Dit bedrag volgt uit de bewijsmiddelen met een verwijzing naar het rapport “De narcostand van Nederland” Fenomeenbeeld drugs 2021 in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het verweer van de verdediging dat de veroordeelde in het geheel geen geld heeft ontvangen voor het verkopen van de blokken cocaïne, wordt verworpen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in harddrugs lucratief is en dergelijke feiten voornamelijk gepleegd worden met het oog op financieel gewin. De verdediging heeft niet aannemelijk gemaakt waarom dat hier anders zou zijn en evenmin concreet onderbouwd waarom er door de afnemers niet betaald zou zijn. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat het veroordeelde voordeel heeft behaald uit de verkoop van de blokken cocaïne.

Ook het standpunt van de verdediging dat de winst € 250,00 per blok zou bedragen, wordt verworpen. Hierbij geldt dat de rechtbank aan de hand van het dossier en het verhandelde ter zitting niet kan vaststellen welke (inkoop)kosten en opbrengsten gemoeid zijn geweest met de handel in cocaïne. De enkele verwijzing naar berichten waarin gesproken wordt over 5ct of 25ct als vermeende beloning is daarvoor onvoldoende. Nu de veroordeelde geen inzage heeft gegeven in de kosten en opbrengsten, neemt de rechtbank tot uitgangspunt het bedrag per blok zoals genoemd rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank berekent het totale wederrechtelijk verkregen voordeel door de winst per blok (€ 500,00) te vermenigvuldigen met het aantal blokken (11). Dat brengt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in cocaïne op € 5.500,00.

Handel in softdrugs

Periode

Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het rapport berekend over de periode van 1 januari 2020 tot en met 21 maart 2022.

De rechtbank ziet overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging aanleiding om de ontneming te beperken tot de periode tussen 3 juli 2021 tot en met 21 maart 2022. Dat is de periode waarin het in het vonnis bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden.

Het standpunt van de verdediging dat de periode vanwege verblijf van de veroordeelde in het buitenland bovendien verminderd moet worden met één maand, verwerpt de rechtbank. De verdediging heeft geen concrete feitelijke aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat er geen handel heeft plaatsgevonden op de dagen dat de veroordeelde in het buitenland verbleef. Dat is ook in het onderzoek niet gebleken. Integendeel, het strafdossier bevat juist aanwijzingen dat de handel is voortgezet door anderen. Uit het vonnis in de strafzaak volgt daarnaast dat de veroordeelde is veroordeeld als medepleger over de gehele periode, zodat als uitgangspunt geldt dat de veroordeelde meedeelde in de gerealiseerde omzet over de gehele periode. Afwijking van dit uitgangspunt is uitsluitend aan de orde wanneer de rechtbank de taakverdeling of verdeling van de winst tussen medeplegers concreet kan vaststellen. In de regel kan dit alleen wanneer de veroordeelde hierin inzage verschaft of hier gedetailleerd over verklaard. Nu de veroordeelde dit heeft nagelaten, zal de rechtbank niet afwijken van het uitgangspunt.

Opbrengsten

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het rapport uitgegaan van 349 afspraken per week en een minimale afname van 1 gram tegen een verkoopprijs van € 10,00 per afspraak. De bruto opbrengst is in het rapport berekend op € 402.340,00 over de gehele periode 1 januari 2020 tot en met 21 maart 2022. Dit komt neer op een opbrengst per week van € 3.490,00 per week.

Door de verdediging is geen verweer gevoerd ten aanzien van de afname van 1 gram per afspraak en de verkoopprijs van € 10,00 per gram. Deze uitgangspunten volgen bovendien uit de bewijsmiddelen. De rechtbank past deze uitgangspunten dan ook toe bij het vaststellen van de opbrengsten.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het aantal van 349 transacties per week geen juiste weergave is van het gemiddelde aantal transacties over de gehele periode. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat dit aantal pas na enkele maanden is bereikt en dat vanwege de opbouw van de klantrelaties een correctie van 25% op het totaal aantal transacties moet worden toegepast.

Aan de hand van het dossier en het verhandelde ter zitting kan de rechtbank niet vaststellen wat het exacte aantal transacties geweest is in de bewezenverklaarde periode. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is geweest van een opbouwperiode zoals de verdediging heeft aangevoerd. De verdediging heeft nagelaten om concrete feiten te stellen en haar stelling te onderbouwen aan de hand waarvan het exacte aantal transacties kan worden vastgesteld of de gestelde opbouwperiode kan worden vastgesteld. Bij het ontbreken van deze informatie is, naar het oordeel van de rechtbank, het aan de hand van een berichtenanalyse vastgestelde aantal van 349 transacties per week dan ook een redelijk uitgangspunt, op basis waarvan het wederrechtelijke verkregen voordeel kan worden geschat. De rechtbank zal daarom uitgaan van gemiddeld 349 transacties per week.

De door de rechtbank gehanteerde periode bedraagt 262 dagen, oftewel 37 weken en 3 dagen. In die periode hebben, na afronding in het voordeel van de veroordeelde, 13.062 afspraken plaatsgevonden. De totale opbrengst bedraagt daarom € 130.620,00.

Kosten

Om de kosten te berekenen is in het rapport als uitgangspunt de standaard berekening en normen van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM) genomen. Daarbij is uitgegaan van een inkoopprijs van € 4.070,00 per kilo hennep.

De verdediging heeft geen afwijkend standpunt aangevoerd ten aanzien van de door de veroordeelde gemaakte kosten. Nu deze kosten uit de bewijsmiddelen volgen, neemt de rechtbank deze tot uitgangspunt.

Uitgaande van de hiervoor genoemde 13.062 afspraken, is tijdens deze afspraken 13.062 kilo verkocht. Dit komt overeen met een totale inkoopprijs van € 53.162,34.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank berekent het totale wederrechtelijk verkregen voordeel door de kosten af te trekken van de opbrengsten (€ 130.620,00 minus € 53.162,34). Dat brengt de schatting van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op € 77.457,66.

Pondspondsgewijze toerekening

In het rapport is uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling van het totale voordeel tussen de veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] .

De officier van justitie heeft in haar conclusie van repliek aangevoerd dat medeveroordeelde [medeveroordeelde] voor de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021 is vrijgesproken van medeplegen van de handel in softdrugs. Om die reden moet, volgens haar, het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021 volledig aan de veroordeelde worden toegerekend en dient het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022 pondspondsgewijs te worden verdeeld tussen de veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] .

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de verdeling tussen de veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] .

De rechtbank heeft in de veroordelende vonnissen de veroordeelde en [medeveroordeelde] als medeplegers van het bewezenverklaarde feit aangemerkt over de periode van 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022. Over de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021 is geen medepleger veroordeeld.

Aan de hand van het dossier en het verhandelde ter zitting kan de rechtbank niet vaststellen wat de exacte (afgesproken) verdeling van het voordeel tussen hen is geweest. De rechtbank is van oordeel dat het strafdossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een andere toerekening dan een volledige toerekening van het voordeel over de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021 aan de veroordeelde en een pondspondsgewijze toerekening van het voordeel over de periode van 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022.

De periode van 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022 bedraagt 111 dagen. Na afronding hebben in die periode 5.534 afspraken plaatsgevonden, goed voor een totale opbrengst van € 55.340,00. Tijdens deze afspraken is 5,534 kilo verkocht. Dit komt overeen met een totale inkoopprijs van € 22.523,38. Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel in deze periode bedraagt daarom € 32.816,62 (€ 55.341,42 minus € 22.523,38) en het totale voordeel in de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021 bedraagt € 44.641,04 (€ 77.457,66 minus € 32.816,62).

De rechtbank zal daarom het totale geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 3 juli 2021 tot en met 30 november 2021 van € 44.641,04 volledig en het totale geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 december 2021 tot en met 21 maart 2022 van € 32.816,62 pondspondsgewijs aan de veroordeelde toerekenen.

Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de handel in softdrugs op een bedrag van € 61.049,35 (€ 44.641,04 plus € 16.408,31).

4.5.

Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het totale door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 66.549,35 (€ 5.500,00 plus € 61.049,35).

<br /> 5De vaststelling van de betalingsverplichting

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het door haar geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk 5% lager, omdat rekening moet worden gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om van de oplegging van een betalingsverplichting af te zien, omdat de veroordeelde voor een ander feit veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 22 jaar en daarom geen draagkracht heeft of zal krijgen. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Volgens de verdediging moet rekening worden gehouden met de waarde van de goederen waarop conservatoir beslag is gelegd, omdat nog niet op alle beslagen is beslist en deze situatie gelijk zou zijn aan de situatie waarin goederen verbeurd zijn verklaard.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Draagkracht

Uitgangspunt is dat de draagkracht van de veroordeelde pas in de executiefase aan de orde komt. Reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de veroordeelde zich in aanloop naar de executiefase zal ontwikkelen en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich beter laat beoordelen in de executiefase (ECLI:NL:HR:2021:376). In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben (ECLI:NL:HR:2007:AZ7747).

De raadsvrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt de veroordeelde over onvoldoende financiële middelen beschikt om aan een betalingsverplichting te voldoen, zodat het verweer wordt verworpen. Het enkele feit dat de veroordeelde in eerste aanleg is veroordeeld voor een lange gevangenisstraf, is daarvoor onvoldoende. Er is nog geen onherroepelijke veroordeling. Bovendien rust er conservatoir beslag op diverse goederen van de veroordeelde, waarop in de executiefase verhaal genomen kan worden. De rechtbank kan niet zonder nader onderzoek vaststellen dat die goederen geen waarde hebben.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de veroordeelde in een later stadium zo nodig de rechter om een (nadere) beslissing kan vragen op grond van artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Redelijke termijn

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een korting van 5% op de betalingsverplichting van de veroordeelde passend is, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

In deze ontnemingszaak gaat de rechtbank uit van een aanvang van de redelijke termijn op 23 april 2024, de dag waarop de ontnemingsvordering door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag aanhangig is gemaakt. De rechtbank wijst vonnis op 17 juni 2026, ruim twee jaar na aanvang van de redelijke termijn.

Op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn met beperkte duur is overschreden en dat deze overschrijding matiging van het ontnemingsbedrag tot gevolg moet hebben. Gelijk aan het standpunt van de officier van justitie, zal de rechtbank op het hiervoor vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel een correctie toepassen van 5% ter hoogte van € 3.327,47. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op de vast te stellen betalingsverplichting.

Conservatoir beslag

Volgens de verdediging is op diverse goederen van de veroordeelde conservatoir beslag gelegd en dient de waarde daarvan, als ware deze verbeurd verklaard, in minder gebracht te worden op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat nog niet op die beslagen is beslist. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de rechtbank in haar veroordelend vonnis geen beslissingen genomen heeft over deze beslagen, dat deze goederen dus niet door de rechtbank verbeurd zijn verklaard en dat de waarde van die goederen daarom niet in mindering gebracht hoeft te worden op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank stelt voorop dat bij het vaststellen van de betalingsverplichting rekening gehouden moet worden met de waarde van verbeurdverklaarde goederen. In haar vonnis van 26 juni 2024 heeft deze rechtbank evenwel geen goederen verbeurd verklaard, zodat die situatie zich hier niet voordoet.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, is een conservatoir beslag waarop (nog) niet is beslist niet gelijk (te stellen) aan verbeurdverklaring. Het conservatoir beslag, zoals hier aan de orde, heeft tot doel om verhaalsmogelijkheden veilig te stellen totdat door de rechtbank is beslist over de ontnemingsvordering. Pas zodra een betalingsverplichting wordt opgelegd, kan die verplichting (deels) in de executiefase worden voldaan uit de verkoopopbrengst van de in beslaggenomen goederen. Conservatoir beslag leidt daarom niet tot een vermindering van de betalingsverplichting.

5.4.

Conclusie vaststelling betalingsverplichting

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 63.221,88. Dit bedrag betreft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel minus € 3.327,47 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e lid 11 Sr. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,00.

Gelet op de vastgestelde betalingsverplichting van € 63.221,88, zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 632 dagen.

<br /> 6Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

<br /> 7De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 66.549,35 (zegge: zesenzestigduizend vijfhonderdnegenenveertig euro en vijfendertig eurocent);

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 63.221,88 (zegge: drieënzestigduizend tweehonderdeenentwintig euro en achtentachtig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 632 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,

mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,

mr. J.L.E. Bakels, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en V.J.J. van Mierlo, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.

Artikel delen