Syrië, Geloofwaardigheidsbeoordeling. 15c Kwalificatierichtlijn. Ongegrond.
Syrië, Geloofwaardigheidsbeoordeling. 15c Kwalificatierichtlijn. Ongegrond.
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
5. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser ziet op de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief en de gehanteerde gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Over de andere asielmotieven zijn geen gronden aangevoerd, die onderdelen zijn dan ook niet in geschil en worden niet besproken.
6. Eiser meent dat de levensbedreigende problemen met zijn vader en verwanten ten onrechte niet geloofwaardig zijn geacht. Dat er geen bedreigingen aan eiser zelf zijn geuit is een onjuiste interpretatie van hetgeen is verklaard. Dat eiser niet heeft verklaard dat zijn vader een dochter bij een andere vrouw had, mag ook niet worden tegengeworpen. Eiser was hier eerder niet van op de hoogte. Nadat de zaak op de zitting was geschorst heeft eiser nog een familieverklaring overgelegd die dit onderdeel van zijn relaas volgens eiser ondersteunt. Daarnaast heeft eiser een brief van zijn Syrische advocaat overgelegd. Uit de brief volgt duidelijk dat eiser problemen heeft met zijn vader.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep een brief van een Syrische advocaat heeft overgelegd. De minister stelt zich primair op het standpunt dat dit in strijd met de goede procesorde te laat is ingediend.
Er is sprake van strijd met de goede procesorde als nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere manier wordt belemmerd.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat de brief van de Syrische advocaat van eiser verder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers relaas. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat er via een neef van zijn vader contact is opgenomen met een advocaat. Deze persoon, de neef van zijn vader, maakte misbruik van de situatie en bleef eiser en zijn moeder geld afhandig maken.
Verder oordeelt de rechtbank dat de minister mocht tegenwerpen dat eiser de door hem gestelde bedreigingen ook niet aannemelijk heeft gemaakt met de ingediende gesprekken/audioberichten. In beroep heeft eiser een vertaling van de berichten overgelegd. Eiser benoemt dat zijn vader hem heeft bedreigd door te zeggen ‘herinner jij je toen ik de föhn op je hoofd heb stukgemaakt’ en ‘jij en je moeder zullen nooit iets goeds meemaken’. De minister heeft deze uitingen, die door eiser als bedreigingen zijn bestempeld, niet als concrete bedreiging richting eiser hoeven opvatten. Op welke wijze dit een onjuiste interpretatie zou zijn heeft eiser niet nader toegelicht en ziet de rechtbank niet. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Ook heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn gezinssituatie. Eiser heeft in het aanmeldgehoor, in 2024, verklaard dat hij geen halfbroers en halfzussen heeft en dat hij gezinshereniging wenst met zowel zijn vader als zijn moeder.
De minister heeft eveneens mogen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over of zijn vader al dan niet ruzie heeft gemaakt met zijn neef en oom die geld wilden. Dat eiser dit gecorrigeerd heeft in de correcties en aanvullingen, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Daar wordt namelijk geen verklaring gegeven voor de tegenstrijdigheid. Dat dit een vertaalfout van de tolk is, zoals op de zitting betoogt, volgt de rechtbank niet. De minister heeft er op de zitting terecht op gewezen dat tijdens het gehoor is gevraagd of de tolk goed te verstaan en te begrijpen was, dit was het geval.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de problemen met vader, zijn oom en neef niet geloofwaardig kunnen achten.
10. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige, laagste, gradatie van willekeurig geweld wordt toegepast in Syrië. Hij verwijst daartoe naar verschillende uitspraken
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats al een oordeel heeft gegeven over de gradatie van willekeurig geweld.
Voor zover eiser stelt dat de humanitaire omstandigheden niet zijn meegewogen, verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de hiervoor genoemde meervoudige kamer uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de prejudiciële vragen van de rechtbank Roermond af te wachten.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiser er niet in is geslaagd om met persoonlijke omstandigheden te onderbouwen dat er, ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van het willekeurig geweld. Niet is gebleken dat eiser zich niet staande kan houden in Syrië. Omdat de minister de problemen met de familie niet geloofwaardig heeft kunnen vinden is er geen reden om aan te nemen dat eiser niet bij zijn familie terecht kan. Verder zijn geen individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat eiser niet terug kan naar Syrië.
12. In de aanvullende reactie van eiser van 28 april 2026 stelt eiser dat de minister ambtshalve had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft namelijk privéleven opgebouwd. Ter onderbouwing van het privéleven heeft eiser een verklaring van school ingediend.
De minister stelt dat, indien eiser meent dat hij op basis van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, hij daartoe een (reguliere) aanvraag kan indienen. Ambtshalve is de minister niet gebleken dat eiser daarvoor in aanmerking komt.
De rechtbank overweegt dat de minister bij de afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve beoordeelt of aan de vreemdeling, wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM, een verblijfsvergunning regulier moet worden verleend.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:16, onder 4.1.
Pagina 4 nader gehoor.
Pagina 13 nader gehoor.
Pagina 13 nader gehoor.
Pagina 9 en 17 aanmeldgehoor.
Pagina 17 nader gehoor.
Pagina 2 en 18 nader gehoor.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822 en 2 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1771.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, 29 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25445.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
EUAA, Country Guidance report Syria, 1 december 2025, pagina 73.
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden.
Artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000.