Verzoek om een voorlopige voorziening – arbeid – Chavez-Vilchez – toegewezen – proceskostenveroordeling.
ECLI:NL:RBDHA:2026:21655
text/xml
public
2026-08-04T17:00:07
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-30
NL26.36078
Uitspraak
Voorlopige voorziening
NL
Middelburg
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21655
text/html
public
2026-08-03T15:09:23
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21655 Rechtbank Den Haag , 30-07-2026 / NL26.36078
Verzoek om een voorlopige voorziening – arbeid – Chavez-Vilchez – toegewezen – proceskostenveroordeling.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36078
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoeksterV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder(mr. C.J. Ohrtmann).
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vlichez voor verblijf bij haar minderjarige zoon [minderjarige zoon] .
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 10 november 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juni 2026 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster mag een eventueel beroep tegen dit besluit niet in Nederland afwachten.
Verzoekster heeft op 30 juni 2026 beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat zij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten en haar recht om in Nederland te werken wordt voortgezet.
Verzoekster heeft bij bericht van 17 juli 2026 de voorzieningenrechter gevraagd om een spoedige beoordeling vanwege het dreigende verlies van haar baan na 1 augustus 2026. Verzoekster is er op 20 juli 2026 op gewezen dat de gronden van het verzoek ontbreken. Verzoekster heeft deze op 22 juli 2026 kenbaar gemaakt en zij heeft op 27 juli 2026 het verschuldigde griffierecht voldaan. Verweerder is op 29 juli 2026 gevraagd om een reactie op het verzoek om een voorlopige voorziening. Deze is ontvangen op 30 juli 2026.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op 30 juli 2026 gesloten en doet uitspraak met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.
Indien tegen een besluit van de rechtbank beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.
Uit het dossier blijkt dat verzoekster zich beroept op een verblijfsrecht bij haar minderjarige zoon die door erkenning de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Verweerder overweegt in het bestreden besluit dat hij die erkenning als een schijnerkenning beschouwt en dat hij op grond van artikel 2.34 van de wet Basisregistratie Personen (Wet BRP) op 2 september 2025 en 9 juni 2026 aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen een terugmelding heeft gedaan. Volgens verweerder hoeft hij op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van de minderjarige zoon van verzoekster. Gelet hierop wordt niet voldaan aan de vereisten voor het aannemen van een Chavez-verblijfsrecht.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het de vraag is of deze benadering van verweerder kan worden gevolgd. Het verkrijgen en verliezen van het Nederlanderschap wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN.) De voorzieningenrechter leidt uit het verweerschrift af dat niet in geschil is dat de minderjarige zoon van verzoekster na zijn geboorte en voor het zevende levensjaar is erkend door een Nederlander. Hiermee heeft hij op grond van artikel 4, tweede lid, van de RWN van rechtswege het Nederlanderschap verkregen. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de RWN kan de Minister van Justitie en Veiligheid de verkrijging of de verlening van de Nederlandse nationaliteit intrekken indien deze berust op een valse verklaring of bedrog. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet bij het beoordelen van de vraag of aan verzoekster een declaratoir verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 20 VWEU worden uitgegaan van het Nederlanderschap en – dus Unieburgerschap – van haar zoon, zolang dit niet volgens de RWN is geëindigd. Dat verweerder op grond van artikel 1.7 van het BRP geen gebruik maakt van de informatie uit de Basisregistratie, laat zulks onverlet. Gelet hierop dient er rekening mee te worden gehouden dat het bestreden besluit in beroep geen stand zal houden.
5. Hierbij komt dat verzoekster als gevolg van het bestreden besluit niet meer mag werken en evenmin recht heeft op een uitkerking. Daardoor is zij niet meer in staat om te voorzien in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen. Verzoekster heeft erop gewezen dat haar arbeidscontract bij haar huidige werkgever reeds op 1 augustus a.s. afloopt en dan niet meer kan worden verlengd, tenzij zij door toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening rechtmatig verblijf behoudt.
6. In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Daarbij zal de voorzieningenrechter bepalen dat verzoekster de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit in Nederland mag afwachten waarbij zij zolang het recht op het verrichten van betaalde arbeid behoudt.
7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op €934 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde van €934 per punt en een wegingsfactor 1).
De voorzieningenrechter:
– wijst het verzoek toe;
– bepaalt dat verzoekster de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit in Nederland mag afwachten waarbij zij zolang het recht op het verrichten van betaalde arbeid behoudt;
– bepaalt dat verweerder het griffierecht van €200 aan verzoekster moet vergoeden;
– veroordeelt verweerder tot betaling van €934 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2026 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.