ECLI:NL:RBDHA:2026:21676
Syrië / asielrelaas ongeloofwaardig / geen individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat eiser heeft te vrezen bij terugkeer / ongegrond
Rechtbank Den Haag 3 August 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21676
text/xml
public
2026-08-03T18:23:42
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-03
NL26.11640
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Groningen
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21676
text/html
public
2026-08-03T18:22:17
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21676 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / NL26.11640
Syrië / asielrelaas ongeloofwaardig / geen individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat eiser heeft te vrezen bij terugkeer / ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11640
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is eiser een terugkeerbesluit opgelegd waarbij eiser is meegedeeld dat hij onmiddellijk moet vertrekken en is aan eiser een inreisverbod opgelegd van twee jaar.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij de Syrische nationaliteit heeft, tot de Arabische bevolkingsgroep behoort en afkomstig is uit [naam 4] bij Raqqa. Hij heeft aangegeven dat hij vreest voor wraak omdat hij in 2021 [naam 2] van de [naam 3] stam heeft verwond met een steen nadat deze eisers zus had geïntimideerd en mishandeld. Sindsdien stuurt [naam 2] foto’s en video’s naar eisers profiel en is er op eisers broer geschoten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Eisers identiteit, zijn nationaliteit en zijn herkomst;
Eisers problemen met [naam 2] .
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser gevolgd wordt in zijn naam, nationaliteit en herkomst maar niet in de door hem gestelde leeftijd. Dit omdat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om zijn aanvraag met documenten te onderbouwen, hij wisselend heeft verklaard over zijn geboortedatum en hij door de IND en de Duitse autoriteiten bij een leeftijdsschouw evident meerderjarig is beoordeeld. Gelet op het voorgaande wordt eiser ook in grote lijnen als niet geloofwaardig beschouwd en niet gevolgd in de door hem gestelde leeftijd.
4.2.
Zijn problemen met [naam 2] acht de minister evenmin geloofwaardig. Ook dit asielmotief heeft eiser niet onderbouwd met documenten terwijl hij heeft verklaard dreigbrieven van [naam 2] te hebben ontvangen. Eiser stelt deze verwijderd te hebben terwijl hij sinds het aanmeldgehoor wist dat de minister belang hecht aan onderbouwing door het overleggen van documenten. Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel omdat zijn verklaringen over [naam 2] summier zijn, de overgelegde video geen objectief verifieerbaar bewijs is en de verklaringen over het incident met zijn zuster summier zijn. Ook zijn eisers verklaringen over de dreigberichten en zijn sociale media tegenstrijdig en zijn de verklaringen over het schietincident summier en gebaseerd op eigen vermoedens en aannames.
4.3.
Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade, de asielaanvraag terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond en aan eiser terecht een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd.
De beoordeling door de rechtbank
5. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom vol.
Heeft de minister eisers leeftijd en zijn problemen met [naam 2] ongeloofwaardig mogen vinden?
6. Eiser voert aan dat hij voldoende pogingen heeft ondernomen om documenten te bemachtigen omdat hij zijn ouders diverse malen heeft verzocht hem documenten toe te sturen. Dat dit nog niet gelukt is valt hem niet aan te rekenen. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om zijn leeftijd te onderbouwen. Tijdens het aanmeldgehoor op 6 januari 2025 is eiser door de hoormedewerker gewezen op het belang van identificerende documenten ter onderbouwing van de door hem gestelde leeftijd waar twijfels over waren. Tijdens het nader gehoor, dat gehouden werd op 19 februari 2026, heeft eiser alleen aangegeven dat hij zijn vader en zijn broer drie en één maand eerder om documenten had gevraagd maar dat, omdat de instellingen dicht waren en het niet overal veilig is in Syrië, hij nog niets had ontvangen. Ook na die tijd zijn er door eiser geen documenten overgelegd. Op grond van enkel eisers bovenstaande verklaring heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet heeft aangetoond voldoende inspanningen te hebben verricht om aan identificerende documenten te komen. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit verband niet in aanmerking heeft hoeven nemen dat de ondersteuning die eiser aanvankelijk van het Nidos ontving op enig moment is geëindigd en hij met zijn voogd na de eerste ontmoeting nooit meer contact heeft gehad. Het is immers aan eiser om zijn leeftijd te onderbouwen en nu hij meerderjarig is bevonden, mag dit ook van hem verlangd worden.
6.1.
Eiser heeft tegen het ongeloofwaardig gevonden asielmotief 2 geen gronden aangevoerd. De rechtbank is concluderend van oordeel dat de minister eisers relaas over zijn leeftijd en over de problemen met [naam 2] ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. De rechtbank acht de motivering van de minister in dit verband in het voornemen en het bestreden besluit kenbaar en deugdelijk.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtelijn
7. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de minister een onjuist toetsingskader hanteert ten aanzien van de toets aan artikel 15c. De minister neemt aan dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Het is volgens eiser niet alleen aan hem om de algemene situatie en zijn individuele omstandigheden naar voren te brengen maar ook aan de minister om deze 15c-situatie te benoemen en hem actief te horen en op die wijze te onderzoeken of er individuele omstandigheden zijn die maken dat hij niet kan terugkeren naar Syrië.
7.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het gehoor in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om individuele omstandigheden naar voren te brengen die zouden maken dat hij heeft te vrezen bij terugkeer naar Syrië. Eiser heeft echter alleen verklaard over zijn problemen met [naam 2] die door de minister terecht ongeloofwaardig zijn bevonden. Eiser heeft voorafgaand aan het bestreden besluit noch in deze beroepsprocedure andere individuelen omstandigheden naar voren gebracht. De minister gaat er vanuit dat er in Syrië sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. De rechtbank is van oordeel dat ook indien vastgesteld zou worden dat er in Syrië sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, eiser individuele omstandigheden dient aan te voeren die maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van dat geweld. Nu eisers asielmotief 2 terecht ongeloofwaardig is gevonden en eiser geen andere individuele omstandigheden heeft aangevoerd, heeft de minister terecht gesteld dat er geen sprake is van een 15c-situatie. De minister heeft verder deugdelijk gemotiveerd waarom eiser geen vluchteling is en evenmin in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. De minister heeft voorts aan eiser het terugkeerbesluit mogen opleggen.
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000
ECLI:EU:C:2026:448 en ECLI:EU:C:2026:447.