Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:21678

Asiel / onzorgvuldig gehoor / verkeerde tolk / ongegrond

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken





ECLI:NL:RBDHA:2026:21678
text/xml
public
2026-08-03T18:33:12
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-03 NL26.13156 Uitspraak Eerste aanleg – enkelvoudig NL
Groningen
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht


Rechtspraak.nl




http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21678
text/html
public
2026-08-03T18:31:43
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21678 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / NL26.13156





Asiel / onzorgvuldig gehoor / verkeerde tolk / ongegrond

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13156

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S.H. de Vries). Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


2. Eiser heeft op 21 augustus 2019 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Het beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 10 februari 2020 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak op 25 maart 2020 bevestigd.
2.1.

Op 24 september 2020 is aan eiser bericht dat de overdrachtstermijn is verstreken en dat hij nogmaals een asielaanvraag kan doen.
3. Op 8 oktober 2020 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend. De aanvraag is bij besluit van 29 oktober 2021 afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van 2 december 2021 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het tegen dit besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 juli 2022 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
4. Op 8 mei 2024 heeft eiser een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 22 december 2025 heeft een nader gehoor plaatsgevonden.
4.1.

De minister heeft met het bestreden besluit van 4 maart 2026 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
4.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4.3.

De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Het asielrelaas

5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij de Gambiaanse nationaliteit heeft en behoort tot de Madinko bevolkingsgroep. Eiser verklaart verder biseksueel te zijn en te vrezen voor een lange gevangenisstraf als hij moet terugkeren naar Gambia.
Het bestreden besluit

6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

Eisers identiteit, zijn nationaliteit en zijn herkomst;

Eisers biseksuele gerichtheid.
6.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat eiser (nog steeds) gevolgd wordt in zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Zijn biseksuele gerichtheid acht de minister niet geloofwaardig omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen waardoor niet wordt voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst de minister erop dat eiser zijn seksuele gerichtheid niet benoemd heeft tijdens de vorige asielaanvraag en daarvoor geen afdoende verklaring heeft gegeven. In deze procedure heeft eiser zijn biseksuele geaardheid evenmin in zijn relaas geloofwaardig weten te maken.
Heeft het gehoor van eiser zorgvuldig plaatsgevonden?

7. Eiser voert aan dat het gehoor opvolgende aanvraag niet zorgvuldig is geweest omdat hij is gehoord met behulp van een tolk die de taal Mandinka in een ander dialect sprak dan hij. Het Mandinka wordt in meerdere Afrikaanse landen gesproken en kent verschillende dialecten. De woorden en klanken komen grotendeels overeen, maar hebben vaak een andere betekenis of zijn zeer context afhankelijk. Enkel een Mandinka tolk uit hetzelfde land als eiser kan een volwaardig gesprek met hem voeren. De tolk die tijdens het gehoor is gebruikt, was niet afkomstig uit Gambia. Eiser heeft voorafgaand aan het gehoor duidelijk aangegeven dat hij de tolk niet kon verstaan. Tijdens het gehoor is daar niet adequaat op gereageerd en is het gehoor geforceerd doorgezet. Eiser wijst er ook op dat dezelfde tolk door de AVB voor een gesprek bij zijn gemachtigde op kantoor was gepland maar door de AVB van de opdracht is gehaald. Dit was niet omdat de tolk niet kon op dat moment want dat wordt altijd expliciet aangegeven. Eiser heeft ter onderbouwing bijlagen overgelegd van de communicatie met Elan languages. Dit betekent volgens eiser dat het gehoor geen grondslag kan vormen voor het bestreden besluit omdat hem de kans ontnomen is om zijn asielrelaas goed naar voren te brengen. Dit klemt in zijn geval des te meer omdat het tijdens een gehoor over seksuele geaardheid gaat om het verwoorden van gedachten en gevoelens wat zeer lastig is en zelfs onmogelijk als de tolk niet te volgen is.
8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de minister in het bestreden besluit deugdelijk heeft aangegeven heeft eiser bij de aanvang van het gehoor weliswaar aangegeven de tolk niet goed te kunnen verstaan maar vrijwel meteen daarna verklaard de tolk wel te kunnen verstaan waarna het gehoor werd voortgezet. Ook constateert de rechtbank dat het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag geen aanwijzingen bevat dat eiser en de tolk elkaar niet goed hebben kunnen verstaan. Dit is tijdens het gehoor meermaals geverifieerd waarbij eiser telkens heeft aangegeven dat de tolk en hij elkaar goed konden verstaan en begrijpen. Ook had eiser tijdens het gehoor geen opmerkingen over de werkwijze van de tolk of heeft hij aangegeven dat er problemen waren. Ook uit de antwoorden op de gestelde vragen blijkt niet dat er problemen waren. Daarbij heeft eiser niet concreet aangegeven welke van zijn verklaringen niet goed zouden zijn weergegeven en op welke wijze hij daardoor in zijn belangen zou zijn geschaad. De gestelde situatie dat eiser onder druk zou zijn gezet blijkt niet uit het verslag en eiser heeft dit bovendien niet anders onderbouwd. Bovendien merkt de minister terecht op dat hij niet wettelijk verplicht is om eiser een tolk ter beschikking te stellen die uit Gambia afkomstig is. Van belang is of eiser goed met de tolk kan communiceren. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit de verklaringen van de door eiser ingeschakelde tolken en de communicatie met het tolkencentrum de conclusie te trekken dat zij zouden hebben ingezien dat alleen Mandinka tolken uit Gambia zouden kunnen worden ingezet bij het horen van eiser. De minister heeft terecht geen aanleiding gezien om te veronderstellen dat de verklaringen van eiser zoals afgelegd tijdens het gehoor en daarmee het gehoor op zich niet de grondslag heeft kunnen vormen voor de onderhavige besluitvorming. Van de gestelde onzorgvuldige besluitvormingsprocedure is derhalve geen sprake.
9. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig zou zijn.

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudominiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Vreemdelingenwet 2000.



ECLI:NL:RBGEL:2020:1118.



Nr. 202001104/1/V1.



ECLI:NL:RBDHA:2021:17158.



Nr. 202107729/1/V2.

Artikel delen