Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:21683

Beroepen ongegrond. Beroep tegen tkb/irv – rechtmatig verblijf Spanje – non-refoulement – art. 8 EVRM – inreisverbod en overlegprocedure. Beroep mvb – art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – grondslag ophouding – gronden – lichter middel – zicht op uitzetting.

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:21683
text/xml
public
2026-08-04T08:43:04
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-03
NL26.40789 NL26.40831
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21683
text/html
public
2026-08-04T08:40:31
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21683 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / NL26.40789 NL26.40831

Beroepen ongegrond. Beroep tegen tkb/irv – rechtmatig verblijf Spanje – non-refoulement – art. 8 EVRM – inreisverbod en overlegprocedure. Beroep mvb – art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – grondslag ophouding – gronden – lichter middel – zicht op uitzetting.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.40789 en NL26.40831

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar (bestreden besluit 1) als de maatregel van vreemdelingenbewaring (bestreden besluit 2) die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Het opleggen van het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

1.2.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

2. Met bestreden besluit 1 van 20 juli 2026 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag met bestreden besluit 2 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring en heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 27 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F.Z. Elaichouchi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Toetsingskader

3. Op grond van artikel 61, eerste lid, van de Vw dient de vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in artikel 62 bepaalde termijn. Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw dient deze vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, nadat een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten. Op grond van artikel 62, tweede lid, kan de minister deze termijn verkorten.

3.1.

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid. Het inreisverbod wordt gegeven voor een bepaalde duur die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van de minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

3.2.

Op grond van artikel 66b, tweede lid, van de Vw zijn in het Vb nadere regels gesteld. Ter uitvoering van artikel 66a, vierde lid, van de Vw is in artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb bepaald dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt. In het tweede tot en met zesde lid is bepaald in welke gevallen naar beneden of naar boven wordt afgeweken van de (maximale) duur van het inreisverbod. In artikel 6.5, eerste en tweede lid, van het Vb is een aantal categorieën vreemdelingen opgesomd tegen wie als regel geen inreisverbod wordt uitgevaardigd. In het vierde lid is bepaald dat bij ministeriële regeling andere gevallen kunnen worden aangewezen waarin het inreisverbod om humanitaire of andere redenen achterwege wordt gelaten dan wel wordt opgeheven.

Rechtmatig verblijf Spanje

4. Eiser stelt dat hij in Spanje rechtmatig verblijf heeft. Hiertoe voert eiser aan dat hij daar een verblijfsaanvraag heeft ingediend en toestemming van de Spaanse autoriteiten heeft gekregen om zijn aanvraag daar af te wachten. Nadat de minister hem op 27 juni 2026 heeft opgedragen om zich onmiddellijk naar het grondgebied van Spanje te begeven, is eiser naar België vertrokken, waarmee hij volgens hem aan deze opdracht heeft voldaan omdat hij naar België is vertrokken en Nederland heeft verlaten en de opdracht niet inhield dat hij ook in Spanje diende aan te komen. Volgens eiser heeft dit als gevolg dat aan hem geen terugkeerbesluit mocht worden opgelegd.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en in Spanje in bezit is van een door Spanje afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf. Evenmin is in geschil dat eiser op 27 juni 2026 is opgedragen om zich op grond van het bepaalde in artikel 62a, eerste en derde lid, van de Vw onmiddellijk diende te begeven naar het grondgebied van Spanje en dat eiser na dit bevel het Spaanse grondgebied niet heeft betreden.

6. Artikel 62a, leden 1 en 3, van de Vw luiden – voor zover van belang – als volgt:

1. Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij (…) b.de vreemdeling in bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf (…).

3. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

7. Artikel 62a van de Vw is een implementatie van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Blijkens (onder meer) preambule 2 is deze Richtlijn gericht op een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt deze doelstelling zich niet met het standpunt van eiser, dat aan een bevel om zich te begeven naar het grondgebied van Spanje, waar eiser in bezit is van een door dat land afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, reeds is voldaan door vertrek uit Nederland naar een aangrenzende lidstaat, waarvan niet gesteld of gebleken is dat eiser daar in bezit is van een door dat land afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf.

8. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiser slechts aan het bevel van 27 juni 2026 kon voldoen door het grondgebied van Spanje daadwerkelijk in te reizen. Nu niet in geschil is dat dit niet is gebeurd, was de minister bevoegd om eiser op grond van het bepaalde in artikel 62a, derde lid, van de Vw een terugkeerbesluit op te leggen. In de verklaringen van eiser en de beroepsgronden zijn ook overigens geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat aan eiser geen terugkeerbesluit mocht worden opgelegd. De rechtbank is tevens van oordeel dat de minister heeft mogen afzien van het gunnen van een vertrektermijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Beginsel van non-refoulement

9. Eiser stelt dat de minister het refoulement-risico in het terugkeerbesluit niet deugdelijk heeft beoordeeld. Allereerst heeft eiser eerder al verklaard dat de Marokkaanse overheid hem niet zal beschermen tegen materiële deprivatie en dat hij niets of niemand heeft in Marokko. Ten tweede voert eiser aan dat hij een partner in Nederland heeft, met wie hij samen een kind stelt te verwachten, waarbij hij ook aangaf dat hij zijn partner moet beschermen omdat zij door haar vader wordt geslagen. Volgens eiser leidt zijn vertrek uit Nederland voor zijn partner tot een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

10. Ten aanzien van de omstandigheid van eisers gestelde partner in Nederland overweegt de rechtbank dat de refoulementsbeoordeling in deze procedure ziet op de uitvoering van het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en daarmee op eisers uitzetting naar Marokko. De minister dient na gaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet doordat zwaarwegende en op feiten berustende redenen zijn om aan te nemen dat een illegaal verblijvende derdelander in het land van bestemming – in dit geval Marokko – zal worden blootgesteld aan een reëel risico op behandelingen die door bepalingen van het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het Handvest van de Europese Unie worden verboden. Hierbij gaat het dus om de situatie waarin eiser belandt na uitzetting naar Marokko. De rechtbank ziet niet in hoe hierbij de situatie van zijn gestelde partner in Nederland hierbij zou moeten worden betrokken.

10.1.

De rechtbank oordeelt dat de minister in het terugkeerbesluit heeft overwogen dat niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement, zoals genoemd in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, dan wel vanwege de andere daarin genoemde belangen moet worden afgezien van het opleggen en uitvoeren van een terugkeerbesluit met Marokko als land van bestemming. Daar komt bij dat eiser in zijn gehoor op 20 juli 2026 volgens het opgemaakte proces-verbaal (M110) heeft verklaard dat hij geen onmenselijke behandeling in Marokko vreest en dat de overheid hem niets doet. De minister heeft vervolgens in het terugkeerbesluit vermeld dat eiser expliciet is bevraagd over een eventuele onmenselijke behandeling maar aangeeft dat dit niet aan de orde is, De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

11. Eiser doet een beroep op artikel 8 van het EVRM, waaruit volgt dat eenieder recht heeft op respect voor zijn privéleven. Hierover heeft eiser eerder al verklaard dat hij contact onderhoud met familieleden die in Nederland wonen (o.a. ooms, tantes, neven) en dat hij vriendschappen in Nederland heeft. Voorts heeft eiser verklaard dat hij een partner in Nederland heeft, welke zwanger is.

12. De rechtbank overweegt dat niet is gesteld of gebleken dat eiser een beschermenswaardig gezinsleven in de hierbedoelde zin met zijn gestelde partner uitoefent in Nederland. Eiser heeft zijn verklaringen hierover niet met documenten of anderszins onderbouwd. Ook is niet gebleken dat zij afhankelijk is van eiser. Met betrekking tot eisers familieleden en vrienden in Nederland overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft verklaard of aannemelijk gemaakt dat hij voor hen zorg draagt of dat een afhankelijkheidsrelatie met deze familieleden of vrienden bestaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met het recht op respect van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

Inreisverbod en overlegprocedure

13. Eiser voert aan dat de minister van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien of anders op zijn minst de duur van het inreisverbod had moeten verkorten, omdat hij van mening is dat het terugkeerbesluit niet rechtmatig aan hem is opgelegd. Daarbij is niet onderbouwd waarom voor de duur van twee jaar is gekozen. Ook heeft de minister ten onrechte geen overlegprocedure gevoerd met de Spaanse autoriteiten over de stand van eisers procedure daar, voordat het inreisverbod werd opgelegd.

14. De rechtbank overweegt allereerst dat aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen is opgelegd en verwijst naar hetgeen hierboven is overwogen over de rechtmatigheid daarvan. Op grond van het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is de minister vervolgens bevoegd om aan eiser een inreisverbod op te leggen.

15. Ten aanzien van de duur van het inreisverbod overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 6.5a van het Vb volgt als uitgangspunt dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. De duur van het inreisverbod wordt verkort of achterwege gelaten, als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niets heeft aangevoerd dan wel aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn situatie sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, waardoor de minister had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod of de duur daarvan had moeten verkorten. De beroepsgrond slaagt niet.

16. Ten aanzien van de overlegprocedure overweegt de rechtbank dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat indien een derdelander in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning, dit niet in de weg staat aan het opleggen van een inreisverbod. Over de werkwijze bij de signalering van inreisverboden in het geval een vreemdeling een verblijfstatus heeft in een andere lidstaat, heeft het Europees Hof van Justitie (het Hof) in haar arrest van 16 januari 2018, nr. C 240/17, uitleg gegeven. Het Hof heeft overwogen dat het doel van artikel 25, tweede lid, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst is ‘het voorkomen van een tegenstrijdige situatie waarin een derdelander enerzijds beschikt over een door een overeenkomst sluitende staat afgegeven geldige verblijfstitel en anderzijds ter fine van verwijdering van toegang gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem’. Tussen de betreffende lidstaten dient op grond van dit artikel een overlegprocedure plaats te vinden.

17. De rechtbank stelt vast dat eiser bij vertrek uit Spanje geen verblijfsvergunning had, maar dat hij procedureel rechtmatig verblijf had omdat nog niet was beslist op zijn verblijfsaanvraag. Ten aanzien van dit aldus verkregen rechtmatig verblijf was de voorwaarde verbonden dat eiser Spanje niet zou verlaten. Echter op het moment dat eiser – tijdens zijn lopende procedure – vertrok uit Spanje, is zijn procedureel rechtmatig verblijf vervallen. Niet gebleken of aannemelijk gemaakt is dat dit in het geval van eiser anders zou zijn en dat eiser ten tijde van de oplegging van de maatregel nog rechtmatig verblijf had in Spanje. Gelet hierop bestond naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor de minister om een overlegprocedure met de Spaanse autoriteiten op te starten. De beroepsgrond slaagt niet.

Toetsingskader

18. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Grondslag van de ophouding

19. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat de identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Deze grondslag valt volgens eiser niet te rijmen met het feit dat eiser staande is gehouden wegens een redelijk vermoeden van onrechtmatig verblijf. Hierop gelet had volgens eiser gekozen moeten worden voor artikel 50, derde lid, van de Vw, waarmee de ophouding dus op de verkeerde wettelijke grondslag heeft plaatsgevonden. Eiser doet hierbij een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 20 juli 2026. Dit gebrek zou volgens eiser moeten leiden tot opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring, omdat dit bij eiser tot verwarring heeft geleid. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat een belangenafweging volgt en deze in het voordeel van hem dient uit te vallen.

20. De rechtbank oordeelt dat eiser is opgehouden op de juiste grondslag, namelijk die van artikel 50, tweede lid, van de Vw. De minister kon de identiteit van eiser immers niet onmiddellijk vaststellen omdat eiser geen geldig identiteitsdocument kon overleggen. De rechtbank verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling, waaruit volgt dat de minister een vreemdeling mag ophouden op grond van het bepaalde in artikel 50, tweede lid, van de Vw indien deze geen identificerende documenten overlegt. Omdat er geen identiteitsdocument voorhanden was, heeft de minister mogen kiezen voor de grondslag van artikel 50, tweede lid, van de Vw. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de ophouding onrechtmatig te achten. Verder slaagt eisers beroep op de uitspraak deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, niet, omdat in dat geval sprake was van een op de persoon van de vreemdeling gerichte staandehouding op verzoek van DT&V, gericht op een voorgenomen inbewaringstelling, wat hier niet aan de orde is. De beroepsgrond slaagt niet.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

21. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

22. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

23. De rechtbank stelt vast dat eiser alle gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd, heeft betwist. Eiser voert ten aanzien van de grond onder 2a aan dat hij niet wist dat hij na zijn inschrijving in Spanje niet vrij door de EU mocht bewegen. Daarbij heeft eiser altijd met zijn paspoort gereisd. Ten aanzien van de grond onder 2c voert eiser aan dat hij wel degelijk meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Zijn identiteitsgegevens zijn reeds bij de minister bekend. En ten aanzien van de grond onder 2h voert eiser aan dat hij bereid is om mee te werken aan vertrek naar Spanje, omdat hij daar rechtmatig verblijf zou hebben.

24. De rechtbank oordeelt dat de minister de gronden onder 2a, 2c en 2h aan de maatregel van vreemdelingbewaring ten grondslag mocht leggen. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd. Eiser is zonder toestemming van de Spaanse autoriteiten naar Nederland gereisd en heeft geen geldig identiteitsdocument overgelegd. Daarmee is de grond onder 2a feitelijk juist. De stelling dat zijn gegevens bekend zouden zijn, maakt niet dat eiser voldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit. Inmiddels is aan eiser een terugkeerbesluit Marokko opgelegd en blijkt uit het dossier dat eiser heeft verklaard dat hij niet van plan is hier gehoor aan te geven. De minister heeft in de maatregel vermeld dat het paspoort van eiser zich in Den Haag bevindt, maar hij dat niet wenst te laten brengen. In het vertrekgesprek van 23 juli 2026 heeft eiser bevestigd dat hij een geldig paspoort zou hebben in Nederland, maar dat hij dit niet aan DTenV wil geven, omdat hij niet wil meewerken aan vertrek naar Marokko. Verder heeft eiser de kans gehad om zelfstandig naar Spanje te vertrekken, maar heeft hij hiervan geen gebruik gemaakt.

25. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gronden onder 2a, 2c en 2h feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om aan te nemen dat ten aanzien van eiser een risico op onderduiken bestaat. Daarom kunnen deze gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen. De rechtbank laat de overige door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

26. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hiertoe voert eiser dat hij nooit eerder gedetineerd is geweest en bereid is om in het zicht van de minister te blijven door bijvoorbeeld een gecontroleerde overdracht naar Spanje.

27. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet

kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Allereerst blijkt uit de gronden van de maatregel en de motiveringen daarvan al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser geen melding heeft gedaan van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland, niet ingeschreven staat in de BRP en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt om te kunnen voorzien in zijn onderhoud en terugkeer. De enkele stelling dat eiser niet eerder gedetineerd is geweest, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten afzien van het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Verder heeft de minister eiser de kans gegeven om terug te keren naar Spanje na het uitvaardigen van het bevel tot onmiddellijke terugkeer naar Spanje op 27 juni 2026, maar heeft eiser hier geen gebruik van gemaakt. Voor zover eiser wenst terug te keren naar Spanje, is hij ook vanuit Marokko in staat om zijn gestelde rechtmatig verblijf in Spanje weer op te pakken. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting

28. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Marokko. Gelet op eisers lopende procedure en het gestelde rechtmatig verblijf in Spanje kan niet met zekerheid worden gezegd dat Marokko eiser zal terugnemen.

29. De rechtbank overweegt allereerst dat de minister bevoegd is om eiser naar Marokko uit te zetten en verwijst hierbij naar wat onder rechtsoverweging 8 is overwogen. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Eiser heeft geen geldig identiteitsdocument overgelegd waardoor de minister afhankelijk is van de Marokkaanse autoriteiten voor de afgifte van een laissez-passer (lp). Er loopt een procedure bij de Marokkaanse autoriteiten voor afgifte van een lp ten behoeve van eiser en vooralsnog is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten geen lp zal afgeven voor eiser, waardoor het zicht op uitzetting niet ontbreekt. Wat ook zij van eisers stelling dat hij rechtmatig verblijf heeft in Spanje, betekent dit niet zonder meer dat de Marokkaanse autoriteiten om die reden geen lp zal afgegeven, zodat niet kan worden geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

30. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

31. De beroepen tegen het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank:

– verklaart de beroepen ongegrond;

– wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

3 augustus 2026



Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 66a, vierde lid, van de Vw.

Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.

Onder verwijzing naar artikel 25, tweede lid, SUO jo HvJ-arrest E, ECLI:EU:C:2018:8 d.d. 16-01-2018.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:272.

Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

ECLI:NL:RBDHA:2026:20168.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3719 en van 4 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4255.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd met de uitspraak van 9 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5027.

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Artikel delen